About this search function

You can search through the full text of all articles by filling in your search term(s) in the search box. If you press the ‘search’ button, search results will appear. This page contains filters, which can help you to quickly find the article you are looking for. At the moment, there are two different filters: category and year.

Citeerwijze van dit artikel:
Dr. Ruben Hemelsoen, ‘Overeenkomsten voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming: een analyse van de socio-juridische context’, Family & Law 2012, juli-september, DOI: 10.5553/FenR/.000004

DOI: 10.5553/FenR/.000004

Family & LawAccess_open

Article

Overeenkomsten voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming: een analyse van de socio-juridische context

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Dr. Ruben Hemelsoen, 'Overeenkomsten voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming: een analyse van de socio-juridische context', Family & Law August 2012, DOI: 10.5553/FenR/.000004

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding en probleemstelling

      Deze studie1xDe studie kadert binnen een grootschalig Vlaams scheidingsonderzoek, met name het ‘Interdisciplinair Project voor de Optimalisatie van Scheidingstrajecten’ (IPOS). Over het IPOS-onderzoek in het algemeen: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 67-72. beoogt empirische inzichten te verschaffen in de socio-juridische context van echtscheidingsovereenkomsten. Meer specifiek wordt empirisch onderzoek verricht naar de determinanten van echtscheidingsakkoorden (ex ante context) alsook naar de effecten die deze regelingen sorteren (ex post context). Door toepassing van de sociaalwetenschappelijke methodologie binnen het familierecht voorziet deze empirische analyse in brede kwantitatieve gegevens die als basis kunnen dienen voor toekomstige beleidsmatige beslissingen. Daarnaast kunnen de empirische bevindingen bijdragen tot de optimalisatie van de redactie van echtscheidingsovereenkomsten.

      In België bestaan er sedert de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding (BS 7 juni 2007) twee echtscheidingsgronden en evenveel echtscheidingsprocedures2xZie uitgebreider over dit onderscheid o.m. G. Verschelden, Handboek Belgisch Familierecht, Brugge, die Keure, 2010, 673 e.v., met name de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (afgekort: EOO) en de echtscheiding door onderlinge toestemming (afgekort: EOT).3xIn 2010 bedroeg het EOT-aandeel (14.948) iets meer dan de helft van het totaal aantal uitgesproken echtscheidingen in België (28.071). Voor meer statistieken: R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 49-53. Deze studie focust op de overeenkomsten die echtgenoten moeten sluiten alvorens ze samen een gerechtelijke procedure tot EOT kunnen opstarten (hierna afgekort: EOT-overeenkomsten).4xIn Nederland wordt de term ‘echtscheidingsconvenanten’ voor deze overeenkomsten gehanteerd. De wet maakt een onderscheid – door afzonderlijke bepalingen te hanteren – tussen de opmaak van een overeenkomst omtrent de wederzijdse rechten (ex art. 1287 Ger.W.) en een familierechtelijke overeenkomst (ex art. 1288 Ger.W.). De inhoud van de overeenkomst ingevolge art. 1287 Ger.W. is te vergelijken met een vereffening-verdeling, waarbij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door verdeling van alle goederen en schulden wordt beoogd.5xW. Pintens, Echtscheiding door onderlinge toestemming, Antwerpen, Kluwer, 1982, 183, nr. 292. In de overeenkomst ingevolge art. 1288 Ger.W. wordt het gezag over en het verblijf van de kinderen samen met een eventuele uitkering tussen (ex-)echtgenoten geregeld.6xDeze laatste overeenkomst vertoont gelijkenissen met het verplichte ouderschapsplan in Nederland. Omtrent het ouderschapsplan, zie o.a. M.V. Antokolskaia en L.M. Coenraad (ed.), Het nieuwe scheidingsrecht. Ouderschapsplan, positie van het kind, regierechter en collaborative divorce, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2010, 130 p. Een rechtsvergelijkend onderzoek m.b.t. de familierechtelijke overeenkomst en het ouderschapsplan ligt buiten het bestek van deze studie.

      In de rechtsleer worden echtscheidingsovereenkomsten traditioneel vanuit een rechtsdogmatisch perspectief bestudeerd. Vooraleer dit onderzoeksproject van start ging, was de socio-juridische context van EOT-overeenkomsten in België nooit eerder op een empirische wijze onderzocht. Het Belgisch ex ante (echt)scheidingsonderzoek spitst zich voornamelijk toe op sociodemografische indicatoren van (echt)scheiding.7xZie o.a. P. Raeymaeckers, L. Snoeckx en D. Mortelmans, “Marriage and divorce in Belgium: The influence of professional, educational and financial resources on the risk for marriage dissolution”, Journal of Divorce and Remarriage 2006, afl. 46, 151-174. In mindere mate zijn de relationele determinanten van een (echt)scheiding in België empirisch onderzocht.8xBijv. L. Snoeckx, P. Raeymaeckers en D. Mortelmans, “Relationele kenmerken en echtscheiding in België. Een analyse op basis van de Panel Studie van Belgische Huishoudens”, Tijdschrift voor Sociologie 2006, afl. 27, 157-177. Buitenlands onderzoek inzake voorspellers van echtscheidingsregelingen is omnipresent.9xVoor een overzicht van het internationaal determinantenonderzoek: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 369-375, nr. 645 et seq. Voorzichtigheid is echter geboden bij de interpretatie van de internationale onderzoeksbevindingen aangaande indicatoren van echtscheidingsregelingen. De resultaten uit buitenlands determinantenonderzoek moeten begrepen worden elk binnen hun eigen juridische context waarin telkens fundamenteel andere regels van materieel en formeel echtscheidingsrecht spelen. De uitkomsten uit dergelijk onderzoek zijn met andere woorden niet rechtstreeks omzetbaar naar een nationale of regionale context.10xOmtrent de mogelijkheid van Belgische regionale verschillen in risicofactoren, zie D. Mortelmans, L. Snoeckx en J. Dronkers, “ Cross-regional divorce risks in Belgium: Culture or legislative system?”, Journal of Divorce and Remarriage 2009, afl. 50, 541–563. Een bespreking van de empirische resultaten van het determinantenonderzoek is slechts zinvol indien vooreerst de wettelijke regelingen binnen de verschillende nationale rechtsstelsels worden vergeleken.11xDergelijk rechtsvergelijkend onderzoek behoort niet tot de opzet van deze studie. Omtrent het probleem van de generaliseerbaarheid van het sociaalwetenschappelijk onderzoek binnen het familierecht, zie M. Brinig, “Empirical work in family law”, University of Illinois Law Review 2002, 1083-1110. In de internationale sociaalwetenschappelijke studies gaat de aandacht daarenboven – in de meeste gevallen – uit naar de indicatoren voor rechterlijke beslissingen inzake echtscheidingen (de zgn. divorce decrees). Onderzoek met betrekking tot specifieke indicatoren voor (inhouden van) echtscheidingsovereenkomsten (de zgn. mutual consent divorce agreements) is veel minder beschikbaar.12xZoals bijv. in Groot-Brittannië: F. Wasoff, “Mutual consent: separation agreements and the outcomes of private ordering in divorce”, Journal of Social Welfare and Family Law 2005, afl. 27, 237-250 en in de Verenigde Staten van Amerika: M. Brinig, “Unhappy contracts: the case of divorce settlements”, Review of Law & Economics 2005, afl. 2, 241-275.

      Binnen het sociaalwetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de ex post (echt)scheidingscontext kunnen twee grote onderzoekslijnen worden onderscheiden. Vooreerst is er een brede waaier aan binnen- en buitenlandse studies die de langetermijneffecten bestuderen van een (echt)scheiding op zeer uiteenlopende ex post domeinen, zoals bijvoorbeeld het psychologische welbevinden, de gezondheid, de sociaal-economische positie, sociale relaties, relatie- en gezinsvorming van zowel (ex-)echtgenoten als hun kinderen, etc.13xEen bespreking van de bevindingen uit dit impactonderzoek ligt buiten dit bestek. Voor een literatuuroverzicht inzake de effecten van een (echt)scheiding op het verdere leven van de betrokken gezinsleden, zie o.a. C. Van Peer (ed.), De impact van een (echt)scheiding op kinderen en ex-partners, Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering, 2007, 226 p. te raadplegen op www4.vlaanderen.be/dar/svr/publicaties/Publicaties/svr-studies/2007-03-impact-echtscheiding-web.pdf . Het is echter niet alleen belangrijk om te kijken naar de impact van een echtscheiding op lange termijn. De focus op het echtscheidingsproces14xMet ‘echtscheidingsproces’ wordt niet de strikt juridische term maar eerder de socio-psychologische betekenis van het begrip bedoeld. en zijn uitwerking op korte termijn is minstens even belangrijk maar ontbreekt doorgaans.15xIn dezelfde zin: A. Buysse en M. Renders, “De impact van scheiding op kinderen: knelpunten gekoppeld aan de nieuwe wetgeving”, Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten 2007, afl. 3, 147. Een tweede lijn van ex post (echt)scheidingsonderzoek focust op de effectiviteit van echtscheidingsregelingen bekomen binnen verschillende (echt)scheidingstrajecten. Zo zijn er talrijke effectiviteitstudies gedaan waarbij uitkomsten van unilaterale en consensuele echtscheidingen (of ook: rechtspraak- en bemiddelingstrajecten16xBijv. J.B. Kelly, “Mediated and adversarial divorce resolution processes: a comparison of post-divorce outcomes”, Family Law 1991, afl. 21, 384-385, M. Marcus, W. Marcus, N.A. Stilwell en N. Doherty, “To mediate or not to mediate: financial outcomes in mediated versus adversarial divorces”, Mediation Quarterly 1999, afl. 17, 143-152, R.E. Emery, L. Laumann-Billings, M.C. Waldron, D.A. Sbarra en P. Dillon, “Child custody mediation and litigation: Custody, contact, and coparenting 12 years after initial dispute resolution”, Journal of Consulting and Clinical Psychology 2001, 323-332.) aan de hand van zogenaamde uitkomstmaten17xVoor een overzicht van verschillende uitkomstmaten, zie bijv. J.B. Kelly, “Family mediation research: empirical support for the field”, Conflict Resolution Quarterly 2004, afl. 22, 3-35. – zoals de settlement ratio18xBijv. een studie waar enkel de mate van overeenkomst als outcome maat wordt gebruikt: R.H. Ballard, A. Holtzworth-Munroe, A.G. Applegate en B. D’Onofrio, “Factors affecting the outcome of divorce and paternity mediations”, Family Court Review 2011, afl. 49, 16-33., de tevredenheid met en naleving van de regelingen – met elkaar worden vergeleken.19xBijv. met betrekking tot de tevredenheid over de echtscheidingsregelingen: R.E. Emery, S.G. Matthews en K.M. Kitzmann, “Child custody mediation and litigation: Parents’ satisfaction and functioning one year after settlement”, Journal of Consulting and Clinical Psychology 1994, afl. 62, 124-129, V.L. Sheets en S.L. Braver, “Gender differences in satisfaction with divorce settlements”, Family Relations 1996, afl. 45, 336-342. Bijv. met betrekking tot de naleving van de echtscheidingsregelingen: H.E. Peters, L.M. Argys, E.E. Maccoby en R.H. Mnookin, “Enforcing divorce settlements: evidence from child support compliance and award modifications”, Demography 1993, afl. 30, 719-735; D.R. Meyer en J. Bartfeld, “Compliance with child support orders in divorce cases”, Journal of Marriage and Family 1996, afl. 58, 201-212. De resultaten uit dergelijke studies zijn zeer uiteenlopend en hangen opnieuw nauw samen met de rechtscontext waarbinnen de bestudeerde regelingen tot stand zijn gekomen. Binnen het nationaal (regionaal) ex post (echt)scheidingsonderzoek zijn voornamelijk zogenaamde impactonderzoeken uitgevoerd.20xVoor een overzicht van impactstudies, zie D. Mortelmans,I. Pasteels, P. Bracke, K. Matthijs, J. Van Bavel en C. Van Peer (eds.), Scheiding in Vlaanderen, Leuven, Acco, 2011, 336 p.

      In deze bijdrage wordt na een schets van de onderzoekscontext (zie 2) dieper ingegaan op de empirisch-juridische onderzoeksmethode (zie 3). Vervolgens worden de onderzoeksbevindingen van de contextuele analyse gepresenteerd (zie 4). In een laatste deel worden de implicaties van de empirische bevindingen voor de echtscheidingspraktijk besproken (zie 5).

    • 2 Onderzoekscontext

      2.1 Onderzoeksdoelstelling

      Onder een contextuele analyse wordt algemeen verstaan de studie van het omvattende betekenisgevende kader waarbinnen ‘iets’ plaatsvindt.21xDe benaming ‘contextuele analyse’ wordt tevens gebruikt voor een specifieke statistische techniek, de voorloper van de meerniveau analyse binnen het sociologisch onderzoek, zie o.a. G.R. Iversen, Contextual analysis, Newbury Park, Sage, 1991, 84 p. Hoewel de echtscheidingsovereenkomsten als juridische documenten worden neergelegd op de griffie van de rechtbank, kan men ze uiteraard in een bredere maatschappelijke realiteit plaatsen. Conform de relationele contracttheorie (RCT) kunnen deze belangrijke overeenkomsten op een meer diepgaande en empirische wijze worden begrepen door hun context mee te analyseren.22xCf. “Combined contextual analysis of relations and transactions is more efficient and produces a more complete (and sure final analytical) product than does commencing with non-contextual analysis of transactions” in I. Macneil, “Relational contract theory: Challenges and queries”, Northwestern University Law Review 2000, afl. 94, 881.

      Er zijn geen voorgaande Belgische studies die verduidelijking bieden over socio-juridische indicatoren voor echtscheidingsregelingen die partijen zelf onderhandelen. Bijgevolg is het van cruciaal belang om empirisch-juridisch onderzoek te verrichten binnen de nationale (regionale) context om zodoende meer inzicht te verwerven over het effect van de ex ante kenmerken op de inhoud(en) van echtscheidingsovereenkomsten uit een representatieve steekproef alsook over de invloed van (de inhoud van) echtscheidingsovereenkomsten op de ex post context (zie fig. 1). Naast deze aspecten kan er in de regel nog een derde, meer overkoepelende context met betrekking tot de EOT worden onderscheiden die buiten de doelstelling van deze studie valt, namelijk de wetgevende en beleidscontext.23xVoor een empirisch onderzoek in VS context, zie D.W. Allen en M. Brinig, “Do Joint Parenting Laws Make Any Difference?”, Journal of Empirical Legal Studies 2011, 304-324.

      Context(en) van de EOT-overeenkomst
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      2.2 Onderzoeksmodel

      De context, of de totale omgeving waarin de EOT-overeenkomsten tot stand komen en hun uitwerking krijgen, is onmiskenbaar zeer complex. Om die gecompliceerde empirische werkelijkheid beter te kunnen vatten en bestuderen, wordt er een abstractie van de realiteit gemaakt in een – per definitie simplificerend – model, in casu het EOT-onderzoeksmodel (zie fig. 2). Dit conceptueel en causaal determinantenmodel representeert een globale manier van kijken die aan deze empirisch-juridische studie ten grondslag ligt.24xDe componenten van het model zijn toegespitst op het empirisch onderzoek van echtscheidingsovereenkomsten. Dit determinantenmodel is gebaseerd op een algemeen IPOS-model (zie vn. 2), wat op zijn beurt gestoeld is op een logisch model van levenskwaliteit (een zgn. logic model of quality of life). Voor het oorspronkelijk model, zie bijv. R. Schalock, “The concept of quality of life: what we know and do not know”, Journal of Intellectual Disability Research 2004, afl. 48, 205.

      Het EOT-model vertrekt vanuit enkele ex ante kenmerken van het gezin dat verwikkeld is in een echtscheiding (de zgn. inputkenmerken van het model). De output-variabele in dit socio-juridische model is de EOT-overeenkomst, waarbij zowel de vorm als de inhoud ervan kunnen variëren. Deze output vormt de meest proximale voorspeller van de subjectieve kwaliteitsbeleving van de overeenkomsten door de ex-echtgenoten na echtscheiding, op zijn beurt de centrale uitkomstmaat van het model (de zgn. outcome).

      Conceptueel EOT-onderzoeksmodel
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      2.2.1 Ex ante kenmerken van de EOT-context

      De ex ante context is letterlijk de ‘situatie van tevoren’, in casu de context vóór het sluiten van EOT-overeenkomsten. De meest proximale omstandigheid vóór de ondertekening van de EOT-overeenkomst is de onderhandeling van EOT-afspraken. Uit buitenlandse onderzoeken25xBetreffende dit onderhandelingsonderzoek, zie o.a. R. Mnookin en L. Kornhauser, “Bargaining in the shadow of the law”, Yale Law Journal 1978-79 afl. 88, 950-997; M.S. Melli, H.S. Erlanger en E. Chambliss, “The process of negotiation: an exploratory investigation in the context of no-fault divorce”, Rutgers Law Review 1987, 1133-1172; H. Jacob, “The elusive shadow of the law”, Law and Society Review 1992, 565-588; A.M. Hochberg en K. Kressel, “Determinants of succesful and unsuccesful divorce negotiations”, Journal of Divorce and Remarriage 1996, 1-21 en T. Wilkinson-Ryan en D. Small, “Negotiating divorce: gender and the behavioral economics of divorce bargaining”, Law and Inequality 2008, 109-132. blijkt duidelijk dat de onderhandelingswijze onbetwistbaar een wezenlijk effect heeft op de inhoud van de overeengekomen echtscheidingsregeling. In voorliggend onderzoek wordt de onderhandelingsfase, als een black box, buiten beschouwing gelaten. De opzet van dit onderzoek laat immers niet toe om fundamentele uitspraken te doen over de impact van de EOT-onderhandelingen op de inhoud van de overeenkomsten.

      Het conceptueel EOT-model vertrekt vanuit enkele ex ante contextkenmerken die op basis van eerder determinantenonderzoek26xZie referentie in vn. 10. gegroepeerd kunnen worden in volgende (hoofd)categorieën: (i) persoonskenmerken (zoals geslacht, leeftijd, nationaliteit); (ii) gezinskenmerken (zoals gezinssamenstelling), (iii) socio-economische kenmerken (zoals opleiding, activiteitenstatus, persoonlijk en familiaal inkomen), (iv) huwelijkskenmerken (zoals huwelijksduur, rol- en taakverdeling en conflict tijdens het huwelijk), en (v) scheidingskenmerken (zoals initiator en oorzaken van (echt)scheiding). Deze inputkenmerken kunnen verder worden onderverdeeld in subjectieve en objectieve karakteristieken (infra 3.3.1). Subjectieve variabelen zijn elementen die een perceptie van de werkelijkheid vormen, en die door de echtgenoten worden gerapporteerd tijdens een grootschalige bevraging, bijvoorbeeld het (gepercipieerde) conflict tijdens het huwelijk. Objectieve variabelen daarentegen zijn eigenschappen die via een objectieve codering uit de EOT-overeenkomsten zijn gehaald, bijvoorbeeld de gezinssamenstelling.

      2.2.2 Ex post kenmerken van de EOT-context

      De ex post context betekent de ‘situatie achteraf’, in casu de context na het sluiten van de EOT-akkoorden. Meer specifiek wordt hiermee de toestand na het definitief worden van de echtscheiding bedoeld. In deze analyse is de juridische procedure buiten beschouwing gelaten. De ‘toestand achteraf’ kan gevat worden aan de hand van talrijke concepten, zoals bijvoorbeeld de gerapporteerde naleving of het gepercipieerde conflict aangaande de EOT-afspraken. In deze empirische studie staat de kwaliteitsbeleving van de gesloten EOT-akkoorden centraal.

      Algemeen wordt aangenomen dat een kwalitatieve EOT-overeenkomst met meer waarschijnlijkheid zal leiden tot een betere uitvoering of naleving van de afspraken, wat op zijn beurt de kans op relitigatie na echtscheiding sterk zal doen verminderen en de levenskwaliteit finaal zal doen vergroten.27xVoor een empirisch onderzoeksvoorstel inzake relitigatie na EOT, zie G. Verschelden, “Relitigatie na echtscheiding door onderlinge toestemming” in G. Verschelden (ed.), Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, 82-85, nr. 53-54. Alvorens onderzoek kan worden gedaan naar deze assumptie alsmede de langetermijneffecten van de overeengekomen echtscheidingsregelingen, is meer empirisch inzicht nodig in de beïnvloedende factor(en) van de kwaliteit van echtscheidingsovereenkomsten.

      De vraag rijst evenwel naar de operationalisering van overeenkomstkwaliteit.28xOver het probleem van kwaliteitsmeting in een bredere context van conflictoplossing: M. Galanter, “The quality of settlements”, Journal of Dispute Resolution 1988, 55-84 en T. Tyler, “The quality of dispute resolution procedures and outcomes: measurement, problems and possibilities”, Denver University Law Review 1988-89, 419-436. Enkele argumenten pleiten in het voordeel van een subjectieve of perceptuele maat voor EOT-overeenkomstkwaliteit.29xZie in dit verband over indicatoren voor een continuüm van hoogkwalitatieve onderlinge overeenstemming (high-quality consent): J. Lande, “How will lawyering and mediation practices transform each other”, Florida State University Law Review 1996-1997, afl. 24, 868-878. In de eerste plaats kan gerefereerd worden aan de content analysis theorie, die stelt dat tekstinhouden geen objectieve – dus lezersonafhankelijke – kwaliteiten bezitten.30xK. Krippendorff, Content analysis: an introduction to its methodology, Thousand Oaks, Sage, 2004, 22. Anders gesteld, een EOT-overeenkomst bevat weliswaar betekenisvolle inhouden maar er zijn geen goede of slechte EOT-inhoudscategorieën.31xDaartegenover staat dat de formele tekstkwaliteit wel via linguïstische studies kan worden geanalyseerd. Een tweede argument in het voordeel van een subjectieve kwaliteitsmeting is gebaseerd op eerder wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de kwaliteit van bemiddelde overeenkomsten. In een klassieke studie met betrekking tot bemiddeling zijn vier theoretische eigenschappen van hoogkwalitatieve overeenkomsten onderscheiden32xZie de klassieke studie van D.T. Saposnek, Mediating child custody disputes, San Francisco, Jossey-Bass, 1983, 102. Zie eveneens: C.W. Moore, The mediation process: practical strategies for resolving conflict, San Francisco, Jossey-Bass, 2003, 312., met name (i) evenwichtigheid van de bereikte akkoorden33xThe balance of concessions refers to the equity of the exchanges made by the parties”. Ibid. ; (ii) duidelijkheid van de clausules34xClarity of the clauses refers to writing that precludes the possibility of diverse interpretations en misinterpretations”. Ibid.; (iii) gedetailleerdheid van de clausules35xDegree of detail in the clauses refers to the specificity of the agreement”. Ibid. en (iv) positieve intenties en perspectieven in de bedingen36xEr weze opgemerkt dat het laatste kenmerk ‘positieve intentieverklaring’ niet is omgezet in een perceptie-item.. Het betreft hier telkens karakteristieken die moeilijk tot onmogelijk objectief meetbaar zijn. Tot nu toe is er geen onderzoek gedaan omtrent de kwaliteit van overeenkomsten waarbij bovenstaande percepties in één construct worden verenigd. Dergelijk kwaliteitsconstruct zou een goede benadering kunnen vormen van hoe ex-echtgenoten hun akkoorden ervaren, of met andere woorden voor de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomsten.

      2.2.3 De jure kenmerken van de EOT-overeenkomst

      Uit een inhoudelijke analyse van een representatieve steekproef37xVoor de totstandkoming van deze representatieve steekproef, zie infra 3.1. van overeenkomsten blijkt duidelijk dat de EOT-inhouden zeer uiteenlopend zijn.38xVoor een uitgebreide empirische inhoudsanalyse van de EOT-overenkomsten: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 117-356. Ten behoeve van de empirisch-juridische analyse is daarom een abstractie gemaakt van deze inhouden. Om de EOT-overeenkomsten objectief en kwantitatief te beschrijven is gebruik gemaakt van een systematisch-kwantificerende inhoudsanalyse39xUitgebreid over dit type van inhoudsanalyse: F. Wester en M. van Selm, “Inhoudsanalyse als systematisch kwantificerende werkwijze” in F. Wester, K. Renckstorf en P. Scheepers (eds.), Onderzoekstypen in de communicatiewetenschap, Kluwer, Alphen aan den Rijn, 2006, 121-150. waarbij objectieve inhoudscategorieën, ook wel de jure kenmerken genoemd, zijn geconcipieerd. Een kwantitatieve beschrijving van de inhoudsgegevens impliceert een duidelijke omlijning van de gekozen categorieën. De beschrijving is daarenboven objectief omdat het onderzoek kan worden gerepliceerd. Hierbij zouden op basis van een nieuwe representatieve steekproef van EOT-overeenkomsten ongeveer dezelfde resultaten kunnen worden bekomen.

      2.3 Onderzoeksvragen

      De onderzoeksdoelstelling die erin bestaat de verschillende contexten van EOT-overeenkomsten wetenschappelijk te belichten40xVoor een eerdere studie binnen een bredere VS-context: zie D. Shetstowsky en J. Brett, “Disputants’ perceptions of dispute resolution procedures: an ex ante and ex post longitudinal empirical study”, Connecticut Law Review 2008, afl. 41, 63-107., noopt tot exploratievehoofdonderzoeksvragenop verschillende niveaus:

      1. Ex ante niveau: welke contextuele kenmerken zijn (significante) indicatoren voor de inhoud(-en) van de EOT-overeenkomst?

      2. Ex post niveau: welke contextuele kenmerken en EOT-inhouden zijn (statistisch significante) indicatoren voor de evolutie in de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomsten?

      De onderzoeksvraag m.b.t. het ex ante niveau kan verder worden opgesplitst in volgende deelonderzoeksvragen: welke zijn de statistisch significante ex ante indicatoren voor (i) de toebedeling van de gezinswoning aan één van de echtgenoten; (ii) het samenwonen tijdens de EOT-proeftijd; (iii) het bedingen van gezagsco-ouderschap; (iv) het bedingen van verblijfsco-ouderschap; (v) het bedingen van een in geld uitdrukbare onderhoudsbijdrage voor de kinderen in de EOT-overeenkomst; (vi) het bedingen van een uitkering tussen (ex-) echtgenoten? 41xDe regeling aangaande de gezinswoning kon via de systematisch-kwantificerende inhoudsanalyse als enig objectief categoriseerbaar de jure element uit de overeenkomst ex art. 1287 Ger.W. geselecteerd.

      Ook m.b.t. het ex post niveau kunnen verschillende deelonderzoeksvragen worden onderscheiden, waarbij de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomsten telkens centraal staat: (i) hoe beleven de partijen de kwaliteit van de EOT-overeenkomst bij de start van de EOT-procedure?; (ii) hoe evolueert de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomsten over een periode van 36 maanden na het definitief worden van de EOT?; (iii) welke kenmerken uit de ex ante context hebben een significant effect op de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst?, en (iv) welke objectieve overeenkomstinhouden zijn determinerend voor de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst?

      In eerste instantie zijn deze onderzoeksvragen exploratief van aard, aangezien geen Belgische of Nederlandse studies gekend zijn met een dergelijke invalshoek.

    • 3 Onderzoeksmethode

    • 3.1 Steekproeftrekking en -samenstelling

      In een eerste stadium van het onderzoek is de populatie afgebakend waaruit de steekproef is getrokken. De onderzoekspopulatie voor dit onderzoek betreft de groep van ex-echtgenoten die gescheiden zijn via een procedure echtscheiding door onderlinge toestemming (of kortweg: EOT-procedure). Om de representativiteit van de steekproef te garanderen, rekening houdend met de mogelijke respons en uitval in de opeenvolgende stappen van steekproeftrekking, zijn vier Vlaamse rechtbanken van eerste aanleg geselecteerd.42xDe rechtbanken in Antwerpen, Gent, Mechelen en Kortrijk vormen het steekproefkader van de studie. Over de algemene IPOS-onderzoeksopzet: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 67-72. Tijdens het referentiejaar is bijna de helft van het totale aantal echtscheidingen door onderlinge toestemming in Vlaanderen in deze vier rechtbanken uitgesproken.43xIn het referentiejaar 2007 waarop het steekproefkader is gebaseerd, zijn er in totaal 11.314 echtscheidingen onderlinge toestemming uitgesproken in Vlaanderen. In de geselecteerde rechtbanken zijn er 5.450 echtscheidingen door onderlinge toestemming uitgesproken in het referentiejaar 2007. De vier rechtbanken hebben dus samen een potentieel van bijna 50 procent van alle EOT’s.

      Gedurende één jaar, vanaf maart 2008 tot maart 2009, zijn alle mensen die een echtscheidingsprocedure44xIn geval van EOT zijn de participanten bij de eerste verschijning gevat. hebben ingeleid voor één van de vier rechtbanken aangesproken om deel te nemen aan een grootschalige echtscheidingsenquête. Tijdens de rekruteringsfase is nauwgezet een protocol in acht genomen.45xOmtrent de details inzake de rekrutering voor de IPOS-enquête: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 70-71. Alle deelnames aan de grootschalige echtscheidingsenquête zijn zorgvuldig geregistreerd.46xDe enquête bestaat uit viermeetmomenten (aangeduid met de afkortingen T1 t.e.m. T4). Via een uitgekiend deelname-registratiesysteem is het mogelijk om in elke fase van het onderzoek de respons en de uitval van de steekproef te beschrijven. Na één jaar rekrutering bevatte de volledige dataset 2.146 enquêtes, waarvan 1.849 volledig ingevuld. Voor deze studie zijn enkel de cases geselecteerd waarbij een EOT-procedure is gevolgd. Zodoende is een finale dataset met enquêtegegevens van 1.160 respondenten verkregen. Van elk koppel op wiens verzoek er een EOT-vonnis is uitgesproken, is gepoogd de voorafgaande EOT-overeenkomst in de archieven van de burgerlijke griffie van de rechtbank van eerste aanleg te traceren om deze vervolgens ter plaatse in te scannen.47xDeze werkwijze is goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (afgekort: CBPL). Zie het online openbaar register van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer: https://www.privacycommission.be/elg/publicRegister.htm?decArchiveId=45014 . In totaal zijn 1.032 overeenkomsten ingescand.48xDit betekent dat 128 EOT-overeenkomsten van IPOS-respondenten niet zijn teruggevonden. Aangezien in deze studie is gewerkt met een omvangrijke steekproef, die een goede afspiegeling vormt van de EOT-populatie in Vlaanderen49xDe representativiteit van de steekproef wordt aangetoond in R. Hemelsoen en K. Schoors, “Inhoudelijke analyse van overeenkomsten voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming. Een preliminair statistisch portret” in G. Verschelden (ed.), Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, 3-34., zijn de empirische bevindingen op basis van de steekproef nauwkeurig en betrouwbaar.50xDe EOT-steekproef bevat dus ongeveer tien procent van alle EOT-overeenkomsten uit de populatie binnen het referentiejaar. De foutenmarge bedraagt voor de volledige steekproef 2,9 procent (op het 95 % betrouwbaarheidsniveau).

      3.2 Data-analyse

      Ten behoeve van de contextuele analyses zijn de subjectieve data uit de enquête gekoppeld aan de objectieve data uit de inhoudsanalyse. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van twee data-analytische technieken courant gehanteerd in de sociale en economische wetenschappen, zijnde een regressieanalyse en een logistische regressieanalyse (zie bijlage51xDe methoden worden summier en op een niet-technische manier toegelicht in de bijlage.).

      3.3 Operationalisering van de variabelen

      Hierna volgt een bespreking van hoe de afhankelijke en onafhankelijke variabelen uit dit onderzoek zijn geoperationaliseerd52xOperationaliseren is het ‘formuleren’ van een abstract concept uit de theorie zodat het als meetbare grootheid kan worden gedefinieerd. Het is m.a.w. de werkwijze waarbij indicatoren gebruikt worden om begrippen te meten.. Dezelfde set van onafhankelijke variabelen wordt telkens gebruikt in iedere (logistische) regressieanalyse.

      Variabelen van het ex ante EOT-model
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      3.3.1 Inputkenmerken als onafhankelijke variabelen

      Aansluitend op het conceptueel ex ante model (zie fig. 3) zijn er per inputkenmerk meerdere onafhankelijke variabelen geselecteerd. Deze selectie is gebaseerd op een literatuurstudie van de gehanteerde factoren in buitenlands determinantenonderzoek met betrekking tot de echtscheidingsregelingen.53xVoor een overzicht van het internationaal determinantenonderzoek: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 369-375, nr. 645 et seq. Hierna volgt een overzicht van de operationalisering van iedere onafhankelijke variabele. Sommige variabelen zijn bevraagd via de grootschalige echtscheidingsenquête. Andere zijn gecodeerd tijdens de inhoudsanalyse van de EOT-overeenkomsten.

      1. Persoonskenmerken van de (ex-)echtgenoten. De leeftijd van de echtgenoten alsook het leeftijdsverschil op datum van de EOT-overeenkomst zijn objectief geregistreerd op het codeerblad.54xDaarnaast is de nationaliteit van de echtgenoten genoteerd. Gezien het zeer kleine aantal niet-Belgen is deze variabele niet opgenomen in de analyse.

      2. Gezinskenmerken. Het hoofdkenmerk van het (vroegere) gezin is de gezinssamenstelling.55xUiteraard is het mogelijk dat ook het vroegere gezin al een nieuw samengesteld gezin was. Aangezien de focus van deze studie ligt op de EOT-regelingen – waarin enkel een regeling dient te worden opgenomen met betrekking tot de gemeenschappelijke kinderen – is de gezinssamenstelling objectief geregistreerd aan de hand van de EOT-overeenkomst. Tijdens de codering zijn het aantal gemeenschappelijke kinderen (zowel minderjarig als meerderjarig), het geslacht en de leeftijd van die kinderen op het codeerblad genoteerd. In de enquête is tevens bevraagd of er een nieuwe partner is op het ogenblik van de bevraging56xDit is net na de eerste verschijning voor de EOT-rechter. De onafhankelijke variabelen met betrekking tot het al dan niet hebben van een nieuwe partner, zijn: geen van de echtgenoten hebben een nieuwe partner (nieuwe.partner.0), een nieuwe partner voor één van de echtgenoten (nieuwe.partner.1) of een nieuwe partner voor beide (nieuwe partner.2)..

      3. Socio-economische kenmerken. Een reeks socio-economische status (afgekort SES) kenmerken uit de ex ante context zijn bevraagd. Onder deze SES-kenmerken vallen de opleiding van de echtgenoten57xDe variabele opleiding is onderverdeeld in 5 categorieën: (1) geen diploma en (buitengewoon) lager onderwijs, (2) buitengewoon en beroepssecundair onderwijs, (3) technisch secundair onderwijs, (4) algemeen secundair onderwijs en (5) hoger onderwijs., de activiteitenstatus van de echtgenoten58xDe variabele activiteitenstatus is onderverdeeld in 8 categorieën, zijnde (0) ‘werkloos/student/huisman- of vrouw/gepensioneerd’, (1) ‘niet geschoolde arbeider’, (2) ‘geschoolde arbeider’, (3) ‘bediende’, (4) ‘zelfstandige, (5) ‘hogere bediende’, (6) ‘kaderlid’, (7) ‘vrij beroep’. en het persoonlijke netto-inkomen van de echtgenoten voor de echtscheiding. Daarnaast zijn zowel het ‘aantal werkuren per week’ als de ‘perceptie van rondkomen voor de echtscheiding’59xDe vraag in de enquête met betrekking tot de perceptie van rondkomen luidde: ‘Konden jullie met jullie totaal beschikbaar inkomen rondkomen tijdens het laatste jaar voor de aanvraag van de echtscheiding?’. Respondenten konden op een 7 punten Likert schaal antwoorden variërend van ‘zeer makkelijk’ tot ‘zeer moeilijk’. als subjectief SES-kenmerk in de enquête bevraagd. Het aantal onroerende goederen waar één of beide echtgenoten zakelijke rechten op hebben, is een SES-kenmerk geregistreerd via het codeerblad.60xDe onafhankelijke SES variabelen zijn finaal de gemiddelde opleiding van de echtgenoten (aangeduid als opleiding.gem), het verschil in opleiding tussen de echtgenoten (opleiding.ver), de gemiddelde activiteitenstatus van de echtgenoten (werk.gem), het verschil in activiteitenstatus tussen de echtgenoten (werk.ver), het gemiddelde aantal werkuren per week van beide echtgenoten (werkuren.gem) alsook het verschil in het aantal werkuren tussen de echtgenoten (aangeduid als werkuren.ver). Wat specifiek het inkomen net voor de echtscheiding betreft, zijn de onafhankelijke variabelen het gemiddelde persoonlijke netto-inkomen van de echtgenoten (pre.inkomen.gem), het verschil in persoonlijk netto-inkomen (pre.inkomen.ver), de gemiddelde perceptie van rondkomen met het familiaal netto-inkomen (rondkomen.gem) en het verschil in perceptie van rondkomen met het familiaal netto-inkomen (rondkomen.ver). Ten slotte is er het aantal onroerende goederen waarvan beide echtgenoten samen eigenaar zijn (r.org.tot.num).

      4. Huwelijkskenmerken. De huwelijksdatum is objectief geregistreerd via het codeerblad, waardoor de exacte huwelijksduur kan berekend worden. Via de enquête zijn twee percepties omtrent het huwelijk bevraagd, meer bepaald (i) ‘het conflict tijdens het huwelijk’ en (ii) ‘de rol- en taakverdeling tijdens het huwelijk’.61xDe onafhankelijke variabelen met betrekking tot het huwelijk zijn finaal de huwelijksduur gemeten in jaren (aangeduid als duur.huwelijk.jaren), het gemiddelde gepercipieerde conflict tijdens het huwelijk door de echtgenoten (ps.conflict.gem) en het verschil in gepercipieerd conflict tijdens het huwelijk tussen de echtgenoten (ps.conflict.ver), de gepercipieerde opoffering door de man (sacrifice.man) en de vrouw (sacrifice.vrouw).

      4.1. Voor het meten van het ‘conflict tijdens het huwelijk’ is gebruik gemaakt van drie items uit de conflicteigenschappen subschaal van de Children’s perception of Interparental Conflict62xJ.H. Grych, M. Seid en F.D. Fincham, “Assessing marital conflict from the child’s perspective: the children’s perception of interparental conflict scale”, Child Development 1992, afl. 63, 558-572. vragenlijst. Elk item representeert een aparte conflictdimensie, zijnde de frequentie van het conflict (‘hoe vaak hebben u en uw ex-partner conflicten gehad voor de echtscheiding?’), de intensiteit van het conflict (‘hoe intens waren deze conflicten voor de echtscheiding?’), en tenslotte de mate van oplossing voor het conflict (‘hoe vaak vonden u en uw ex-partner een oplossing voor deze conflicten?). Elk item is verder gemeten op een 5-punten Likert schaal. De voorhuwelijkse conflictscore is berekend door de scores op het laatste item om te keren, en de verschillende scores op de drie items op te tellen. De geïncorporeerde subschaal vertoont voldoende interne consistentie (Cronbachs alfa = 0.80)63xCronbachs alfa is een maat voor de interne consistentie van items in vragenlijsten. De waarde van α (hoe hoger, hoe beter) is een indicatie van de mate waarin een aantal items in een test hetzelfde concept meten..
      4.2. Voor het meten van de ‘rol- en taakverdeling binnen het huwelijk’ is gebruik gemaakt van de opofferingsvragenlijst (de zgn. self-potential sacrifice questionnaire64xConcept en operationalisering door S. Bracke, K. Schoors en G. Verschelden, “No-Fault Divorce and Rent-Seeking”, 5th Annual Conference on Empirical Legal Studies Paper, 2010.), gecreëerd in het kader van dit onderzoeksproject. Via deze vragenlijst kan een directe maat voor zelfopoffering tijdens het huwelijk worden berekend. Deze maat is gebaseerd op zeven vragen met betrekking tot huishoudelijke taken tijdens het huwelijk.65xDeze zeven vragen zijn: (i) wie bleef het vaakst thuis bij ziekte van één van de kinderen? en (ii) wat was het aandeel van uzelf en uw ex-partner in de volgende huishoudkundige taken gemiddeld in het laatste jaar voor de aanvraag van de echtscheiding? (a) wassen en schoonmaken, (b) voeding en koken, (c) boodschappen, (d) kinderzorg, (e) vrijetijdsbesteding met de kinderen (spelen, verplaatsing voor de kinderen, etc.), (f) diverse huishoudelijke klusjes (onderhoud van de tuin, etc.). Ieder item is gemeten op een 5-punten Likert schaal die varieert van (i) ‘ik deed veel meer dan mijn ex-partner’ tot (v) ‘mijn ex-partner deed veel meer dan ik’. De vragenlijst heeft dus betrekking op vier algemene huishoudelijke taken, en drie taken gerelateerd aan de kinderen. Uiteindelijk is een maat berekend voor ‘de perceptie van een ongelijke distributie van huishoudelijke taken’. Hiertoe worden de itemscores van de zeven taken opgeteld66xDe totale som varieert van 7 tot 35. Er weze opgemerkt dat de koppels zonder kinderen een ‘neutrale’ score drie (gelijkstaand aan ‘we deden elk evenveel’) kregen op de kindgerelateerde variabelen., en genormaliseerd door toepassing van een formule.67xDe volgende formule is toegepast om de opofferingsmaat te bekomen: Opofferingsmaat is gelijk aan het totaal aantal itemscores min 21, gedeeld door 14, en hiervan de absolute waarde. De uiteindelijke score varieert tussen 0 en 1, waarbij een nulscore gelijkstaat aan een perceptie van weinig tot geen opoffering in het huwelijk, en bijgevolg een evenwicht in de rol- en taakverdeling tijdens het huwelijk, en 1 overeenkomt met een perceptie van maximale opoffering tijdens het huwelijk, en bijgevolg een groot onevenwicht in de rol- en taakverdeling. De geïncorporeerde subschaal vertoont voldoende interne consistentie (Cronbachs alfa = 0.87). Een beschrijvende statistiek met betrekking tot de gepercipieerde opoffering tijdens het huwelijk toont een opmerkelijk patroon. De gepercipieerde opoffering binnen het huwelijk door de man en de vrouw vormen (bijna) een spiegelbeeld van elkaar (zie fig. 4). De vrouw percipieert doorgaans veel meer onevenwicht in de taak- en rolverdeling binnen het huwelijk dan de man. Door de differentiatie tussen de geslachten vormt dit een interessante onafhankelijke variabele.

      Histogrammen van de perceptie van opoffering door de echtgenoten (vrouw resp. man) uit de EOT-steekproef
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      5. Scheidingskenmerken. Een hoofdkenmerk met betrekking tot de scheiding is de initiatorstatus, met andere woorden ‘wie wou de echtscheiding het meest?’.68xZie bijv. E.J. Pettit en B.L. Bloom, “Whose decision was it? The effects of initiator status on adjustment to marital disruption”, Journal of Marriage and Family 1984, afl. 46, 587-595 en C. Buehler, “Initiator status and divorce transition”, Family Relations 1987, afl. 36, 82-86. Hiertoe zijn drie categorieën opgesteld: de vrouw, de man of beide.69xTelkens is een onafhankelijke variabele opgesteld die de perceptie van beide echtgenoten weergeeft, zijnde initiator.man.1 (hijzelf), initiator.man.2 (beide), initiator.man.3 (mijn ex-partner). Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de vrouw: initiator.vrouw.1 (zijzelf), initiator.vrouw.2 (beide) en initiator.vrouw.3 (mijn ex-partner).

      3.3.2 De jure inhouden van EOT-overeenkomsten

      Om de logistische regressieanalyses op een binomiaal basisniveau uit te voeren, worden de zes de jure overeenkomstvariabelen70xUiteraard zijn er ook nog andere objectief vaststelbare eigenschappen aangaande de EOT-overeenkomst die resulteren uit de content analysis, maar deze zijn weinig zinvol om in het kader van een contextuele analyse verder te onderzoeken. telkens gedichotomiseerd (zie tabel 1).71xDichotomiseren is een variabele herschikken waarbij er slechts twee categorieën overblijven. Zodoende kunnen de resultaten van de logistische regressie op éénduidige wijze worden geïnterpreteerd.

      1. Verblijfplaats van de echtgenoten tijdens de proeftijd. De codering van de tijdelijke verblijfplaats tijdens de EOT-procedure bestaat oorspronkelijk uit twee klassen: ‘apart’ vs ‘samen’.

      2. Toebedeling van de gezinswoning. Tijdens de codering zijn vijf codes72xDe vijf codeercategorieën zijn: (1) toebedeling aan de man (“Toeb.m”); (2) toebedeling aan de vrouw (“Toeb.v”), (3) voorlopige onverdeeldheid (“Onv”); (4) beslissing tot verkoop (“Verk”); (5) restcategorie (“Anders”). gehanteerd om de regeling met betrekking tot de gezinswoning te categoriseren. De verzameling codeercodes is gedichotomiseerd in ‘toebedeling van de gezinswoning aan een echtgenoot’ (bestaande uit de eerste twee codes) vs ‘andere regeling’ (bestaande uit de resterende codes).73xUit de empirische inhoudsanalyse van de EOT-overeenkomsten blijkt duidelijk dat er weinig objectieve cijfermatige EOT-data voorhanden zijn omtrent de verdeling van de (on)lichamelijke roerende goederen, waardoor een studie van deze activa-passiva transfers tussen (ex-)echtgenoten op basis van de gecodeerde EOT-overeenkomst gegevens niet mogelijk is. Een uitzondering op deze regel betreft evenwel de EOT-afspraken met betrekking tot de echtelijke woning.

      3. Gezagsregeling. In de codering worden, per minderjarig kind dat is vermeld in de EOT-overeenkomst, vier gezagscategorieën74xDe vier codeercategorieën zijn: (1) gezagsco-ouderschap (“G”); (2) genuanceerde gezamenlijke gezagsuitoefening (“G.n”); (3) exclusieve of uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag (“E”); (4) genuanceerde exclusieve gezagsuitoefening (“E.n”). gehanteerd. De vier systemen van uitoefening van ouderlijk gezag per minderjarig kind zijn gehergroepeerd tot twee variabelen: (i) ‘gezagsco-ouderschap’ vs (ii) ‘geen gezagsco-ouderschap’.

      4. Verblijfsregeling. In de codering worden, per kind dat vermeld wordt in de EOT-overeenkomst, drie verblijfscategorieën75xDeze drie codeercategorieën zijn (1) verblijfsco-ouderschap (“Gelijk”), (2) hoofdverblijf bij de moeder (“Hoofd.Mo”) en (3) hoofdverblijf bij de vader (“Hoofd.Va”). gehanteerd. De drie verblijfssystemen per minderjarig kind vermeld in de EOT-overeenkomst zijn gehergroepeerd tot twee variabelen: (i) ‘verblijfsco-ouderschap’ vs (ii) ‘geen verblijfsco-ouderschap’.

      5. Bijdrage in het onderhoud voor de kinderen. De codering van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen bestaat initieel uit twee klassen (i) ‘ja’ vs (ii) ‘neen’. Deze afhankelijke variabele is reeds gedichotomiseerd. De eerste categorie betekent dat er een in geld uitgedrukte bijdrage76xHet in geld gewaardeerde bedrag kan zowel een totaalbedrag zijn (voor alle kinderen), of een specifiek bedrag per kind. in de EOT-overeenkomst is opgenomen, de tweede categorie betekent dat er geen concrete bijdrage in de EOT-overeenkomst is opgenomen.

      6. Uitkering tussen (ex-)echtgenoten. De codering van de uitkering tussen (ex-)echtgenoten bestaat initieel uit twee klassen (i) ‘ja’ vs (ii) ‘neen’. Zodoende is deze afhankelijke variabele initieel gedichotomiseerd. De eerste categorie betekent dat er een partneralimentatie in de EOT-overeenkomst is opgenomen, de tweede categorie betekent dat er geen partneralimentatie in de EOT-overeenkomst is opgenomen.

      1 Beschrijvende statistieken van de afhankelijke variabelen
      Afhankelijke variabeleCategorie JaCategorie Neen
      Toebedeling van gezinswoning n=460 63% n=265 37%
      Aparte tijdelijke verblijfplaats n=935 91% n=97 9%
      Gezagsco-ouderschap n=546 95% n=29 5%
      Verblijfsco-ouderschap n=293 51% n=282 49%
      Concrecte onderhoudsbijdrage n=312 54% n=263 46%
      Uitkering tussen ex-echtgenoten n=79 8% n=953 92%

      3.3.3 Kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst

      Binnen het onderzoek zijn de theoretische kenmerken uit het literatuuronderzoek m.b.t. overeenkomstkwaliteit vertaald naar een subschaal met vier items om de perceptie van de kwaliteit van de echtscheidingsregelingen, in casu de kwaliteitsbeleving van EOT-overeenkomst (in het Engels: Quality of Agreement, of afgekort ‘QoA’77xZie infra figuren 10 t.e.m. 14.) te meten. De volgende percepties zijn bevraagd in de enquête: (i) eerlijkheid of billijkheid78xIn dezelfde zin: J. Dworkin en W. London, “What is a fair agreement?”, Conflict Resolution Quarterly 1989, afl. 7, 3-13. Over ‘perceived fairness’ als aparte maat: bijv. I.-F. Lin, “Perceived fairness and compliance with child support obligations”, Journal of Marriage and the Family 2000, afl. 62, 388-398. (i.e. de schriftelijke akkoorden zijn fair en bevoordelen niet één van de partijen79xUit recent socio-juridisch onderzoek blijkt dat de verdeling van de inboedel specifiek in geval van een EOT als billijk (‘eerlijk verdeeld’) wordt gepercipieerd door de partijen. D. Mortelmans en I. Pasteels (eds.), Scheiding in Vlaanderen, Antwerpen, SiV, 2011, 97.), (ii) duidelijkheid (i.e. er is weinig discussie mogelijk omtrent de schriftelijke akkoorden), (iii) op maat gemaakt (i.e. de schriftelijke akkoorden zijn aangepast aan de specifieke concrete situatie, het zijn geen standaardregelingen). 80xDeze maat is ontwikkeld door het IPOS team o.l.v. hoofdpromotor prof. dr. A. Buysse. Daarenboven dient de volledigheid van de afspraken een belangrijk streefdoel te zijn bij de opmaak van een EOT-overeenkomst. Derhalve is een vierde item aan de kwaliteitsbelevingsvragenlijst toegevoegd, zijnde (iv) volledigheid (i.e. over alle mogelijke aspecten zijn er afspraken gemaakt). Alle items zijn gemeten op een 7-punten Likert schaal die varieerde van (1) ‘volledig ontevreden’ tot (7) ‘volledig tevreden’. De kwaliteitsperceptie van de EOT-overeenkomst is berekend door het gemiddelde van de totaalscore op alle vier de items te nemen. De subschaal toont een hoge interne consistentie (Cronbachs alfa = 0.85).

      3.4 Data-analytische strategie

      Om de associaties tussen de onafhankelijke variabelen en de afhankelijke variabele statistisch te kunnen analyseren, zijn de datasets primair geëxploreerd aan de hand van univariate technieken. Daarbij is gekeken naar de distributie van de variabelen aan de hand van frequentietabellen en histogrammen. Mogelijke extreme waarden (zgn. outliers) konden op die manier gemakkelijk worden gedetecteerd. Telkens zijn eerst enkelvoudige (logistische) regressies uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de bivariate associaties tussen iedere onafhankelijke variabele en de afhankelijke variabele.

      De sterk significante indicatoren die naar voor komen in deze enkelvoudige regressieanalyses uit de verschillende categorieën zijn geselecteerd als onafhankelijke variabelen om een exploratief meervoudig regressiemodel op te bouwen. Voor de selectie van predictoren is er gebruik gemaakt van een manuele selectiemethode.81xOver deze selectiemethode, zie bijv. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 272.

      Er dient benadrukt dat het gebrek aan voorafgaand nationaal empirisch onderzoek en theorievorming noopt tot een exploratieve benadering.82xExploratief betekent dat het onderzoek (initieel) niet vanuit toetsbare hypotheses is gevoerd. Mede door het breed verkennende karakter van deze studie is er verder niet voor geopteerd om verschillende meervoudige regressiemodellen met elkaar te vergelijken.83xEen diepgaande statistische verkenning en vergelijking per afhankelijke variabele, mede op basis van onderstaande exploratieve bevindingen, zou het onderwerp kunnen vormen van vervolgonderzoek.

    • 4 Resultaten van de contextuele analyse

    • 4.1 Inleidend

      Teneinde de hiernavolgende resultaten niet nodeloos te bezwaren met technische statistische uitweidingen, ligt de nadruk op een grafische weergave en een toelichting van de bevindingen in bewoordingen die begrijpelijk zijn voor de lezer zonder kennis van statistiek. In de resultatensectie zijn enkele odds (i.e. de kans op een akkoord gedeeld door de kans op geen akkoord, gegeven de onafhankelijke variabele op de X-as) op basis van de meervoudige regressieanalyses visueel weergegeven.

      4.2 Empirisch studie van de ex ante EOT-context

      De objectieve (i.e.de jure) EOT-inhoudscategorieën maken ieder apart de afhankelijke variabele uit van een logistische regressieanalyse (zie 3.2). Hierna volgt een overkoepelende en samenvattend bespreking van de onderzoeksvragen (zie 2.3) die via deze techniek worden geëxploreerd (voor een overzicht, zie fig. 9).

      Wat de gezinskenmerken betreft, heeft het aantal gemeenschappelijke kinderen een statistisch significante invloed op de regeling aangaande de gezinswoning en de beslissing inzake de partneralimentatie. Het statistische effect van dit gezinskenmerk is tegengesteld. Hoe meer minderjarige kinderen er zijn in het gezin (zie fig. 5), hoe groter de kans op toebedeling van de gezinswoning aan één van de echtgenoten en hoe kleiner de kans op het bedingen van partneralimentatie. Het al dan niet hebben van een nieuwe partner op het beginmoment van de EOT-procedure (T1) is geen determinerende factor voor de inhoud van de EOT-overeenkomst.

      Odds toebedeling van de gezinswoning volgens het aantal afstammelingen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      De categorie van onafhankelijke sociaal-economische variabelen lijkt de belangrijkste categorie te zijn om de inhoud van EOT-overeenkomsten te verklaren. Uit de enkelvoudige logistische regressies blijkt vooreerst dat een groot deel van de SES-kenmerken significant gerelateerd is aan bijna alle afhankelijke variabelen, uitgezonderd het verblijf tijdens de proefperiode en de gezagsregeling. Indien er gecontroleerd wordt voor een aantal SES-variabelen tonen de meervoudige regressieanalyses een meer gedifferentieerd beeld. De perceptie van rondkomen tijdens het huwelijk heeft een positief statistisch significant effect op de toebedeling van de woning. De werkgerelateerde variabelen zijn cruciale voorspellers voor de verblijfsregeling. Hoe hoger het gemiddelde werkniveau van de echtgenoten vóór de echtscheiding, hoe waarschijnlijker verblijfsco-ouderschap wordt (fig. 6). Daartegenover staat hoe groter het verschil in het aantal werkuren tussen de echtgenoten, hoe minder kans op verblijfsco-ouderschap. Tenslotte is het inkomensverschil tijdens het huwelijk een belangrijke determinant voor de partneralimentatie: hoe groter het verschil in individueel inkomen, hoe groter de kans op vrijwillige toekenning van partneralimentatie.

      Odds verblijfsco-ouderschap volgens de gemiddelde werkstatus in het (vroegere) gezin
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      Binnen de categorie huwelijkskenmerken zijn huwelijksduur en opoffering tijdens het huwelijk verklarende variabelen voor EOT-inhouden. Het aantal jaren huwelijk heeft net zoals het aantal gemeenschappelijke kinderen, een doorslaggevende invloed op de toebedeling van de woning en het bedingen van een uitkering tussen de gewezen echtgenoten. Analoog met de hoger vermelde numerieke afstammelingsvariabele is de invloed tegenovergesteld: hoe langer het huwelijk duurt, hoe kleiner de kans op een toebedeling van de gezinswoning aan één van de echtgenoten maar hoe groter de kans op partneralimentatie (fig. 7).

      Odds partneralimentatie volgens het aantal jaren huwelijk
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      De opofferingsvariabele blijkt een belangrijke beïnvloedende factor te zijn bij het bedingen van kindgerelateerde regelingen als de onderhoudsbijdrage en het verblijf. Dit geldt evenwel enkel voor de perceptie van het evenwicht tijdens het huwelijk door de vrouw. De invloed van deze verklarende variabele is verschillend naargelang de EOT-inhoud. Indien de taakverdeling tijdens het huwelijk door de vrouw als sterk onevenwichtig wordt beschouwd, heeft dit een negatief effect op het bedingen van verblijfsco-ouderschap en een positief effect op het bedingen van een concrete onderhoudsbijdrage (fig. 8). De perceptie van het conflict tijdens het huwelijk, die een voorspellende variabele vormt in het verklarende onderzoek met betrekking tot de trajectkeuze, heeft geen impact op de inhoud van de EOT-beslissingen.

      Odds concrete onderhoudsbijdrage volgens de opofferingsperceptie van de vrouw
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      Tenslotte is er de initiatorstatus als scheidingskenmerk. Deze onafhankelijke variabele heeft een duidelijk statistisch significant effect op het bedingen van een alimentatie tussen de gewezen echtgenoten. Zowel de initiatorperceptie van de man als de vrouw wijzen eenduidig in dezelfde richting. Indien gepercipieerd wordt dat de man de echtscheiding heeft geïnitieerd, dan is partneralimentatie meer waarschijnlijk dan wanneer bijvoorbeeld de vrouw of beide echtgenoten dit zouden hebben gedaan. Alles bij elkaar genomen blijft de kans op een partneralimentatie zeer klein.

      Overzicht van significante indicatoren voor EOT-inhoudenEen volle lijn betekent een positief significant effect, een gestreepte pijl duidt op een negatief significant effect, terwijl een stippellijn een positieve trend aangeeft. Twee onderzochte ex ante kenmerken (m.n. nieuwe partner op T1 en pecerptie van conflict tijdens het huwelijk) hebben geen statistisch significante invloed op de EOT-inhouden.
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      4.3 Empirisch studie van de ex post EOT-context

      Om de korte termijn effecten nader te onderzoeken, is een bevraging van de kwaliteitsbeleving van de EOT-regelingen zinvol (zie 3.3.3). Een langere tijdspanne van onderzoek is echter nodig om tot zinvolle en representatieve uitspraken te komen omtrent het nalevings- en relitigatievraagstuk.84xZie referentie in vn. 28.

      Gemiddeld gezien wordt de EOT-overeenkomst initieel (vóór de start van de EOT-procedure) als hoogkwalitatief beschouwd (zie fig. 10 op tijdstip 0). Aangezien één beoordelingsmoment per definitie een statisch beeld van de kwaliteitsbeleving oplevert, is een semi-longitudinale meting uitgevoerd over een periode van drie jaar op vier verschillende tijdstippen (T1 t.e.m. T4). Op deze manier kon de evolutie van de kwaliteitsbeleving doorheen de tijd worden geschetst. Voor de volledige EOT-steekproef evolueert de kwaliteitsbeleving in een duidelijke algemeen dalende trend (fig. 10). Dit impliceert dat de gemiddelde EOT-respondent zijn of haar EOT-overeenkomst als significant minder kwalitatief beschouwt na een periode van drie jaar.

      Gemiddelde evolutie van de kwaliteitsbeleving (Qoa) van de EOT-overeenkomsten in de EOT-steekproef over een periode van drie jaar
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      Aan de hand van een longitudinale regressieanalyse zijn de effecten van de ex ante contextkenmerken en de EOT-inhouden op de kwaliteitsbeleving in kaart gebracht. Een meer gedifferentieerde beschrijving van de kwaliteitsbeleving is het resultaat. Enkele aan de EOT voorafgaande contextkenmerken vormen statistisch significante indicatoren voor het initiële verschil in kwaliteitsbeleving op tijdstip 1 (T1). Dit geldt in het bijzonder voor (i) geslacht (i.e. de man percipieert de EOT-overeenkomst als meer kwalitatief dan de vrouw), (ii) inkomen (i.e. de respondent met een individueel inkomen hoger dan het gemiddelde percipieert de EOT-overeenkomst als meer kwalitatief dan de respondent met een individueel inkomen lager dan het gemiddelde), (iii) rondkomen (i.e. de respondent met een waargenomen familiaal inkomen hoger dan het gemiddelde percipieert de EOT-overeenkomst als meer kwalitatief dan de respondent met een waargenomen familiaal inkomen lager dan het gemiddelde) (zie bijv. fig. 12), (iv) conflictniveau (i.e. de respondent uit een hoogconflictgezin percipieert zijn EOT-overeenkomst als minder kwalitatief dan een respondent uit een laagconflictgezin) en (v) opofferingsniveau (i.e. de respondent uit een onevenwichtig gezin percipieert zijn EOT-overeenkomst als minder kwalitatief dan een respondent uit een evenwichtig gezin).

      Gemiddelde evolutie van de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst (Qoa) volgens rondkomen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      Bij sommige van deze contexteigenschappen voorafgaand aan de EOT blijft het oorspronkelijke verschil behouden over de volledige drie jaar van de meting. Dit is onmiskenbaar van toepassing voor (i) het geslacht, (ii) het gepercipieerde conflictniveau tijdens het huwelijk (zie bijv. fig. 13) en (iii) het gepercipieerde evenwichtsniveau in de rol- en taakverdeling gedurende het huwelijk. Dit betekent dat zelfs na drie jaar deze drie ex ante kenmerken nog een statistisch significante determinant vormen voor het verschil in kwaliteitsbeleving.

      Kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst (Qoa) volgens laag- vs hoogconflictgezin tijdens het huwelijk
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      Een derde groep van indicatoren heeft geen of een klein statistisch significant effect op de kwaliteitsbeleving bij de start van de EOT-procedure. Naarmate de tijd vordert, worden de verschillen op basis van deze voorspellers groter. Dit geldt zowel voor het ex ante kenmerk initiatorstatus als voor de EOT-inhoud verblijfsco-ouderschap. Initieel zijn er geen uitgesproken significante verschillen. Maar na verloop van tijd beleven de echtgenoten die in hun perceptie de echtscheiding allebei hebben gewild, of diegenen die een verblijfsco-ouderschap zijn overeengekomen, hun EOT-overeenkomst als significant meer kwalitatief dan hun antoniemen (zie bijv. fig. 14).

      Kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst (Qoa) door respondenten die een verblijfsco-ouderschap vs geen verblijfsco-ouderschap overeenkomen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/fenr_FENR-D-12-00002_8_2012

      4.4 Discussie

      Omtrent de contextuele voorspellers van echtscheidingsregelingen is reeds heel wat buitenlands sociaalwetenschappelijk onderzoek verricht. Voor een nationale (regionale) empirisch-juridische studie heeft een vergelijking met de resultaten uit andere andere landen (en dan voornamelijk de bevindingen uit Angelsaksische studies) echter weinig zin indien de (vaak grote) verschillen in de rechtssystemen niet in rekening worden gebracht. Nationaal of regionaal onderzoek naar kenmerkende sociojuridische indicatoren voor de inhoud van EOT-overeenkomsten ontbreekt echter volledig. De invloed van de indicatoren kan theoretisch niet worden afgeleid uit een internationaal literatuuronderzoek maar moet empirisch worden vastgesteld op basis van een eigen nationale of zelfs regionale representatieve steekproef.85xIn dezelfde zin: J.D. Teachman, “Socioeconomic resources of parents and award of child support in the United States: some exploratory models”, Journal of Marriage and Family 1990, afl. 52, 690.

      Door het gebrek aan empirische theorievorming over echtscheidingsovereenkomsten in België is het opstellen van toetsbare hypothesen quasi onmogelijk. Bijgevolg noopt deze studie initieel tot een exploratieve benadering van het onderzoeksobject. Hoewel de ex ante context in deze empirisch-juridische studie werd bestudeerd, schuilt er eveneens een beperking in de onderzoekstermijn. Rekening houdend met de duur van het project en de tijd nodig voor rapportering van de resultaten was de longitudinale analyse beperkt tot drie jaar (36 maanden). Een systematisch onderzoek betreffende relitigatie na EOT lag bijgevolg buiten het bestek van deze studie.

      De in het raam van dit empirisch-juridisch onderzoek uitgevoerde contextstudies leiden tot de vaststelling dat ex ante factoren statistisch significante indicatoren vormen voor zowel de inhoud van de EOT-overeenkomsten als de beleving van de kwaliteit van die overeenkomsten. Bepaalde indicatoren hebben een exclusieve determinerende werking. Enerzijds zijn de mate van conflict tijdens het huwelijk en het hebben van een nieuwe partner bij de start van de EOT-procedure allebei beïnvloedende factoren voor de kwaliteitsperceptie maar niet voor de inhoud van de EOT-overeenkomst. Anderzijds hebben het aantal kinderen en de duur van het huwelijk een significant effect op de inhoud van de EOT-overeenkomst (zowel op de toebedeling van de gezinswoning als op de partneralimentatie) maar niet op de kwaliteitsperceptie. Daarenboven is in dit empirisch ex post onderzoek duidelijk aangetoond dat de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst als uitkomstmaat een valabel en zelfs superieur alternatief vormt voor de gangbare tevredenheidsmetingen van de (echt)scheidingsregelingen.86xTot op heden is ‘tevredenheid met de echtscheidingsregeling’ de preferentiële uitkomstmaat in vergelijkende effectiviteitsudies. Voor een uitgebreide methodologische kritiek op de bestaande uitkomstmaten: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 403, nr. 704.

      Naast het uitsluitend beïnvloedend effect van sommige onafhankelijke ex ante variabelen op de inhoud of de kwaliteitswaarneming van de EOT-overeenkomst hebben andere onafhankelijke variabelen een statistisch significante invloed op beide elementen van de EOT-overeenkomst. De perceptie rond opoffering, meer bepaald de waarneming van een onevenwichtige rol- en taakverdeling tijdens het huwelijk door de vrouw, vergroot de kans op een ongelijkmatig verdeeld verblijf alsook een concrete onderhoudsbijdrage voor de kinderen in geld uitgedrukt. Dezelfde perceptie van onevenwicht is geassocieerd met een negatieve kwaliteitsbeleving van de EOT-afspraken. In het bijzonder worden de verblijfsakkoorden met een ongelijkmatig verdeeld verblijf doorheen de periode van drie jaar als duidelijk minder kwalitatief gepercipieerd dan die met een gelijkmatig verdeeld verblijf. Hoewel de akkoorden met een concrete onderhoudsbijdrage ook na drie jaar als minder kwalitatief worden beschouwd dan de akkoorden zonder concrete onderhoudsbijdrage, is het verschil in kwaliteitsperceptie en -daling met betrekking tot deze EOT-afspraken na drie jaar niet statistisch significant. De contextuele empirische studie toont duidelijk aan dat een negatieve kwaliteitsperceptie niet zozeer bepaald wordt door de inhoud van de EOT-beslissing an sich, maar door de continue invloed van de ex ante opofferingsfactor.

      Uiteraard is dit onderzoek slechts een aanzet tot meer diepgaande analyses met betrekking tot deze belangrijke akkoorden. In bovenstaande analyse is gewerkt met gedichotomiseerde afhankelijke variabelen omwille van de eenduidigheid binnen de exploratieve benadering.87xTevens zijn er statistische overwegingen inzake de ‘power’ (of het onderscheidend vermogen) van de statistische toets die bijdragen tot deze beslissing. Zo kan de opsplitsing van bepaalde afhankelijke variabelen tot meer gedetailleerde empirische inzichten leiden in de determinatie van bepaalde EOT-inhouden, zoals bij de regeling van de gezinswoning (toebedeling aan de man of de vrouw, verkoop of onverdeeldheid), de verblijfsregeling (ongelijkmatig verdeeld verblijf met hoofdverblijf bij de moeder of de vader), etc. In dergelijk vervolgonderzoek kunnen de voorspellende variabelen per EOT-beslissing verder worden uitgediept. Een tweede soort vervolgonderzoek kan bestaan in een vergelijking tussen objectief vastgelegde (de jure) regelingen in de EOT-overeenkomst en de subjectief gerapporteerde (de facto) regelingen in de enquête. Geen enkele onafhankelijke variabele uit deze empirische ex ante studie heeft een voorspellende waarde voor het verblijf van de echtgenoten tijdens de proefperiode. Dit betekent dat andere – niet onderzochte – determinerende factoren zullen meespelen in deze keuze, die in vervolgonderzoek verder kunnen worden geëxploreerd.

    • 3 Onderzoeksmethode

    • 4 Resultaten van de contextuele analyse

    • 5 Implicaties voor de EOT-praktijk

      Bovenstaand exploratief determinantenonderzoek brengt belangrijke empirische inzichten in de context van beslissingen die (ex-)echtgenoten finaal nemen in het kader van hun EOT-overeenkomst. In deze studie worden micro-data gebruikt die een licht werpen op de determinanten en effecten van specifieke EOT-afspraken. Inzicht in de beïnvloedende factoren voor de inhoud van de EOT-overeenkomst is niet alleen van cruciaal belang zowel voor het verdere empirisch-juridisch onderzoek als voor de theorievorming rond de EOT-overeenkomst. Tevens kunnen de resultaten als achtergrondkennis fungeren voor de scheidingsprofessional die partijen bijstaat in de EOT-onderhandelingen en de redactie van de EOT-overeenkomst. De professioneel dient bijvoorbeeld bijzondere aandacht te hebben voor de situatie waar de socio-economische gezinsvariabelen wijzen op een minimaal verschil in werkstatus en persoonlijk inkomen.

      Op basis van de resultaten van de contextuele analyses kan worden besloten dat het niet zozeer de inhoudelijke EOT-beslissingen (bijv. al dan niet gelijkmatig verdeeld verblijf) zijn, maar eerder factoren uit de ex ante context (samen met procesomstandigheden zoals de manier van werken van de scheidingsprofessional88xDeze elementen liggen buiten het bereik van deze studie. Zie hierover o.a. R. Baitaret al., “Post-divorce wellbeing in Flanders: facilitative professionals and quality of arrangements matter”, Journal of Family Studies 2012, afl. 18, 69-82.) die een invloed hebben op de kwaliteitsbeleving van de EOT-akkoorden. De scheidingsprofessional dient tijdens de opmaak van de EOT-overeenkomst daarom extra aandacht te hebben voor zogenaamde ex ante risicofactoren, zoals hoog conflict en/of een onevenwichtige rol- en taakverdeling tijdens het huwelijk. De contextstudies tonen duidelijk aan dat deze elementen een aanhoudend negatief effect hebben op de kwaliteitswaarneming van de EOT-overeenkomsten.

      De empirische studie van de ex post context toont aan dat de kwaliteit van de echtscheidingsovereenkomsten bij de inleiding van de EOT-procedure – in vergelijking met de regelingen in een traject van echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting – als relatief hoog wordt gepercipieerd. Kort na de eerste verschijning beoordelen partijen gemiddeld hun akkoorden immers als relatief kwalitatief. Deze appreciatie is echter van korte duur aangezien de empirische contextanalyse aantoont dat er enkele maanden later een duidelijke en significante daling van de kwaliteitsperceptie van de EOT-akkoorden optreedt. De algemeen dalende kwaliteitsbeleving is een belangrijke indicatie voor de scheidingsprofessional om extra aandacht te besteden aan de langetermijneffecten van de gemaakte afspraken. De scheidingsprofessionals alsmede de onderhandelende partijen focussen bij het sluiten van een EOT-overeenkomst doorgaans primair op het zo goed als mogelijk oplossen van het momentane echtscheidingsconflict. Hierbij hebben de betrokkenen de neiging om het voortdurende echtscheidingsconflict uit het oog te verliezen of te negeren. Tijdens de EOT-onderhandeling zou de nodige tijd moeten worden genomen om te reflecteren over de mogelijke implicaties van de EOT-regelingen op middellange en lange termijn. Voor de ondersteunende scheidingsprofessional is het van cruciaal belang om de partijen te stimuleren om na te denken over hoe een regeling zou kunnen werken bij veranderende omstandigheden. De vaardigheid van een scheidingsprofessional om mensen te helpen reflecteren over de toekomst is van doorslaggevend belang zodat mensen op termijn hun EOT-regelingen als kwaliteitsvol kunnen blijven ervaren. Reeds bij de start van de EOT-onderhandelingen dient de professional de nadruk te leggen op de grote uitdaging voor gescheiden ouders met gemeenschappelijke kinderen om na de EOT hun co-ouderschap op een duurzame wijze te blijven invullen. Derhalve dient de basisfilosofie bij het redigeren van een EOT-overeenkomst niet alleen momentaan conflictoplossend maar tevens toekomstig conflicthanterend te zijn. Bij de redactie van EOT-afspraken dient bijgevolg de focus op momentane conflictresolutie (i.e. ‘wat kan men bedingen om het echtscheidingsconflict op dit ogenblik op te lossen?’) te worden verbreed naar toekomstgerichte conflictbeheersing (i.e. ‘hoe kunnen de partijen via de EOT-overeenkomst worden voorbereid om met het voortdurend post-echtscheidingsconflict te leren omgaan?’).

    • Bijlage: toelichting omtrent de data-analyse
    • 1 Regressieanalyse

      Regressieanalyse is een data-analytische methode voor het onderzoeken van significante verbanden of samenhang tussen verschillende variabelen.89xVoor een inleidend hoofdstuk over regressieanalyse, zie o.a. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 197-263. Bij samenhang tussen twee variabelen – een afhankelijke90xDe afhankelijke variabele (outcome variable) is de variabele die de onderzoeker tracht te verklaren of te voorspellen. en onafhankelijke variabele91xDe onderzoeker gaat er van uit dat de gemeten variabele afhankelijk is van (of veroorzaakt wordt door) één of meerdere onafhankelijke variabelen. – spreekt men van een enkelvoudige of univariate regressieanalyse. Een meervoudige of multivariate regressie is een lineair model tussen één afhankelijke en meerdere onafhankelijke variabelen. Met behulp van deze techniek wordt in casu de ex post context onderzocht. Er zal worden nagegaan of de waarde van de (afhankelijke) variabele, in casu de kwaliteitsbeleving van de EOT-overeenkomst, al dan niet significant beïnvloed wordt door één of meerdere onafhankelijke voorspellende variabelen, in casu zijn dat de ex ante contextvariabelen alsmede de objectieve inhoudscategorieën (zie 4.3).

    • 2 Logistische regressieanalyse

      Logistische regressie is een statistische techniek die specifiek geschikt is om een categorische afhankelijke variabele92xCategorische variabelen – ook wel kwalitatieve of klassevariabelen genoemd – nemen als waarden geen getallen maar kenmerken of categorieën aan. te analyseren.93xVoor een inleidend hoofdstuk over logistische regressieanalyse, zie o.a. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 264-315. In de ex ante studie met betrekking tot de indicatoren of determinanten van de verschillende inhouden van de EOT-overeenkomsten is deze techniek verder gebruikt. In casu zijn alle EOT-inhouden categorisch van aard, ze kunnen met andere woorden worden ingedeeld in verschillende inhoudscategorieën (bijv. inzake de EOT-verblijfsregelingen kunnen twee hoofdcategorieën worden onderscheiden: gelijkmatig versus ongelijkmatig verdeeld verblijf). In geval het effect van één onafhankelijk ex ante kenmerk op de EOT-inhoud wordt nagaan, is er sprake van een enkelvoudige logistische regressie. Wanneer de invloed van meerdere onafhankelijke variabelen tegelijkertijd op de EOT-inhoud wordt geanalyseerd, is een meervoudige logistische regressie van toepassing. Indien de afhankelijke variabele twee categorieën bevat, dan spreekt men van een binaire logistische regressie. Als de afhankelijke variabele meer dan twee categorieën telt, dan wordt een multinomiale logistische regressie gehanteerd. Onderstaande exploratieve ex ante contextanalyse is beperkt tot binaire logistische regressies. De onafhankelijke variabelen kunnen bij toepassing van deze methode zowel categorisch als continu van aard zijn.

    • 3 Koppeling en imputatie van datasets

      Ten behoeve van de logistische regressie is de enquêtedataset, primair samengesteld op individueel respondentenniveau, geconverteerd naar gezinsniveau. Dit betekent dat een entry van de datamatrix niet langer meer de gegevens van een individu (man of vrouw), maar de waarden per (ex-)gezin bevat. Op die manier is het mogelijk om de gegevens uit de codering op het niveau van de EOT-overeenkomst, dus in principe op gezinsniveau, te koppelen aan de individuele respondentendata uit de enquête. Om de verschillende regressieanalyses uit te voeren, is het nodig om de overkoepelende dataset op gezinsniveau verder op te delen in aparte ‘geselecteerde’ datasets. Deze (deel)datasets bevatten na conversie op gezinsniveau een aanzienlijk deel ontbrekende, voornamelijk subjectieve data (de zgn. missing values). De techniek van meervoudige imputatie94xEr zijn verschillende soorten imputatietechnieken. In deze studie is de regressieimputatiemethode gebruikt, waarbij de ontbrekende waarden in de dataset(s) worden voorspeld aan de hand van een regressiemodel. (beter gekend onder zijn Engelstalige benaming multiple imputation95xHet multiple imputation proces is meerdere keren herhaald, meer bepaald zijn per (deel)dataset tien (m = 10) geïmputeerde datasets aangemaakt. De gegevens van iedere geïmputeerde dataset, die onderling van elkaar kunnen verschillen, worden gecombineerd tot één geheel om een algemene analyse mogelijk te maken.) is gebruikt om de ontbrekende gegevens in alle datasets te schatten.96xDe volledige dataset met alle cellen ingevuld, wordt de ‘geïmputeerde dataset’ genoemd. De bedoeling van deze techniek is om de variabiliteit uit de oorspronkelijke dataset zo goed mogelijk te behouden. Elke variabele wordt hierbij geïmputeerd op basis van de andere variabelen in de dataset. Bij deze techniek worden de lege velden in de datamatrix opgevuld met aannemelijke waarden om zodoende een volledige dataset97xEen eerste (deel)dataset bestaat uit de (vroegere) gezinnen met een gezinswoning. Deze dataset is gebruikt voor de logistische regressie met betrekking tot de toebedeling van de gezinswoning. Een tweede (deel)dataset bestaat uit de (vroegere) gezinnen met gemeenschappelijke kinderen, en is gebruikt voor de analyses met betrekking tot EOT-regelingen aangaande de kinderen. te bekomen die dan verder kan geanalyseerd worden met behulp van een statistische techniek. De geschatte waarden, of met andere woorden, ‘de geïmputeerde data’ komen in de plaats van de ontbrekende gegevens.

    Noten

    • 1 De studie kadert binnen een grootschalig Vlaams scheidingsonderzoek, met name het ‘Interdisciplinair Project voor de Optimalisatie van Scheidingstrajecten’ (IPOS). Over het IPOS-onderzoek in het algemeen: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 67-72.

    • 2 Zie uitgebreider over dit onderscheid o.m. G. Verschelden, Handboek Belgisch Familierecht, Brugge, die Keure, 2010, 673 e.v.

    • 3 In 2010 bedroeg het EOT-aandeel (14.948) iets meer dan de helft van het totaal aantal uitgesproken echtscheidingen in België (28.071). Voor meer statistieken: R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 49-53.

    • 4 In Nederland wordt de term ‘echtscheidingsconvenanten’ voor deze overeenkomsten gehanteerd.

    • 5 W. Pintens, Echtscheiding door onderlinge toestemming, Antwerpen, Kluwer, 1982, 183, nr. 292.

    • 6 Deze laatste overeenkomst vertoont gelijkenissen met het verplichte ouderschapsplan in Nederland. Omtrent het ouderschapsplan, zie o.a. M.V. Antokolskaia en L.M. Coenraad (ed.), Het nieuwe scheidingsrecht. Ouderschapsplan, positie van het kind, regierechter en collaborative divorce, Den Haag, Boom Juridische Uitgevers, 2010, 130 p. Een rechtsvergelijkend onderzoek m.b.t. de familierechtelijke overeenkomst en het ouderschapsplan ligt buiten het bestek van deze studie.

    • 7 Zie o.a. P. Raeymaeckers, L. Snoeckx en D. Mortelmans, “Marriage and divorce in Belgium: The influence of professional, educational and financial resources on the risk for marriage dissolution”, Journal of Divorce and Remarriage 2006, afl. 46, 151-174.

    • 8 Bijv. L. Snoeckx, P. Raeymaeckers en D. Mortelmans, “Relationele kenmerken en echtscheiding in België. Een analyse op basis van de Panel Studie van Belgische Huishoudens”, Tijdschrift voor Sociologie 2006, afl. 27, 157-177.

    • 9 Voor een overzicht van het internationaal determinantenonderzoek: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 369-375, nr. 645 et seq.

    • 10 Omtrent de mogelijkheid van Belgische regionale verschillen in risicofactoren, zie D. Mortelmans, L. Snoeckx en J. Dronkers, “ Cross-regional divorce risks in Belgium: Culture or legislative system?”, Journal of Divorce and Remarriage 2009, afl. 50, 541–563.

    • 11 Dergelijk rechtsvergelijkend onderzoek behoort niet tot de opzet van deze studie. Omtrent het probleem van de generaliseerbaarheid van het sociaalwetenschappelijk onderzoek binnen het familierecht, zie M. Brinig, “Empirical work in family law”, University of Illinois Law Review 2002, 1083-1110.

    • 12 Zoals bijv. in Groot-Brittannië: F. Wasoff, “Mutual consent: separation agreements and the outcomes of private ordering in divorce”, Journal of Social Welfare and Family Law 2005, afl. 27, 237-250 en in de Verenigde Staten van Amerika: M. Brinig, “Unhappy contracts: the case of divorce settlements”, Review of Law & Economics 2005, afl. 2, 241-275.

    • 13 Een bespreking van de bevindingen uit dit impactonderzoek ligt buiten dit bestek. Voor een literatuuroverzicht inzake de effecten van een (echt)scheiding op het verdere leven van de betrokken gezinsleden, zie o.a. C. Van Peer (ed.), De impact van een (echt)scheiding op kinderen en ex-partners, Brussel, Studiedienst van de Vlaamse Regering, 2007, 226 p. te raadplegen op www4.vlaanderen.be/dar/svr/publicaties/Publicaties/svr-studies/2007-03-impact-echtscheiding-web.pdf .

    • 14 Met ‘echtscheidingsproces’ wordt niet de strikt juridische term maar eerder de socio-psychologische betekenis van het begrip bedoeld.

    • 15 In dezelfde zin: A. Buysse en M. Renders, “De impact van scheiding op kinderen: knelpunten gekoppeld aan de nieuwe wetgeving”, Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten 2007, afl. 3, 147.

    • 16 Bijv. J.B. Kelly, “Mediated and adversarial divorce resolution processes: a comparison of post-divorce outcomes”, Family Law 1991, afl. 21, 384-385, M. Marcus, W. Marcus, N.A. Stilwell en N. Doherty, “To mediate or not to mediate: financial outcomes in mediated versus adversarial divorces”, Mediation Quarterly 1999, afl. 17, 143-152, R.E. Emery, L. Laumann-Billings, M.C. Waldron, D.A. Sbarra en P. Dillon, “Child custody mediation and litigation: Custody, contact, and coparenting 12 years after initial dispute resolution”, Journal of Consulting and Clinical Psychology 2001, 323-332.

    • 17 Voor een overzicht van verschillende uitkomstmaten, zie bijv. J.B. Kelly, “Family mediation research: empirical support for the field”, Conflict Resolution Quarterly 2004, afl. 22, 3-35.

    • 18 Bijv. een studie waar enkel de mate van overeenkomst als outcome maat wordt gebruikt: R.H. Ballard, A. Holtzworth-Munroe, A.G. Applegate en B. D’Onofrio, “Factors affecting the outcome of divorce and paternity mediations”, Family Court Review 2011, afl. 49, 16-33.

    • 19 Bijv. met betrekking tot de tevredenheid over de echtscheidingsregelingen: R.E. Emery, S.G. Matthews en K.M. Kitzmann, “Child custody mediation and litigation: Parents’ satisfaction and functioning one year after settlement”, Journal of Consulting and Clinical Psychology 1994, afl. 62, 124-129, V.L. Sheets en S.L. Braver, “Gender differences in satisfaction with divorce settlements”, Family Relations 1996, afl. 45, 336-342. Bijv. met betrekking tot de naleving van de echtscheidingsregelingen: H.E. Peters, L.M. Argys, E.E. Maccoby en R.H. Mnookin, “Enforcing divorce settlements: evidence from child support compliance and award modifications”, Demography 1993, afl. 30, 719-735; D.R. Meyer en J. Bartfeld, “Compliance with child support orders in divorce cases”, Journal of Marriage and Family 1996, afl. 58, 201-212.

    • 20 Voor een overzicht van impactstudies, zie D. Mortelmans,I. Pasteels, P. Bracke, K. Matthijs, J. Van Bavel en C. Van Peer (eds.), Scheiding in Vlaanderen, Leuven, Acco, 2011, 336 p.

    • 21 De benaming ‘contextuele analyse’ wordt tevens gebruikt voor een specifieke statistische techniek, de voorloper van de meerniveau analyse binnen het sociologisch onderzoek, zie o.a. G.R. Iversen, Contextual analysis, Newbury Park, Sage, 1991, 84 p.

    • 22 Cf. “Combined contextual analysis of relations and transactions is more efficient and produces a more complete (and sure final analytical) product than does commencing with non-contextual analysis of transactions” in I. Macneil, “Relational contract theory: Challenges and queries”, Northwestern University Law Review 2000, afl. 94, 881.

    • 23 Voor een empirisch onderzoek in VS context, zie D.W. Allen en M. Brinig, “Do Joint Parenting Laws Make Any Difference?”, Journal of Empirical Legal Studies 2011, 304-324.

    • 24 De componenten van het model zijn toegespitst op het empirisch onderzoek van echtscheidingsovereenkomsten. Dit determinantenmodel is gebaseerd op een algemeen IPOS-model (zie vn. 2), wat op zijn beurt gestoeld is op een logisch model van levenskwaliteit (een zgn. logic model of quality of life). Voor het oorspronkelijk model, zie bijv. R. Schalock, “The concept of quality of life: what we know and do not know”, Journal of Intellectual Disability Research 2004, afl. 48, 205.

    • 25 Betreffende dit onderhandelingsonderzoek, zie o.a. R. Mnookin en L. Kornhauser, “Bargaining in the shadow of the law”, Yale Law Journal 1978-79 afl. 88, 950-997; M.S. Melli, H.S. Erlanger en E. Chambliss, “The process of negotiation: an exploratory investigation in the context of no-fault divorce”, Rutgers Law Review 1987, 1133-1172; H. Jacob, “The elusive shadow of the law”, Law and Society Review 1992, 565-588; A.M. Hochberg en K. Kressel, “Determinants of succesful and unsuccesful divorce negotiations”, Journal of Divorce and Remarriage 1996, 1-21 en T. Wilkinson-Ryan en D. Small, “Negotiating divorce: gender and the behavioral economics of divorce bargaining”, Law and Inequality 2008, 109-132.

    • 26 Zie referentie in vn. 10.

    • 27 Voor een empirisch onderzoeksvoorstel inzake relitigatie na EOT, zie G. Verschelden, “Relitigatie na echtscheiding door onderlinge toestemming” in G. Verschelden (ed.), Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, 82-85, nr. 53-54.

    • 28 Over het probleem van kwaliteitsmeting in een bredere context van conflictoplossing: M. Galanter, “The quality of settlements”, Journal of Dispute Resolution 1988, 55-84 en T. Tyler, “The quality of dispute resolution procedures and outcomes: measurement, problems and possibilities”, Denver University Law Review 1988-89, 419-436.

    • 29 Zie in dit verband over indicatoren voor een continuüm van hoogkwalitatieve onderlinge overeenstemming (high-quality consent): J. Lande, “How will lawyering and mediation practices transform each other”, Florida State University Law Review 1996-1997, afl. 24, 868-878.

    • 30 K. Krippendorff, Content analysis: an introduction to its methodology, Thousand Oaks, Sage, 2004, 22.

    • 31 Daartegenover staat dat de formele tekstkwaliteit wel via linguïstische studies kan worden geanalyseerd.

    • 32 Zie de klassieke studie van D.T. Saposnek, Mediating child custody disputes, San Francisco, Jossey-Bass, 1983, 102. Zie eveneens: C.W. Moore, The mediation process: practical strategies for resolving conflict, San Francisco, Jossey-Bass, 2003, 312.

    • 33The balance of concessions refers to the equity of the exchanges made by the parties”. Ibid.

    • 34Clarity of the clauses refers to writing that precludes the possibility of diverse interpretations en misinterpretations”. Ibid.

    • 35Degree of detail in the clauses refers to the specificity of the agreement”. Ibid.

    • 36 Er weze opgemerkt dat het laatste kenmerk ‘positieve intentieverklaring’ niet is omgezet in een perceptie-item.

    • 37 Voor de totstandkoming van deze representatieve steekproef, zie infra 3.1.

    • 38 Voor een uitgebreide empirische inhoudsanalyse van de EOT-overenkomsten: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 117-356.

    • 39 Uitgebreid over dit type van inhoudsanalyse: F. Wester en M. van Selm, “Inhoudsanalyse als systematisch kwantificerende werkwijze” in F. Wester, K. Renckstorf en P. Scheepers (eds.), Onderzoekstypen in de communicatiewetenschap, Kluwer, Alphen aan den Rijn, 2006, 121-150.

    • 40 Voor een eerdere studie binnen een bredere VS-context: zie D. Shetstowsky en J. Brett, “Disputants’ perceptions of dispute resolution procedures: an ex ante and ex post longitudinal empirical study”, Connecticut Law Review 2008, afl. 41, 63-107.

    • 41 De regeling aangaande de gezinswoning kon via de systematisch-kwantificerende inhoudsanalyse als enig objectief categoriseerbaar de jure element uit de overeenkomst ex art. 1287 Ger.W. geselecteerd.

    • 42 De rechtbanken in Antwerpen, Gent, Mechelen en Kortrijk vormen het steekproefkader van de studie. Over de algemene IPOS-onderzoeksopzet: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 67-72.

    • 43 In het referentiejaar 2007 waarop het steekproefkader is gebaseerd, zijn er in totaal 11.314 echtscheidingen onderlinge toestemming uitgesproken in Vlaanderen. In de geselecteerde rechtbanken zijn er 5.450 echtscheidingen door onderlinge toestemming uitgesproken in het referentiejaar 2007. De vier rechtbanken hebben dus samen een potentieel van bijna 50 procent van alle EOT’s.

    • 44 In geval van EOT zijn de participanten bij de eerste verschijning gevat.

    • 45 Omtrent de details inzake de rekrutering voor de IPOS-enquête: A. Buysse en L. Daniëls, “Onderzoek naar meer levenskwaliteit tijdens scheiding: IPOS project”, Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Mediation en Conflictmanagement 2009, afl. 3, 70-71.

    • 46 De enquête bestaat uit viermeetmomenten (aangeduid met de afkortingen T1 t.e.m. T4). Via een uitgekiend deelname-registratiesysteem is het mogelijk om in elke fase van het onderzoek de respons en de uitval van de steekproef te beschrijven.

    • 47 Deze werkwijze is goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (afgekort: CBPL). Zie het online openbaar register van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer: https://www.privacycommission.be/elg/publicRegister.htm?decArchiveId=45014 .

    • 48 Dit betekent dat 128 EOT-overeenkomsten van IPOS-respondenten niet zijn teruggevonden.

    • 49 De representativiteit van de steekproef wordt aangetoond in R. Hemelsoen en K. Schoors, “Inhoudelijke analyse van overeenkomsten voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming. Een preliminair statistisch portret” in G. Verschelden (ed.), Echtscheiding, Mechelen, Kluwer, 2010, 3-34.

    • 50 De EOT-steekproef bevat dus ongeveer tien procent van alle EOT-overeenkomsten uit de populatie binnen het referentiejaar. De foutenmarge bedraagt voor de volledige steekproef 2,9 procent (op het 95 % betrouwbaarheidsniveau).

    • 51 De methoden worden summier en op een niet-technische manier toegelicht in de bijlage.

    • 52 Operationaliseren is het ‘formuleren’ van een abstract concept uit de theorie zodat het als meetbare grootheid kan worden gedefinieerd. Het is m.a.w. de werkwijze waarbij indicatoren gebruikt worden om begrippen te meten.

    • 53 Voor een overzicht van het internationaal determinantenonderzoek: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 369-375, nr. 645 et seq.

    • 54 Daarnaast is de nationaliteit van de echtgenoten genoteerd. Gezien het zeer kleine aantal niet-Belgen is deze variabele niet opgenomen in de analyse.

    • 55 Uiteraard is het mogelijk dat ook het vroegere gezin al een nieuw samengesteld gezin was. Aangezien de focus van deze studie ligt op de EOT-regelingen – waarin enkel een regeling dient te worden opgenomen met betrekking tot de gemeenschappelijke kinderen – is de gezinssamenstelling objectief geregistreerd aan de hand van de EOT-overeenkomst.

    • 56 Dit is net na de eerste verschijning voor de EOT-rechter. De onafhankelijke variabelen met betrekking tot het al dan niet hebben van een nieuwe partner, zijn: geen van de echtgenoten hebben een nieuwe partner (nieuwe.partner.0), een nieuwe partner voor één van de echtgenoten (nieuwe.partner.1) of een nieuwe partner voor beide (nieuwe partner.2).

    • 57 De variabele opleiding is onderverdeeld in 5 categorieën: (1) geen diploma en (buitengewoon) lager onderwijs, (2) buitengewoon en beroepssecundair onderwijs, (3) technisch secundair onderwijs, (4) algemeen secundair onderwijs en (5) hoger onderwijs.

    • 58 De variabele activiteitenstatus is onderverdeeld in 8 categorieën, zijnde (0) ‘werkloos/student/huisman- of vrouw/gepensioneerd’, (1) ‘niet geschoolde arbeider’, (2) ‘geschoolde arbeider’, (3) ‘bediende’, (4) ‘zelfstandige, (5) ‘hogere bediende’, (6) ‘kaderlid’, (7) ‘vrij beroep’.

    • 59 De vraag in de enquête met betrekking tot de perceptie van rondkomen luidde: ‘Konden jullie met jullie totaal beschikbaar inkomen rondkomen tijdens het laatste jaar voor de aanvraag van de echtscheiding?’. Respondenten konden op een 7 punten Likert schaal antwoorden variërend van ‘zeer makkelijk’ tot ‘zeer moeilijk’.

    • 60 De onafhankelijke SES variabelen zijn finaal de gemiddelde opleiding van de echtgenoten (aangeduid als opleiding.gem), het verschil in opleiding tussen de echtgenoten (opleiding.ver), de gemiddelde activiteitenstatus van de echtgenoten (werk.gem), het verschil in activiteitenstatus tussen de echtgenoten (werk.ver), het gemiddelde aantal werkuren per week van beide echtgenoten (werkuren.gem) alsook het verschil in het aantal werkuren tussen de echtgenoten (aangeduid als werkuren.ver). Wat specifiek het inkomen net voor de echtscheiding betreft, zijn de onafhankelijke variabelen het gemiddelde persoonlijke netto-inkomen van de echtgenoten (pre.inkomen.gem), het verschil in persoonlijk netto-inkomen (pre.inkomen.ver), de gemiddelde perceptie van rondkomen met het familiaal netto-inkomen (rondkomen.gem) en het verschil in perceptie van rondkomen met het familiaal netto-inkomen (rondkomen.ver). Ten slotte is er het aantal onroerende goederen waarvan beide echtgenoten samen eigenaar zijn (r.org.tot.num).

    • 61 De onafhankelijke variabelen met betrekking tot het huwelijk zijn finaal de huwelijksduur gemeten in jaren (aangeduid als duur.huwelijk.jaren), het gemiddelde gepercipieerde conflict tijdens het huwelijk door de echtgenoten (ps.conflict.gem) en het verschil in gepercipieerd conflict tijdens het huwelijk tussen de echtgenoten (ps.conflict.ver), de gepercipieerde opoffering door de man (sacrifice.man) en de vrouw (sacrifice.vrouw).

    • 62 J.H. Grych, M. Seid en F.D. Fincham, “Assessing marital conflict from the child’s perspective: the children’s perception of interparental conflict scale”, Child Development 1992, afl. 63, 558-572.

    • 63 Cronbachs alfa is een maat voor de interne consistentie van items in vragenlijsten. De waarde van α (hoe hoger, hoe beter) is een indicatie van de mate waarin een aantal items in een test hetzelfde concept meten.

    • 64 Concept en operationalisering door S. Bracke, K. Schoors en G. Verschelden, “No-Fault Divorce and Rent-Seeking”, 5th Annual Conference on Empirical Legal Studies Paper, 2010.

    • 65 Deze zeven vragen zijn: (i) wie bleef het vaakst thuis bij ziekte van één van de kinderen? en (ii) wat was het aandeel van uzelf en uw ex-partner in de volgende huishoudkundige taken gemiddeld in het laatste jaar voor de aanvraag van de echtscheiding? (a) wassen en schoonmaken, (b) voeding en koken, (c) boodschappen, (d) kinderzorg, (e) vrijetijdsbesteding met de kinderen (spelen, verplaatsing voor de kinderen, etc.), (f) diverse huishoudelijke klusjes (onderhoud van de tuin, etc.). Ieder item is gemeten op een 5-punten Likert schaal die varieert van (i) ‘ik deed veel meer dan mijn ex-partner’ tot (v) ‘mijn ex-partner deed veel meer dan ik’. De vragenlijst heeft dus betrekking op vier algemene huishoudelijke taken, en drie taken gerelateerd aan de kinderen.

    • 66 De totale som varieert van 7 tot 35. Er weze opgemerkt dat de koppels zonder kinderen een ‘neutrale’ score drie (gelijkstaand aan ‘we deden elk evenveel’) kregen op de kindgerelateerde variabelen.

    • 67 De volgende formule is toegepast om de opofferingsmaat te bekomen: Opofferingsmaat is gelijk aan het totaal aantal itemscores min 21, gedeeld door 14, en hiervan de absolute waarde.

    • 68 Zie bijv. E.J. Pettit en B.L. Bloom, “Whose decision was it? The effects of initiator status on adjustment to marital disruption”, Journal of Marriage and Family 1984, afl. 46, 587-595 en C. Buehler, “Initiator status and divorce transition”, Family Relations 1987, afl. 36, 82-86.

    • 69 Telkens is een onafhankelijke variabele opgesteld die de perceptie van beide echtgenoten weergeeft, zijnde initiator.man.1 (hijzelf), initiator.man.2 (beide), initiator.man.3 (mijn ex-partner). Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de vrouw: initiator.vrouw.1 (zijzelf), initiator.vrouw.2 (beide) en initiator.vrouw.3 (mijn ex-partner).

    • 70 Uiteraard zijn er ook nog andere objectief vaststelbare eigenschappen aangaande de EOT-overeenkomst die resulteren uit de content analysis, maar deze zijn weinig zinvol om in het kader van een contextuele analyse verder te onderzoeken.

    • 71 Dichotomiseren is een variabele herschikken waarbij er slechts twee categorieën overblijven. Zodoende kunnen de resultaten van de logistische regressie op éénduidige wijze worden geïnterpreteerd.

    • 72 De vijf codeercategorieën zijn: (1) toebedeling aan de man (“Toeb.m”); (2) toebedeling aan de vrouw (“Toeb.v”), (3) voorlopige onverdeeldheid (“Onv”); (4) beslissing tot verkoop (“Verk”); (5) restcategorie (“Anders”).

    • 73 Uit de empirische inhoudsanalyse van de EOT-overeenkomsten blijkt duidelijk dat er weinig objectieve cijfermatige EOT-data voorhanden zijn omtrent de verdeling van de (on)lichamelijke roerende goederen, waardoor een studie van deze activa-passiva transfers tussen (ex-)echtgenoten op basis van de gecodeerde EOT-overeenkomst gegevens niet mogelijk is. Een uitzondering op deze regel betreft evenwel de EOT-afspraken met betrekking tot de echtelijke woning.

    • 74 De vier codeercategorieën zijn: (1) gezagsco-ouderschap (“G”); (2) genuanceerde gezamenlijke gezagsuitoefening (“G.n”); (3) exclusieve of uitsluitende uitoefening van het ouderlijk gezag (“E”); (4) genuanceerde exclusieve gezagsuitoefening (“E.n”).

    • 75 Deze drie codeercategorieën zijn (1) verblijfsco-ouderschap (“Gelijk”), (2) hoofdverblijf bij de moeder (“Hoofd.Mo”) en (3) hoofdverblijf bij de vader (“Hoofd.Va”).

    • 76 Het in geld gewaardeerde bedrag kan zowel een totaalbedrag zijn (voor alle kinderen), of een specifiek bedrag per kind.

    • 77 Zie infra figuren 10 t.e.m. 14.

    • 78 In dezelfde zin: J. Dworkin en W. London, “What is a fair agreement?”, Conflict Resolution Quarterly 1989, afl. 7, 3-13. Over ‘perceived fairness’ als aparte maat: bijv. I.-F. Lin, “Perceived fairness and compliance with child support obligations”, Journal of Marriage and the Family 2000, afl. 62, 388-398.

    • 79 Uit recent socio-juridisch onderzoek blijkt dat de verdeling van de inboedel specifiek in geval van een EOT als billijk (‘eerlijk verdeeld’) wordt gepercipieerd door de partijen. D. Mortelmans en I. Pasteels (eds.), Scheiding in Vlaanderen, Antwerpen, SiV, 2011, 97.

    • 80 Deze maat is ontwikkeld door het IPOS team o.l.v. hoofdpromotor prof. dr. A. Buysse.

    • 81 Over deze selectiemethode, zie bijv. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 272.

    • 82 Exploratief betekent dat het onderzoek (initieel) niet vanuit toetsbare hypotheses is gevoerd.

    • 83 Een diepgaande statistische verkenning en vergelijking per afhankelijke variabele, mede op basis van onderstaande exploratieve bevindingen, zou het onderwerp kunnen vormen van vervolgonderzoek.

    • 84 Zie referentie in vn. 28.

    • 85 In dezelfde zin: J.D. Teachman, “Socioeconomic resources of parents and award of child support in the United States: some exploratory models”, Journal of Marriage and Family 1990, afl. 52, 690.

    • 86 Tot op heden is ‘tevredenheid met de echtscheidingsregeling’ de preferentiële uitkomstmaat in vergelijkende effectiviteitsudies. Voor een uitgebreide methodologische kritiek op de bestaande uitkomstmaten: zie R. Hemelsoen, EOT-overeenkomsten. Een empirisch-juridische studie, 403, nr. 704.

    • 87 Tevens zijn er statistische overwegingen inzake de ‘power’ (of het onderscheidend vermogen) van de statistische toets die bijdragen tot deze beslissing.

    • 88 Deze elementen liggen buiten het bereik van deze studie. Zie hierover o.a. R. Baitaret al., “Post-divorce wellbeing in Flanders: facilitative professionals and quality of arrangements matter”, Journal of Family Studies 2012, afl. 18, 69-82.

    • 89 Voor een inleidend hoofdstuk over regressieanalyse, zie o.a. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 197-263.

    • 90 De afhankelijke variabele (outcome variable) is de variabele die de onderzoeker tracht te verklaren of te voorspellen.

    • 91 De onderzoeker gaat er van uit dat de gemeten variabele afhankelijk is van (of veroorzaakt wordt door) één of meerdere onafhankelijke variabelen.

    • 92 Categorische variabelen – ook wel kwalitatieve of klassevariabelen genoemd – nemen als waarden geen getallen maar kenmerken of categorieën aan.

    • 93 Voor een inleidend hoofdstuk over logistische regressieanalyse, zie o.a. A. Field, Discovering statistics using SPSS, Third Edition, Thousand Oaks, Sage, 2011, 264-315.

    • 94 Er zijn verschillende soorten imputatietechnieken. In deze studie is de regressieimputatiemethode gebruikt, waarbij de ontbrekende waarden in de dataset(s) worden voorspeld aan de hand van een regressiemodel.

    • 95 Het multiple imputation proces is meerdere keren herhaald, meer bepaald zijn per (deel)dataset tien (m = 10) geïmputeerde datasets aangemaakt. De gegevens van iedere geïmputeerde dataset, die onderling van elkaar kunnen verschillen, worden gecombineerd tot één geheel om een algemene analyse mogelijk te maken.

    • 96 De volledige dataset met alle cellen ingevuld, wordt de ‘geïmputeerde dataset’ genoemd.

    • 97 Een eerste (deel)dataset bestaat uit de (vroegere) gezinnen met een gezinswoning. Deze dataset is gebruikt voor de logistische regressie met betrekking tot de toebedeling van de gezinswoning. Een tweede (deel)dataset bestaat uit de (vroegere) gezinnen met gemeenschappelijke kinderen, en is gebruikt voor de analyses met betrekking tot EOT-regelingen aangaande de kinderen.

Citation format

Would you like to cite an article from Family & Law? You can do so using this format:

Frederik Swennen, Contractualisation of Family Law in Continental Europe, F&L July - September 2013, DOI: 10.5553/FenR/000008. www.familyandlaw.eu/doi/10.5553/FenR/.000008 (Last accessed: …)


Print this article