About this search function

You can search through the full text of all articles by filling in your search term(s) in the search box. If you press the ‘search’ button, search results will appear. This page contains filters, which can help you to quickly find the article you are looking for. At the moment, there are two different filters: category and year.

Citeerwijze van dit artikel:
Petra Kuik, Wendy Schrama and Prof. dr. Leon Verstappen, ‘Samenlevingsovereenkomsten in de notariële praktijk’, Family & Law 2014, oktober-december, DOI: 10.5553/FenR/.000017

DOI: 10.5553/FenR/.000017

Family & LawAccess_open

Article

Samenlevingsovereenkomsten in de notariële praktijk

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Petra Kuik, Wendy Schrama and Prof. dr. Leon Verstappen, 'Samenlevingsovereenkomsten in de notariële praktijk', Family & Law November 2014, DOI: 10.5553/FenR/.000017

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      In deze bijdrage worden de resultaten van een empirisch onderzoek dat in 2013 is verricht naar de inhoud van gemaakte samenlevingsovereenkomsten gepresenteerd. De resultaten worden voorafgegaan door inleidende en enige relativerende opmerkingen. Aan het einde worden voorzichtig enkele conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
      De aanleiding voor dit artikel is een bespreking in het najaar van 2012 van Petra Kuik met Leon Verstappen over haar scriptieonderwerp. Al snel kwamen we op het idee om onderzoek te doen naar samenlevingsovereenkomsten. Gaandeweg kwam de gedachte op om onderzoek te doen naar de notariële praktijk van het maken van samenlevingsovereenkomsten. Wendy Schrama werd gevraagd als medebegeleidster op te treden vanwege zowel haar ervaringen met empirisch onderzoek als haar affiniteit met dit onderwerp vanwege haar proefschrift en haar overige publicaties over dit onderwerp.
      Het belang van dit onderzoek is het gebrek aan gegevens over notariële samenlevingscontracten. De achterliggende reden om aandacht aan dit onderwerp te schenken is gelegen in het rapport Koude uitsluiting. Voor de beoordeling van de vraag of en in welke omvang sprake is van ‘koude uitsluiting’ tussen ongehuwde samenlevers waren empirische gegevens nodig over het aantal paren met een contract en de inhoud van die contracten. Het bleek echter niet mogelijk voor de onderzoekers om kwantitatieve en kwalitatieve uitspraken te doen over de praktijk van het maken van samenlevingsovereenkomsten; onderzoeksgegevens waren er eenvoudigweg niet, al bestonden wel indrukken en vermoedens. Om de vraag te beoordelen of wetgeving zoals die in andere jurisdicties bestaat, nodig of wenselijk is, is van belang te weten welke rol het samenlevingscontract in de praktijk vervult.
      In dezelfde periode kwam de samenlevingsovereenkomst ook in notariële kringen meer in de belangstelling te staan. De specialistenvereniging Estate Planners in het Notariaat (EPN) had het voornemen de jaarvergadering aan dit onderwerp te wijden. Ook internationaal staat het onderwerp in de belangstelling. De Commission on European Family Law (CEFL) is voornemens haar volgende Principles-project aan dit onderwerp te wijden. Het is, kortom, een actueel thema en die actualiteit is niet zonder grond.

    • 2 Gehuwde en ongehuwde stellen in cijfers

      Hoeveel stellen zijn getrouwd en hoeveel paren wonen ongehuwd samen? De populatie gehuwde (en geregistreerde) paren is in Nederland ongeveer vier keer zo groot als de populatie van ongehuwd samenlevende paren. Nederland telde in 2013 circa 900.000 ongehuwd samenwonende paren op 3,3 miljoen gehuwde paren, dat is dus ongeveer één op de vijf paren. Dit aantal blijft naar verwachting groeien: voorspeld wordt dat vóór 2050 één op de drie paren ongehuwd samenwonen.1xCBS StatLine, Serie Huishoudens; grootte, samenstelling, positie in het huishouden.
      Ongehuwd samenleven is in Nederland – net als in veel andere landen – een massaverschijnsel: negen van de tien Nederlandse vrouwen maken in hun leven ooit een periode van ongehuwd samenleven mee. Daarentegen daalt het aantal huwelijkssluitingen gestaag. In 2012 is een diepterecord bereikt:2xCBS StatLine, Serie Huwen en partnerschapsregistraties; kerncijfers.

      HuwelijkenGeregistreerde partnerschappenTotaal
      1970: 123.631
      2000: 88.074
      2010: 75.399 + 9.571 = 84.970
      2011: 71.572 + 9.945 = 81.517
      2012: 70.315 + 9.224 = 79.539

      Het aantal huwelijkssluitingen daalt jaarlijks zowel in relatieve als in absolute zin. Het aantal geregistreerde partnerschapssluitingen daalt ook, zij het minder hard. Kortom: er doet zich een verschuiving voor van formele relaties naar informele relaties. De vraag dringt zich op of de wetgever op de één of andere manier de vermogensrechtelijke gevolgen van het ongehuwd samenleven verdergaand zou moeten reguleren. Om die vraag te beantwoorden is inzicht in de notariële praktijk van samenlevingscontracten van belang.3xW.M. Schrama, ‘Een lex specialis voor ongehuwde samenlevers’, FJR 2012, pp. 242-248. Wat wordt in samenlevingscontracten geregeld en wat niet? Biedt dat bescherming in geval van een relatiebreuk?

    • 3 Gehuwde en ongehuwde samenwoners: vergelijkbare groepen?

      Zijn gehuwden en ongehuwd samenwonenden met elkaar te vergelijken? Op dit terrein is weinig empirisch onderzoek gedaan. Aannemelijk is dat de groep ongehuwd samenlevers diverser is samengesteld dan de groep gehuwden. Van belang is met name dat het aandeel gehuwden met thuiswonende kinderen (1,6 miljoen op 3,3 miljoen) relatief veel groter is dan het aandeel ongehuwde samenlevers met kinderen (275.000 op 900.000). Dit verschil lijkt kleiner te worden, omdat er steeds meer ongehuwd samenlevende stellen kinderen hebben.4xCBS Statline, Tabellen geboorte naar kenmerken. Het is aannemelijk dat de verschillen tussen gehuwd en ongehuwd samenleven niet groot zijn als de partners samen kinderen hebben, maar empirisch onderzoek is er niet gedaan.
      In de totale populatie van ongeveer 900.000 ongehuwd samenlevende paren zijn op basis van het Onderzoek gezinsvorming van het CBS tenminste drie groepen te onderscheiden:5xW.M. Schrama, De niet-huwelijkse samenleving in het Nederlandse en Duitse recht, Deventer: Kluwer 2004, pp. 21-34.

      Eerste groep: Samenleving als ‘proefhuwelijk’: Na deze periode maken de meeste partners een keuze tussen trouwen of uit elkaar gaan. Slechts een minderheid (30%) gaat na samenleving bij wijze van ‘proefhuwelijk’ uit elkaar: 70% blijft gehuwd of ongehuwd bij dezelfde partner. De groep ‘proefhuwelijken’ vormt de overgrote meerderheid van de totale populatie van 505.800 samenwonende paren zonder kinderen.
      Tweede groep: Samenleving als alternatief voor het huwelijk: Een steeds grotere groep van de bevolking kiest voor ongehuwd samenleven als langdurige relatievorm, waarbij het krijgen van kinderen geen aanleiding vormt om alsnog te trouwen.6xJ. Latten, ‘De schone schijn van de burgerlijke staat’, Bevolkingstrends 4e kwartaal 2004, pp 46-60. A. de Graaf, ‘Gezinnen in cijfers’, in: Gezinsrapport 2011, Den Haag: SCP, pp. 45-46. http://statline.cbs.nl. 30% van de ongehuwd samenlevende paren heeft kinderen (275.000). De ongehuwde samenleving is bij deze groep als het ware in plaats getreden van het huwelijk. Dit type relatie is dan ook aanzienlijk stabieler dan het ‘proefhuwelijk’: naarmate de samenleving langer duurt, verschilt de stabiliteit ervan steeds minder van die van het huwelijk.7xOnderzoek Gezinsvorming 2008 van het CBS.
      Derde groep: Samenleving na een eerder huwelijk: Een derde groep bestaat uit oudere mensen zonder thuiswonende kinderen, die na de beëindiging van een eerdere relatie, nu het ongehuwd samenleven met een nieuwe partner verkiezen boven een nieuw huwelijk. Deze groep vormt een duidelijke minderheid in de totale populatie.

      Gelet op het feit dat het CBS het onderzoek naar gezinsvormen niet heeft voortgezet, zijn er geen recente gegevens beschikbaar over de ontwikkelingen op dit punt. Duidelijk is dat zich verschillen voordoen tussen gehuwde en ongehuwd samenlevende stellen, maar welke precies en wat voor gevolgen dat heeft, is niet duidelijk.

    • 4 Bewuste keuze om niet te huwen?

      Kiest men bewust niet voor het huwelijk om de wettelijke regeling van het huwelijk te ontlopen? Deze kwestie is relevant bij de beantwoording van de vraag of de solidariteit en bescherming uit het huwelijksvermogensrecht ook toegepast zouden moeten worden op het ongehuwd samenleven. Ook op dit punt ontbreekt gedegen empirisch onderzoek,8xW.M. Schrama, ‘Een redelijk en billijk relatierecht’, TPR 2010, pp. 1723-1724. zodat we ons moeten baseren op de kennis die er is. Nederlands onderzoek naar de keuze tussen het huwelijk of het geregistreerd partnerschap lijkt er voorzichtig op te wijzen dat partners primair op basis van emotionele en symbolische argumenten kiezen voor de ene of de andere relatievorm.9xK. Boele-Woelki, I. Curry-Sumner, M. Jansen & W.M. Schrama, Huwelijk of geregistreerd partnerschap?, Deventer: Kluwer 2007, pp. 210-211. Ook lijkt uit dit onderzoek voort te vloeien dat het juridisch kennisniveau over relaties te wensen over laat.
      Verder zijn er aanwijzingen dat er in het algemeen geen sprake is van een bewuste keuze om niet te trouwen vanwege de juridische gevolgen van het huwelijk.10xJ. Latten, ‘Trends in samenleven en trouwen: informalisering en de schone schijn van burgerlijke staat’, in: C. Forder & A. Verbeke (red.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 26. Vgl. M.V. Antokolskaia, B. Breederveld, J.E. Hulst, W.D. Kolkman, F.R. Salomons & L.C.A. Verstappen, Koude Uitsluiting.Materiële problemen onbillijkheden na scheiding van in koude uitsluiting gehuwde echtgenoten en na scheiding van ongehuwde samenlevende partners, alsmede instrumenten voor de overheid om deze tegen te gaan, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, nr. 3.7.3. Van de totale groep ongehuwde samenlevers noemt slechts een minderheid redenen die zouden kunnen worden begrepen als het willen ontlopen van de wettelijke regeling van het huwelijk (‘principieel tegen huwelijk’ en ‘niet gebonden willen worden’). Bij mannen is dat een kwart, bij vrouwen nog minder. Dit relativeert het argument van de ‘bewuste gezamenlijke vrije keuze’.
      Voorts is opmerkelijk dat aanzienlijk meer mannen dan vrouwen zich principieel tegen het huwelijk verklaren. Verder valt op dat een kwart van alle vrouwelijke respondenten (ook) de onwilligheid van de partner als reden noemt. Vooral jonge vrouwelijke respondenten noemen dit als belangrijkste reden. Bij mannen is dit slechts een vijfde.
      Dit verschil valt samen met een feitelijke economische ongelijkheid, waarbij per saldo de economisch sterke partij – de man – aan de economisch zwakkere partij – de vrouw – de bescherming van de wettelijke regeling van het huwelijk onthoudt. Ook dit houdt een relativering in van het argument van de ‘bewuste gezamenlijke vrije keuze’.

      Tabel Niet-gehuwde samenwoners die niet willen trouwen, naar reden11xJ. Latten, ‘Trends in samenleven en trouwen: informalisering en de schone schijn van burgerlijke staat’, in: C. Forder, A. Verbeke (red.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 26.
      RedenMannen %Vrouwen %
      Principieel tegen huwelijk 14 8
      Trouwen voegt niets toe 79 73
      Niet gebonden zijn 11 13
      Partner wil liever niet trouwen 19 26
      Verwacht/wenst geen kinderen 17 19
      Totaal (abs.= 100%) 228 240
      N.B. Respondenten konden meer dan één reden noemen. Daarom tellen de percentages per kolom niet op tot 100.

    • 5 Statistieken samenlevingsovereenkomst

      Hoe regelen ongehuwd samenlevers hun onderlinge vermogensrechtelijke relatie? Uit cijfers van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) blijkt dat in 1995 95% van de samenlevingsovereenkomsten in notariële vorm werd opgemaakt. Recentere gegevens over het aandeel notariële versus niet-notariële contracten ontbreken. Uit cijfers van het CBS komt naar voren dat 50% van de ongehuwd samenlevende paren een samenlevingscontract heeft gesloten.12xA. de Graaf, ‘Steeds meer samenwoners hebben een samenlevingscontract’, Webmagazine woensdag 10 februari 2010. Een samenlevingsovereenkomst komt het vaakst voor bij oudere samenwoners: in 2004 hadden zeven op de tien paren waarvan de vrouw ouder was dan vijftig jaar, een samenlevingsovereenkomst gesloten.13xA. de Graaf, ‘Steeds meer samenwoners hebben een samenlevingscontract’, Webmagazine woensdag 10 februari 2010. Uit het Onderzoek Gezinsvorming 2003 van het CBS blijkt dat één op de zes paren aangeeft in de toekomst een contract te willen sluiten, en dat nog een zesde daarover twijfelt. Slechts één op de zes (vooral jongere) paren is helemaal niet van plan om ook maar iets te gaan regelen. Meer statistieken over het sluiten van samenlevingsovereenkomsten zijn er niet. Evenmin is bekend wat de inhoud is van de contracten die gesloten worden, terwijl juist dat van belang is voor de vraag of wettelijk ingrijpen nodig is.

    • 6 De vorm van de samenlevingsovereenkomst

      Voor het sluiten van een samenlevingsovereenkomst bestaan geen algemeen dwingende vormvoorschriften (art. 3:37 BW). Men kan een samenlevingsovereenkomst bij wijze van spreken achterop een bierviltje vastleggen. Voor een aantal specifieke rechtsgevolgen geldt wel dat de samenlevingsovereenkomst in notariële vorm moet worden opgemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor het fiscaal partnerschap voor de erfbelasting (art. 1a Successiewet 1956), in diverse pensioenregelingen voor het verkrijgen van een recht op partnerpensioen en voor de bescherming tegen legitimarissen (art. 4:82 BW). In het algemeen geldt uiteraard dat de notariële vorm in de sfeer van het bewijsrecht en de executoriale titel voordelen heeft ten opzichte van een onderhandse akte.

    • 7 Rechtsgevolgen ongehuwd samenleven zonder samenlevingsovereenkomst

      Anders dan voor het huwelijk kent de wet geen algemene regeling voor ongehuwd samenwonenden. Dat betekent dat er op onderstaande punten een duidelijk verschil is met partners die gehuwd zijn:

      • Er geldt geen specifieke wettelijke regeling van de kosten van de huishouding, zodat de vraag rijst in welke mate iedere partner dient bij te dragen aan die kosten.14xW.M. Schrama, ‘Kosten van de huishouding’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar,Relatierecht 2014, pp. 1995-2003.

      • Geen huwelijksgemeenschap of verrekenplicht ter zake van inkomen of vermogen; men deelt in beginsel niet elkaars inkomen of vermogen.15xW.M. Schrama, ‘Kosten van de huishouding’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar, Relatierecht 2014, pp. 1995-2003.

      • Onduidelijkheid over de vermogensrechtelijke afwikkeling bij scheiding.

      • Na beëindigen van de relatie is er geen aanspraak op levensonderhoud (alimentatie).

      • Geen recht op opgebouwd pensioen; de door de één opgebouwde pensioenrechten moeten niet bij scheiding worden gedeeld of verevend en er bestaat geen recht op (bijzonder) nabestaandenpensioen.

      • Geen andere wettelijke rechten in het erfrecht (zie de art. 4:28 e.v. BW), behalve recht op voortgezette bewoning gedurende 6 maanden (art. 4:28 BW).

      Geen wettelijk erfrecht; de langstlevende partner erft niet van rechtswege bij overlijden van de eerststervende partner. Wil men in een soortgelijke positie als langstlevende echtgenoten verkeren, dan zullen testamenten en een samenlevingsovereenkomst moeten worden gemaakt.

      Op deze punten heeft de wetgever dus geen rekening gehouden met de maatschappelijke ontwikkelingen, maar op andere rechtsgebieden is die ontwikkeling (soms al meer dan dertig jaar) wel in gang gezet. Op bijna alle terreinen waar partnerrelaties rechtens relevant zijn wordt hetzelfde of een vergelijkbaar rechtsgevolg toegekend aan het ongehuwd samenleven:16xZie uitgebreid: Schrama 2004, pp 124-166. Zie ook W.M. Schrama, ‘The Dutch approach to informal lifestyles: Family function over family form?’, International Journal of Law, Policy and the Family 22, (2008), pp. 311-332.

      • het huurrecht: art. 7:267 BW;

      • het familierecht: art. 1:160 BW: einde alimentatie bij samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren;

      • het erfrecht:

        • het woonrecht van art. 4:28 lid 2 BW;

        • de morele onderhoudsgift van art. 4:69 BW;

        • de legitieme portie, art. 4:82 BW;

        • het verblijvingsbeding, art, 4:126 BW.

      • de fiscaliteit:

        • art. 5a Algemene wet inzake rijksbelastingen;

        • art. 1.2 Wet op de inkomstenbelasting 2001;

        • art. 1a Successiewet 1956.

      • de sociale zekerheid;

      • het straf(proces)recht;

      • de meerderjarigenbescherming (bewind en mentorschap; art. 1:432 BW en art. 1:451 BW).

      Na een scheiding rijst de vraag hoe de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen de partners dient plaats te vinden. In de regel komen partners daar onderling (al dan niet met een advocaat of mediator) uit, maar er lijkt een toename te zijn van het aantal rechtszaken waarin een vermogensrechtelijk geschil aan de rechter wordt voorgelegd. Daardoor ontstaat er langzaam maar zeker meer duidelijkheid over de toepasselijke regels.17xW.M. Schrama, ‘Verbintenisrechtelijke afwikkeling’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar, Relatierecht 2014, pp. 2043-22059. Vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:416. De Hoge Raad laat ruimte om rekening te houden met het feit dat de vermogensrechtelijke handelingen plaatsvonden tussen ongehuwd samenlevende partners, waardoor de toepassing van de regels uit het verbintenissen- en goederenrecht onder omstandigheden minder zakelijk is dan anders het geval zou zijn. De uitspraak van de Hoge Raad over de bijdrageplicht aan de kosten van de huishouding uit 2012 is daar een voorbeeld van.18xHR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407, m.nt. S.F.M. Wortmann. De Hoge Raad kent voor de vraag naar de draagplicht van de hypotheekrente gewicht toe aan het feitelijk handelen van de partners. Het feit dat er door de ontwikkelingen in de rechtspraak langzaam meer duidelijkheid komt, betekent echter niet dat een samenlevingscontract niet nuttig zou zijn.

    • 8 Erfbelasting

      Afgezien van het leerstuk van het fiscaal partnerschap in de inkomstenbelasting geldt voor de erfbelasting dat de partner die meer dan vijf jaar heeft samengewoond een vrijstelling geniet van € 627.367.19xDe genoemde cijfers gelden voor 2014. Hij betaalt over de eerste € 117.214 van het meerdere boven het vrijgestelde bedrag slechts 10% belasting en vervolgens over het surplus boven die € 117.214 slechts 20%. Dit geldt ook voor de partner als die nog niet vijf jaar heeft samengewoond, maar wel een samenlevingsovereenkomst met een wederzijdse zorgverplichting heeft afgesloten. Voor de mensen die nog maar kort samenwonen is een samenlevingsovereenkomst dus nodig om gebruik te kunnen maken van de hoge partnervrijstelling.
      Is er geen samenlevingsovereenkomst met wederzijdse zorgverplichting en woont men nog geen vijf jaar samen op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie, dan geniet men een vrijstelling van slechts € 2.092 en moet men over de eerste € 117.214 van het meerdere boven het vrijgestelde bedrag 30% en vervolgens 40% over het meerdere boven die € 117.214.
      Concreet: Stel er wordt € 200.000 nagelaten aan de langstlevende partner, dan betaalt deze met samenlevingsovereenkomst geen erfbelasting en zonder ongeveer € 67.442. Het maakt dus voor de toepassing van de erfbelasting veel uit of er een samenlevingsovereenkomst is.

    • 9 Vermogensrechtelijke positie na scheiding

      Na scheiding verandert de koopkracht.20xA.M. Bouman, ‘Vrouwen na scheiding fors in koopkracht terug’, CBS Webmagazine 1 juni 2004. In plaats van één huishouden, moeten voortaan twee huishoudens bekostigd worden zonder dat daar doorgaans direct meer inkomen tegenover staat. Veel onderzoek is er niet gedaan, maar op basis van wat er is, is de koopkrachtontwikkeling van vrouwen met inwonende kinderen na verbreken van de relatie opmerkelijk:

      na huwelijk : -21%
      na ongehuwd samenwonen : -14%

      Het lijkt erop dat vrouwen in ongehuwd samenwoningsrelatie financieel zelfstandiger zijn dan in huwelijkse relaties: hun koopkracht daalt ondanks het gemis aan alimentatie minder.
      De koopkrachtontwikkeling van mannen na verbreken van de relatie is als volgt:

      na huwelijk : +33%
      na ongehuwd samenwonen : +23%

      Bovenstaande conclusie lijkt ook te worden bevestigd door de koopkrachtontwikkeling bij mannen.
      Uit Gronings onderzoek21xM.V. Antokolskaia, B. Breederveld, J.E. Hulst, W.D. Kolkman, F.R. Salomons & L.C.A. Verstappen 2011. is gebleken dat het aantal vrouwen met thuiswonende kinderen dat na het beëindigen van het ongehuwd samenleven in ernstige financiële moeilijkheden geraakt aanzienlijk veel groter is dan na echtscheiding. Ernstige financiële moeilijkheden doen zich naar grove schatting voor bij:

      • circa 1.500 vrouwen die in ‘koude uitsluiting’ waren gehuwd;

      • circa 20.000 vrouwen die ongehuwd hebben samengeleefd. [/list]

      Er zijn dus aanwijzingen voor dat het ontbreken van een recht op alimentatie en van de compenserende werking van het huwelijksvermogensrecht bij ongehuwd samenlevers resulteert in een aanzienlijk grotere groep van probleemgevallen dan bij gehuwden. Deze problematiek is relevant voor het onderwerp van ons onderzoek, omdat men zich de vraag kan stellen in hoeverre het hebben van een samenlevingscontract en de inhoud daarvan van invloed zijn geweest op het aantal probleemgevallen.

    • 10 Wat kan in een samenlevingsovereenkomst geregeld worden?

      Met een samenlevingsovereenkomst kunnen de rechtsgevolgen van een huwelijk benaderd worden. De belangrijkste zaken die in een samenlevingsovereenkomst geregeld kunnen worden zijn:

      • vastleggen van ieders eigendommen en het overeenkomen van bewijsregels op dit punt;

      • regelen van de draagplicht van de kosten van de huishouding;

      • verrekenen of verdelen van inkomen en/of vermogen;

      • overeenkomen van recht op partneralimentatie;

      • overeenkomen van recht op partnerpensioen;

      • overeenkomen van verblijvingsbedingen. [/list]

      Het verdient om meerdere redenen aanbeveling ook een testament ten behoeve van de langstlevende partner te maken, omdat de wet geen erfrecht voor de langstlevende partner kent. Vanuit juridisch perspectief is het beste dan ook om ieder een testament én samen een samenlevingsovereenkomst op te laten stellen.

    • 11 Onderzoeksopzet

      Anders dan voor huwelijkse voorwaarden bestaat geen register van samenlevingsovereenkomsten, zijn de gemaakte samenlevingsovereenkomsten niet openbaar en worden geen statistieken bijgehouden van het maken, wijzigen en beëindigen van samenlevingsovereenkomsten. De geheimhoudingsplicht van notarissen maakt het onmogelijk om zonder toestemming van cliënten op dezelfde wijze onderzoek te doen als het periodiek onderzoek dat naar de praktijk van het maken van huwelijkse voorwaarden wordt gedaan. Een behoorlijke financiering is nodig om een vergelijkbare nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderzoek naar de praktijk van samenlevingsovereenkomsten te doen. Dat zou immers vergen dat een statistisch verantwoorde grote groep van cliënten individueel benaderd moet worden om toestemming te geven voor inzage van de gemaakte samenlevingsovereenkomsten. Daarna zou op soortgelijke wijze als in het huwelijks-voorwaardenonderzoek het grote aantal akten dat uit deze selectie komt aan een grondig onderzoek moeten worden onderworpen. Daarvoor hadden we noch de financiële middelen, noch de tijd. Daarom is voor een andere opzet van het onderzoek gekozen. De beroepsgroep die zich met het maken van samenlevingsovereenkomsten bezig houdt – het notariaat – is bevraagd over deze praktijk aan de hand van een digitale vragenlijst. Dit was kostenefficiënt en betrekkelijk snel te realiseren. Daarmee is het qua opzet een verkennend onderzoek, dat een eerste beeld geeft van de notariële praktijk. Dat houdt tevens in dat de resultaten met enkele mitsen en maren moeten worden bezien. We weten niet in hoeverre de uitkomsten van dit onderzoek representatief zijn voor de notariële praktijk in heel Nederland.
      Een rol speelt daarbij dat onduidelijk is in hoeverre de respondentengroep representatief is. Nederland telde in 2013 3.186 (kandidaat-)notarissen. Om hen te bereiken zijn met hulp van de KNB alle notariskantoren benaderd met het verzoek om mee te werken aan het onderzoek door het invullen van een vragenlijst door (kandidaat-)notarissen met een familierechtpraktijk. Van de aangeschreven notarissen vulden 137 mensen de vragenlijst in. Niet bekend is wat het aandeel is van (kandidaat-)notarissen dat zich dagelijks met familierechtzaken bezig houdt. Aangenomen dat dit 20% bedraagt, dan zou de netto-respons 22% zijn (137/3187). Ligt het aandeel op 25%, dan is de netto-respons 17%. Een tweede punt, van belang voor de betrouwbaarheid, is de vraag of sprake is van selectie-effecten in de respons. Dat kunnen we niet nagaan, omdat landelijke gegevens over de kenmerken van notarissen met een familiepraktijk ontbreken. Er is een aantal aanwijzingen dat de spreiding van de respondenten redelijk is, nu de respondenten over het land verspreid zijn, werkzaam zijn in grote en kleine gemeenten en er zowel grote als kleine kantoren hebben deelgenomen. Ook hebben ongeveer evenveel mannen als vrouwen meegedaan. De helft van de respondenten was notaris en de andere helft kandidaat-notaris (zie hierna onder 13).

    • 12 Inhoud en opzet vragenlijst

      Bij het opstellen van de vragenlijst zijn onze hypotheses over de praktijk van samenlevingscontracten leidend geweest. Het doel van het onderzoek was om in de eerste plaats zicht te krijgen op de advisering door de notaris aan ongehuwd samenlevende paren. Hoe adviseren (kandidaat-)notarissen cliënten die bij hen komen voor een samenlevingsovereenkomst? Welke onderwerpen komen aan de orde, bestaat er een bepaald adviseringsbeleid en welke standaardmodellen worden gebruikt? Zijn er factoren die van invloed zijn op de advisering door de notaris?
      Naast algemene vragen over de praktijk en de notaris zijn in de eerste plaats twee casus gepresenteerd en is gevraagd wat de notaris op een aantal punten zou adviseren. Vervolgens zijn specifieke vragen gesteld over de volgende onderwerpen:

      • Modellen

      • Aanleiding voor het maken van samenlevingsovereenkomsten

      • Het gebruik van vragenlijsten met toelichtingen

      • Verrekening van inkomsten of vermogen

      • Partneralimentatie

      • Verblijvingsbeding

      • Pensioenaanspraken

      • Regeling meerinbreng bij aanschaf goederen

      • Combinatie met testamenten

      • Bewust zijn van problemen bij ontbreken van een samenlevingsovereenkomst en de voordelen daarvan[/list]

      De resultaten worden hierna per onderwerp gepresenteerd. Daarbij wordt de term samenlevingsovereenkomst in de grafieken tot sok afgekort.

    • 13 Respondenten

      De man/vrouw verhouding is ongeveer gelijk (50% man, 50% vrouw); en de spreiding tussen notaris en kandidaat-notaris is 50%-50%. Om in beeld te brengen welk aandeel van de werkzaamheden van de notarissen betrekking heeft op de familierechtpraktijk is daarover een vraag gesteld. In onderstaande grafiek zijn de resultaten daarvan opgenomen.

      Grafiek 1 Aandeel familiezaken ten opzichte van het totale aantal zaken
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Om de spreiding van de respondenten in kaart te brengen is gevraagd naar de omvang van de gemeente waar de notaris werkzaam is en de regio waarin. Dat levert het volgende beeld op:

      Grafiek 2 Inwoneraantal gemeente werkzame (kandidaat-)notaris
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Grafiek 3 Regio kantoor werkzame (kandidaat-)notaris
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

    • 14 Analyse van de resultaten

      14.1 Casus

      De vragenlijst begint met twee casusposities, waarvan de eerste een beginnend stel betreft dat gaat samenwonen na de studie en nog geen kinderen heeft. De aanleiding voor de gang naar de notaris is de aankoop van hun eerste huis. Het gaat dus om starters die het ongehuwd samenleven mogelijk als opstapje naar een eventueel huwelijk beschouwen, een typisch voorbeeld van de eerste groep van ongehuwd samenlevende stellen zoals hiervoor onder 3 omschreven. De tweede casus betreft een stel dat al geruime tijd samenwoont in hun gemeenschappelijk huis, al een kind heeft en niet wenst te huwen maar wel alles goed geregeld wil hebben. Kortom: een typisch voorbeeld van de tweede groep ongehuwd samenlevende zoals hiervoor omschreven. Aan de notarissen is een groot aantal onderwerpen voorgelegd dat in iedere casuspositie geregeld zou kunnen worden in het samenlevingscontract, waarbij de respondenten moesten aanvinken welke onderwerpen zij zouden regelen in het contract. Men kon meerdere antwoorden tegelijk aanvinken. In onderstaande grafiek is in de linkerbalk opgenomen hoeveel van het totale aantal respondenten op dat betreffende punt een regeling zou opnemen in de starterscasus en de rechterbalk geeft weer hoeveel notarissen uit de steekproef dat voor casus 2 zouden doen. Op deze manier wordt inzichtelijk welke verschillen zich voordoen in de advisering.

      Grafiek 4 Onderwerpen in samenlevingsovereenkomst bij starters en gevorderden
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      De grafiek laat zien dat de advisering in beide situaties voor een groot aantal regelingen in een contract min of meer vergelijkbaar is. Kennelijk spelen de verschillen in de twee beschreven casusposities geen rol. Regelingen over de kosten van de huishouding en ieders eigendommen zijn onderwerpen die niet afhankelijk zijn van de duur en aard van de relatie. Of er nu kort of lang wordt samengewoond, het is kennelijk voor beide gevallen voor de groep respondenten van belang dergelijke regelingen op te nemen. Daarbij kan worden opgemerkt dat de inhoud van de regeling wel anders zou kunnen zijn: solidariteit is vermoedelijk meer in lijn met de langdurende samenwoning met kinderen dan de jonge stellen, maar of de notarissen ook een andere inhoudelijke regeling opnemen, hebben we niet gevraagd.
      Bedingen die wijzen op meer solidariteit of een verdergaande vermogensverstrengeling lijken op voorhand meer aangewezen voor situaties als aan de orde in de tweede casus. In dit opzicht zijn de verschillen duidelijk tussen beide casus waar het gaat om verrekenbedingen: in casus 2 worden die beduidend vaker geadviseerd dan in het geval van een jong stel als in casus 1. Een vergelijkbaar punt doet zich voor bij alimentatie en pensioenverevening: bij de samenwoners met kinderen is duidelijk sprake van een andere advisering door de ondervraagde notarissen. Dit verschil is in lijn met de verwachting.

      Interessant is daarnaast de vergelijking met de situatie voor gehuwden. Ongeveer 75% van de echtgenoten is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en de helft van de resterende 25% is een verrekenstelsel overeengekomen. Dat betekent dus dat in bijna 90% van de huwelijken het opgebouwde vermogen met elkaar wordt gedeeld. Voor ongehuwde partners wordt dit door notarissen maar in de helft van de gevallen geadviseerd, terwijl de feitelijke situatie in de tweede casus vergelijkbaar is met een huwelijk.

      14.2 Modellen

      Aan de respondenten is gevraagd welke onderwerpen zij in het algemeen (dus los van de twee casus) in een samenlevingscontract opnemen. Dat levert het volgende beeld op.

      Grafiek 5 Meest voorkomende bedingen in samenlevingsovereenkomst
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Uit de grafiek blijkt dat de meest genoemde bedingen de volgende zijn:

      • Definities van de begrippen ‘kosten van de huishouding’ en ‘inkomen en vermogen’

      • Regeling betreffende de gemeenschappelijke kosten van de huishouding

      • Regeling betreffende eigendom van gemeenschappelijke goederen en een bewijsregeling

      • Regeling betreffende premies levensverzekering

      • Regeling voor en/of-bankrekeningen

      • Een verblijvingsbeding

      • Regeling nabestaandenpensioen

      • Staat van aanbreng

      • Regeling over het einde van het contract

      Om te bezien in hoeverre het adviseringsbeleid is afgestemd op de feitelijke situatie van cliënten is de vraag gesteld hoeveel modellen van samenlevingsovereenkomsten met enige regelmaat gebruikt worden. De verwachting bestaat dat het door het gebruik van meerdere modellen mogelijk is om rekening te houden met uiteenlopende feitelijke situaties. Onder een model wordt ook verstaan het gebruik van wezenlijk verschillende varianten van hetzelfde model, hetgeen ook aan de respondenten zo is uitgelegd.

      Grafiek 6 Variatie aan modellen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Uit deze grafiek kan worden opgemaakt dat de meeste kantoren (63%) één of twee modellen gebruiken. Iets meer dan een derde van de kantoren heeft drie of meer modellen, waarbij vier respondenten rapporteren over zeven modellen te beschikken. Het modellenbestand van kantoren lijkt doorgaans niet bijzonder groot te zijn. Uit de opmerkingen die door de notarissen zijn gemaakt blijkt dat de verschillen in de modellen vooral schuilen in:

      • de regeling van de inboedel (privé of gemeenschappelijk);

      • verschillen in het inkomensbegrip dat wordt gehanteerd voor de regeling der kosten van de huishouding;

      • de regeling inbreng eigen woning en waarde verrekening;

      • eenvoudig en kort model versus uitgebreid en lang model.

      14.3 Aanleiding en redenen voor het maken van samenlevingsovereenkomsten

      We hebben geprobeerd inzicht te krijgen in de aanleiding voor stellen om een notarieel samenlevingscontract op te laten stellen (welke gebeurtenis) en de redenen daarvoor (bijvoorbeeld fiscale redenen). Kennelijk is de wijze waarop we dat gedaan hebben niet helder geweest, omdat de antwoorden die als open vraag gegeven konden worden door elkaar heen lopen. Er wordt dus weinig onderscheid gemaakt tussen aanleiding en reden. Naast de in de vraag gegeven aanleidingen ‘Het aanschaffen van een gezamenlijke woning’, ’samenwonen van de partners’, ’de geboorte van een kind’ wordt het starten van een onderneming genoemd. Wat betreft de redenen voor het aangaan van een samenlevingsovereenkomst veronderstelden we dat de volgende redenen daarbij van belang waren: ’Het treffen van een regeling voor elkaar’, ’Fiscaal voordeel behalen’, ’Duidelijkheid wat betreft de financiën (huishoudpot, aandeel woning, privé eigendommen)’, ’Om te zijner tijd aanspraak te kunnen maken op nabestaandenpensioen (partnerpensioen)’, ’Het biedt duidelijkheid op het moment dat de relatie verbroken wordt’, ’Besparing van erfbelasting’, ’De positie van de langstlevende partner in het erfrecht goed regelen.’ Daarnaast wordt genoemd alimentatie, emotionele redenen, het regelen van de schulden van de partners en het vastleggen van de eigen inbreng in de woning.
      Ook hebben we aan de respondenten gevraagd wat volgens hen (en dus niet de cliënt) de belangrijkste redenen zijn om een samenlevingscontract op te stellen.

      1. Het treffen van een regeling voor elkaar

      2. Fiscale voordelen zoals partnervrijstelling

      3. Aanspraak nabestaandenpensioen

      4. Duidelijkheid financiën

      5. Positie langstlevende in erfrecht goed regelen

      6. Besparing erfbelasting

      7. Duidelijkheid bij einde relatie

      14.4 Het gebruik van vragenlijsten bij de advisering

      De voorbereiding op een gesprek bij de notaris is belangrijk. Om inzicht te krijgen in de feiten die relevant zijn voor de advisering kan vooraf een vragenlijst worden opgestuurd die door de cliënten wordt ingevuld. Gevraagd werd naar het toezenden van een dergelijke vragenlijst.

      Grafiek 7 Wel of geen vragenlijst
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Grafiek 8 Geen vragenlijst voorafgaand aan het gesprek verzonden
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Opvallend is dat men een vragenlijst vaak wel ten behoeve van het opstellen van huwelijkse voorwaarden toestuurt, maar niet bij een samenlevingsovereenkomst. Veel kantoren laten het bij de mondelinge bespreking op kantoor.

      14.5 Verrekening van inkomsten of vermogen

      De interessantste vragen betreffen naar ons idee het opnemen van bedingen waaruit blijkt dat de partners wel of niet hun inkomsten of vermogen op de een of andere manier willen delen met elkaar. Hier speelt mogelijk niet alleen een rol met welke opvattingen de cliënten zelf bij de notaris binnenkomen, maar ook hoe de notaris doorgaans zal adviseren. Ook is belangrijk onder welke groep (zie hiervoor onder 3) het betreffende stel valt te scharen.

      Grafiek 9 Verrekening inkomsten of vermogen per 100 samenlevingsovereenkomsten
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Uit deze grafiek blijkt dat er weinig verrekenbedingen worden opgenomen in samenlevingsovereenkomsten. Hoewel de respondenten bij de vragen over de advisering aan de twee verschillende stellen in het geval van de langdurende relatie met kinderen aangeven in iets minder dan 50% van de samenlevingsovereenkomsten een verrekenbeding en verevening van ouderdomspensioen adviseren, geeft de beantwoording op deze vraag een ander beeld. Bij de meeste notarissen komt een verrekenbeding in minder dan 20% van de gevallen daadwerkelijk voor. Dit grote verschil valt mogelijk te verklaren doordat het aantal stellen dat zich tot de notaris wendt en dat tot de eerste categorie ongehuwd samenwonenden behoort (de ‘starters’) veel groter is dan het aantal dat tot de tweede categorie behoort (de ‘gevorderden’).
      Hierin schuilt een probleem: als de situatie van een stel van de eerste fase als starters door de tijd heen verandert tot gevorderden en men in de tussentijd de notaris niet bezoekt, dan heeft men een regeling die vermoedelijk niet meer goed bij de situatie past. Dit is een belangrijk aspect voor de notariële praktijk. Een periodieke ‘APK’ (keuring) van het contract zou naar ons idee zo gek niet zijn. Weliswaar gaan daarmee vermoedelijk extra kosten gepaard, maar het belang en het nut daarvan moeten aan cliënten uitgelegd kunnen worden.
      Opvallend is dat een klein deel van de respondenten (in totaal zes) aangeeft dat in bijna alle gevallen gekozen wordt voor een contract met een inkomsten- of vermogensverrekenbeding. Dit is een interessant gegeven, dat mogelijk duidt op een verschil in adviseringsbeleid. Tegelijk gaat het om een kleine groep, zodat niet ondenkbaar is dat deze respondenten de vraag niet juist hebben begrepen of anders hebben ingevuld. Daar pleit tegen dat ook bij de vragen over pensioen en alimentatie duidelijke verschillen bestaan in contracten met en zonder pensioenverrekening en een alimentatieplicht. Denkbaar is overigens ook dat de betreffende respondenten een van de normale clientèle afwijkende groep bedienen, al is dat op voorhand niet erg waarschijnlijk.
      Als de vraag inderdaad goed begrepen en beantwoord is en het publiek door die respondenten wordt bediend niet afwijkt van de normale cliënt van de notaris, dan leidt dat tot de interessante bevinding dat de notaris kennelijk grote invloed heeft op wat uiteindelijk in de akte terecht komt. Anders geformuleerd: de inhoud van de samenlevingsovereenkomst lijkt in hoge mate bepaald te worden door (het advies van) de notaris. Wie met dezelfde casus onder de arm bij notaris X binnenwandelt, zou wel eens met een op belangrijke punten geheel andere samenlevingsovereenkomst de deur uitlopen dan wanneer men bij notaris Y te rade gaat. Dat geeft in termen van rechtsbescherming te denken.
      Om na te gaan of de advisering verschilt, is ook de vraag gesteld op wiens voorstel een verrekenbeding terzake van inkomsten en/of vermogen in een samenlevingscontract wordt opgenomen: de cliënt, de notaris, of anders.

      Grafiek 10 Initiatief voor verrekenbeding
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      In 35% van de gevallen stelt de notaris dit voor, in 49% van de gevallen komt de cliënt ermee. Of de notaris in het geval de cliënt er niet mee zou komen, dit toch geadviseerd zou hebben, weten we niet.
      Om in beeld te krijgen welke factoren van invloed zijn op het advies van de notaris om al dan niet een verrekenbeding op te nemen in het contract is gevraagd wat de belangrijke punten zijn.

      Grafiek 11 Factoren bij advisering verrekenbeding
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Vooral wanneer partners kinderen hebben of wanneer zij niet beiden een inkomen hebben, adviseert de notaris om een verrekenbeding op te nemen. Soms adviseert de notaris ook om juist geen verrekenbeding op te nemen.
      De redenen waarom geen verrekenbeding wordt opgenomen, zijn hieronder vermeld, maar de antwoorden, die via een open vraag gegeven konden worden, zijn uiteenlopend en moeilijk onderling vergelijkbaar.

      Grafiek 12 Redenen niet-opnemen verrekenbeding door notaris
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Opmerking verdient dat het aantal respondenten op deze vraag te laag is om daaraan een conclusie te verbinden. De losse beantwoording geeft echter soms wel te denken:

      • ‘Ik heb het nog nooit meegemaakt dat men hierom vroeg. Zelf ben ik geen voorstander. Af en toe wel verhuis/inrichtingsvergoeding bij verbreken relatie.’

      • ‘Wij maken er geen.’

      • ‘Zelf nog nooit mee gemaakt. Zijn meestal jonge starters.’

      • ‘Eigenlijk 50-50. Je bespreekt dit en vaak willen ze het dan. Ook laten cliënten vaak hun inkomens naar de en/of-rekening (met en/of spaarrekening) overmaken, dus doen ze het eigenlijk al.’

      • ‘Er blijkt geen behoefte aan.’ [/list]

      Aan de respondenten is de vraag voorgelegd wat voor cliënten die zelf met het voorstel komen een verrekenbeding terzake van inkomsten en/of vermogen op te nemen/ vermogen te willen delen daarvoor de meest voorkomende reden is.

      Grafiek 13 Redenen opnemen verrekenbeding voor cliënt
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Hieruit blijkt dat financiële gelijkwaardigheid, kinderen en het risico op carrièrebreuk verreweg de meest voorkomende redenen zijn om een verrekenbeding op te nemen.

      14.6 Partneralimentatie

      De vraag naar het opnemen van de verplichting om na verbreking van de samenleving alimentatie te betalen laat een soortgelijk beeld zien als hiervoor werd geschetst bij het opnemen van verrekenbedingen ter zake van inkomen en/of vermogen.

      Grafiek 14 Frequentie partneralimentatiebeding
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Uit deze grafiek blijkt grote gelijkenis met de grafiek over het opnemen van verrekenbedingen terzake van inkomen of vermogen, als weergegeven hiervoor onder 14.5.
      Kortom, een contractuele alimentatieplicht is evenmin populair. Als ongeveer 90% aangeeft dat het in minder dan 20% van de gevallen voorkomt, dan kan de conclusie getrokken worden dat het nauwelijks overeengekomen wordt. Opmerkelijk is ook hier weer − zoals hiervoor al werd aangegeven − dat bijna 7% van de respondenten vrijwel altijd een recht op partneralimentatie opneemt. Het lijkt er dus op dat het ook wat partneralimentatie betreft er maar vanaf hangt bij welke notaris de ongehuwde samenwoners binnenstappen.
      Voor echtgenoten geldt de partneralimentatieregeling uit Boek 1 BW, maar als er een contractuele alimentatieplicht wordt opgenomen in een samenlevingscontract rijst de vraag hoe die eruit ziet. Deze vraag is voorgelegd waarbij men kon kiezen uit twee opties, namelijk aansluiting bij de regeling die geldt voor gehuwden of een specifieke regeling van het kantoor.

      Grafiek 15 Inhoud alimentatieregeling
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Als een regeling voor partneralimentatie opgenomen wordt, dan is de regeling meestal (80%) inhoudelijk gelijk aan die voor gehuwden. In 20% van de gevallen wordt een specifieke kantoorregeling opgenomen. Bij de optie ‘anders, namelijk….’ geeft een grote meerderheid aan dat de algemene regeling van het kantoor aangepast wordt aan de wensen van de cliënt. Een kwart geeft aan dat de alimentatieregeling verschilt van de regeling voor gehuwden. Deze gegevens zijn gebaseerd op de antwoorden van ongeveer twintig respondenten en lenen zich daarmee niet voor generalisering.
      Als een regeling wordt opgenomen gebeurt dat in 41% van de gevallen op initiatief van de notaris, bij 45% op initiatief van de cliënt en voor de resterende 12% werd een ander antwoord ingevuld. In dit opzicht is er dus een grote overeenkomst met het beeld voor de inkomens- en vermogensverrekenbedingen: het is vaker de cliënt dan de notaris die het voorstelt, al is het verschil met inkomens- en vermogensverrekenbedingen minder groot.

      Grafiek 16 Toelichting niet opnemen partneralimentatie
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Op de vraag waarom geen partneralimentatiebeding werd opgenomen in het samenlevingscontract geeft 62% aan dat zij de cliënten hierover wel hebben voorgelicht, maar dat men er niet voor kiest, terwijl 12% aangeeft dit niet op te nemen op advies van derden. Ongeveer 25% van de respondenten geeft aan dat dit afhankelijk is van de wens van de cliënten.
      Interessant was na te gaan of het perspectief van de notaris om een dergelijk beding op te nemen verschilt van dat van de cliënt.
      Hieronder is weergegeven wat voor de notaris respectievelijk de cliënt de meest voorkomende redenen zijn om partneralimentatie op te nemen.

      Grafiek 17 Meest voorkomende redenen voor de notaris om beding partneralimentatie te adviseren
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Grafiek 18 Meest voorkomende redenen voor de cliënt om partneralimentatie op te nemen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Er zijn op hoofdlijnen overeenkomsten tussen beide figuren, al is voor de notaris de komst van kinderen een vaker voorkomende reden om een partneralimentatiebeding op te nemen dan voor de cliënt.

      14.7 Verblijvingsbeding

      Om fiscale redenen is het gunstig om een verblijvingsbeding op te nemen. De eerste vijf jaar van de samenleving wordt hetgeen via een verblijvingsbeding ‘om niet’ wordt verkregen, niet fictief in de erfbelasting betrokken. Daarna zal de partner na overlijden van zijn partner door de gelijkstelling met gehuwden in aanmerking komen voor de grote vrijstelling van de langstlevende. Ook in ander fiscaal opzicht is het hebben van een samenlevingsovereenkomst gunstig. Als er kinderen zijn, zal een regeling ten behoeve van de langstlevende partner op overeenkomstige wijze als de wettelijke verdeling (art. 4:13 e.v. BW), niet zonder een samenlevingsovereenkomst kunnen (vgl. art. 4:82 jo. 126 en 129 BW). Kortom, dit maakt het de moeite waard om te onderzoeken hoe vaak verblijvingsbedingen daadwerkelijk voorkomen. Dat levert het volgende beeld op.

      Grafiek 19 Frequentie opname verblijvingsbeding
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      We wisten al dat het verblijvingsbeding een belangrijke reden is om een samenlevingsovereenkomst te maken. Deze grafiek bevestigt dit. Het verblijvingsbeding is populair. De solidariteit wordt vooral vorm gegeven door deze en andere voorzieningen (recht op nabestaandenpensioen, zie hierna) die werken na overlijden van een van de partners. Er zijn dus aanwijzingen dat de postrelationele solidariteit zich vooral op die situatie richt en niet zozeer op de situatie na scheiding.
      Op wiens initiatief wordt een verblijvingsbeding in een samenlevingscontract opgenomen? De notaris adviseert volgens de respondenten in meer dan 60% van de gevallen een verblijvingsbeding op te nemen. In 30% van de gevallen komen cliënten zelf met het idee. Respondenten gaven ook vaak aan dat het allebei gebeurt, of dat het standaard in de akte of het model staat.
      Op de vraag in welke gevallen de (kandidaat-)notaris adviseert een regeling over een verblijvingsbeding in een samenlevingsovereenkomst op te nemen komt het volgende naar voren.

      Grafiek 20 Meest voorkomende redenen voor notaris om verblijvingsbeding te adviseren
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      De meest voorkomende reden voor het advies een verblijvingsbeding op te nemen is de aankoop van een gezamenlijke woning of gezamenlijke goederen. Ook een verblijvingsbeding als alternatief voor het testament wordt vaak geadviseerd. Een groot deel van de respondenten gaf aan dat ze juist geen verblijvingsbeding adviseren wanneer er kinderen zijn. De gedachte zal zijn dat de verzorging van de langstlevende partner in dat geval beter door middel van testamenten geregeld kan worden. Dit aangezien verblijving om niet impliceert dat de erfrechtelijke aanspraken van de kinderen niet ook de aan de langstlevende verbleven goederen omvatten. De aan de langstlevende verbleven goederen behoren namelijk wel tot de erfrechtelijke aanspraken van de kinderen.
      Voor cliënten is volgens de respondenten het volgende van belang.

      Grafiek 21 Meest voorkomende redenen voor cliënt om een verblijvingsbeding op te nemen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Belangrijk is dat een verblijvingsbeding de trekken heeft van een testamentaire voorziening. Soms laten de partners het dan ook bij het maken van een samenlevingsovereenkomst en komen testamenten pas aan de orde als er kinderen komen. Interessant is ook de vraag te stellen waarom verblijvingsbedingen wel veel voorkomen in samenlevingsovereenkomsten en niet in huwelijkse voorwaarden. Deze vraag is zeker relevant, aangezien testamentaire voorzieningen uit hun aard eenzijdig herroepbaar zijn en een verblijvingsbeding niet. In dit verband is interessant om te bezien in hoeverre in samenlevingsovereenkomsten het verblijvingsbeding terugtreedt indien het fiscale voordeel na vijf jaar wegvalt.

      Grafiek 22 Frequentie terugtreedbepaling
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Het beeld is dat het verblijvingsbeding in verreweg de meeste gevallen zijn werking behoudt. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid of dit een bewuste keuze is of dat deze variant gewoonweg niet in het model staat of met de cliënt besproken wordt. Daarom is ook gevraagd naar de redenen om het verblijvingsbeding niet te laten terugtreden.

      Grafiek 23 Redenen om verblijvingsbeding niet te laten terugtreden
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Uit deze grafiek blijkt dat er wel degelijk rekening mee wordt gehouden, maar dat er veelal genoeg andere redenen zijn om de werking van het verblijvingsbeding in stand te houden.

      14.8 Pensioenaanspraken

      Pensioenen zijn een belangrijk onderdeel van de inkomens- en vermogenspositie; reden om ook op dit punt vragen te stellen over de advisering en de contracten: komen regelingen over pensioenaanspraken vaak voor en wat is de inhoud?
      De eerste vraag handelde over de frequentie van pensioenregelingen in samenlevingsovereenkomsten.

      Grafiek 24 Frequentie pensioenaanspraken
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      De grafiek is duidelijk: in vrijwel alle samenlevingsovereenkomsten komen pensioenregelingen voor. Maar wat staat er in? Daarover gaan de volgende vragen.

      Grafiek 25 Opnemen beding pensioenverrekening of verevening
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Ook deze grafiek vertoont gelijkenis met die over verrekenbedingen terzake van inkomen of vermogen en partneralimentatie. Pensioenverrekening komt maar weinig voor.
      Nabestaandenpensioen is prima, maar geen verrekening van het opgebouwde ouderdomspensioen bij het verbreken van de relatie. Ook hier is sprake van een klein percentage respondenten (bijna 11%, dat zijn 15 respondenten) dat aangeeft dat pensioenverrekening wél vrijwel altijd wordt opgenomen.
      Ook voor pensioenverrekening is interessant om te bezien hoe ver die postrelationele solidariteit gaat. Hoe is het geregeld met betrekking tot het nabestaandenpensioen na verbreking van de relatie? Mogelijk is om te regelen dat die toegekende aanspraak bij verbreken van de samenleving weer moet worden ingeleverd.

      Grafiek 26 Frequentie inleveren nabestaandenpensioen bij scheiding
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      We zien dat op dit punt sprake is van grote diversiteit. Het is de vraag of dit ook weergeeft hoe de gemiddelde cliënt er werkelijk over denkt, of dat het door de notaris wordt opgenomen, omdat het nu eenmaal in het model staat.
      Het initiatief voor het opnemen van een regeling over pensioenaanspraken komt in overwegende mate van de notarissen (60%) versus 25% van cliënten en 15% anders. Indien de respondenten ‘anders, namelijk..’ hebben ingevuld hebben zij dit toegelicht met het antwoord dat soms de notaris en soms de cliënt dit doet en dat de aanleiding het model zelf is. Uit die antwoorden kan de aanwijzing worden gehaald dat het model een belangrijke richtlijn is voor het uiteindelijke samenlevingscontract.
      De redenen om een regeling op te nemen zijn voor de notaris respectievelijk de cliënt als volgt weer te geven.

      Grafiek 27 Redenen voor de notaris om een regeling pensioen op te nemen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Grafiek 28 Meest voorkomende redenen voor de cliënt om een regeling pensioenen op te nemen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Het beeld loopt licht uiteen en de antwoordopties die zijn ingevuld zijn niet gelijk. Voor de notaris spelen meer redenen een rol dan voor cliënten, voor wie de zorgplicht na overlijden de meest voorkomende reden is.

      14.9 Regeling meerinbreng bij aanschaf goederen

      Vaak worden samenlevingsovereenkomsten gesloten naar aanleiding van de aanschaf van een woning. Daarbij wordt meestal ook een verblijvingsbeding opgenomen. Als de ene partner meer eigen geld inbrengt dan de ander rijst de vraag hoe dit onderling geregeld wordt. Allerlei bedingen zijn denkbaar.22xVgl. de uiteenzetting van de mogelijkheden door L.C.A. Verstappen, ‘Afrekenen van meerinbreng bij mede-eigendomsverhoudingen’, WPNR 6814/2009, p. 791 e.v.. Op wiens voorstel worden dergelijke bedingen opgenomen?
      Het voorstel om een regeling over de inbreng van eigen geld op te nemen komt vaker van de notaris (48%) dan van de cliënt (35%). Wanneer de respondenten ‘anders’ als antwoord hebben gegeven, hebben zij dit toegelicht met het feit dat dit wisselt van geval tot geval.
      Gevraagd naar de gevallen waarin de (kandidaat-)notaris een regeling over pensioenaanspraken in een samenlevingsovereenkomst opneemt, wordt een viertal factoren genoemd die in onderstaande grafiek zijn opgenomen.

      Grafiek 29 Redenen notaris om een regeling inbreng eigen geld te adviseren
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Daarmee is nog niet helder wat de inhoud van het beding is en met name of de aanspraak van de partner die meer inbrengt nominaal of via de beleggingsleer wordt vergoed.

      Grafiek 30 Inhoud regeling inbreng eigen geld
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      In bijna 80% adviseert men een nominale vergoeding overeen te komen in plaats van een vergoeding conform de beleggingsleer. Dat kan erop duiden dat de notarissen doorgaans geen aanhanger zijn van de beleggingsleer. Een opmerking van een respondent luidde als volgt: ‘cliënten uit noorden willen een regeling met de nominaliteitsleer en die uit het westen willen de beleggingsleer.’ Ook wordt soms onderscheid gemaakt naar de aard van het goed: ‘beleggingsleer bij onroerende goed, nominaliteitsleer bij overige goederen’, merkte een respondent op. Ook wordt opgemerkt dat het denken van cliënten aan het schuiven is en dat de beleggingsleer aan populariteit wint. Vermoedelijk is dat ook zo bij de notaris.
      Gevraagd is ook of − indien is gekozen voor nominaliteit − rekening is gehouden met de situatie van waardedaling.

      Grafiek 31 Frequentie bepaling verdisconteren waardedaling
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Dit geeft een behoorlijk gevarieerd beeld, waaruit vermoedelijk kan worden afgeleid dat het beleid van de notaris van invloed is op de inhoud van het contract.
      Gevraagd is wat de meest voorkomende redenen zijn voor cliënten die zelf het initiatief voor een regeling over de inbreng van eigen geld bij de aankoop van goederen nemen.

      Grafiek 32 Meest voorkomende redenen cliënt om regeling inbreng eigen geld op te nemen
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      14.10 Combinatie met testamenten

      Zoals hiervoor al werd aangegeven kan het, vooral wanneer er kinderen zijn, verstandig zijn om naast het samenlevingscontract testamenten te laten opstellen.

      Grafiek 33 Naast samenlevingsovereenkomst tevens een testament opgemaakt
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Het merendeel van de respondenten dat een samenlevingsovereenkomst sluit, stelt ook een testament op bij het zelfde kantoor. Aangegeven wordt door de respondenten dat in de gevallen waarin dat niet gebeurt, het kostenaspect voor cliënten een grote rol speelt.

      14.11 Bewustzijn nut van een samenlevingsovereenkomst

      In het algemeen is van belang of ongehuwde samenwoners die zich bij de notaris melden, zich vooraf realiseren dat het samenwonen op zichzelf in vermogensrechtelijke zin in het algemeen niet tot rechten ten opzichte van elkaar leidt. Daarom legden we die vraag voor aan de respondenten.

      Grafiek 34 Bewustzijn cliënten van ontbreken vermogensrechtelijke aanspraken
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Voorzichtig kan op basis hiervan geconcludeerd worden dat er nog veel gevallen zijn waarin cliënten zich niet bewust zijn van het feit dat het samenwonen op zichzelf nog geen vermogensrechtelijke aanspraken ten opzichte van elkaar met zich brengt.
      Dat geldt ook voor de kennis bij cliënten over de fiscale voordelen die een samenlevingscontract kan hebben.

      Grafiek 35 Bewustzijn cliënten fiscale en andere voordelen samenlevingscontract
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Grafiek 36 Aantal gevallen waarin ontbreken van een samenlevingscontract problemen oplevert bij de vermogensrechtelijke afwikkeling
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/FenR/FenR_2014_000001

      Het ontbreken van vermogensrechtelijke gevolgen aan ongehuwd samenwonen levert problemen op. Uit dit onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de notarissen aangeeft dat het in een derde tot twee derde van de gevallen problemen oplevert dat partijen geen notarieel samenlevingscontract hebben gesloten. Maar liefst 15% van de 137 respondenten geeft aan dat dit in alle gevallen problemen oplevert.
      Genoemd worden problemen met de familie van de eerststervende partner als de familie de bezittingen opeist. Die familie kan bestaan uit kinderen uit een eerdere relatie of de ouders en eventuele broers en zussen van de erflater. Wanneer er niets geregeld is en er minderjarige kinderen zijn, zal de kantonrechter over de afwikkeling van de nalatenschap van de eerststervende meebeslissen, hetgeen ook als problematisch kan worden ervaren.

    • 15 Relativering van de uitkomsten

      De bovenstaande gegevens bieden veel informatie over het gebruik van samenlevingscontracten en de notariële praktijk op dit punt. Dat neemt niet weg dat het onderzoek vanwege de aard en opzet een verkennend karakter heeft. Niet alleen is de respons mogelijk selectief, ook zijn de gegeven antwoorden vaak schattingen, waarvoor de respondenten geen tellingen hebben gedaan. Bij sommige vraagonderdelen was het aantal respondenten ook dusdanig gering, dat daaraan geen conclusies kunnen worden ontleend. Tot slot zijn niet alle vragen op dezelfde manier geïnterpreteerd, zoals blijkt wanneer er verschillende soorten antwoorden komen. Desondanks levert het onderzoek enkele belangrijke uitkomsten op.

    • 16 De belangrijkste uitkomsten

      De belangrijkste uitkomsten kunnen als volgt worden samengevat:

      1. De praktijk van het maken van samenlevingsovereenkomsten lijkt aanzienlijk te verschillen van die van het maken van huwelijkse voorwaarden. Waar het huwelijksrecht uitgaat van solidariteit en huwelijkse voorwaarden daar een wijziging in aanbrengen, is een samenlevingscontract nodig om solidariteit na een scheiding (en ook na overlijden) te regelen. Men zou dus verwachten dat in huwelijkse voorwaarden bedingen voorkomen die de wettelijk voorgeschreven solidariteit tussen echtgenoten concretiseren, wijzigen of veranderen, bijvoorbeeld in de vorm van verrekenbedingen, partneralimentatieverplichtingen of pensioenverrekening. Anderzijds zou men verwachten dat in een deel van de samenlevingscontracten juist solidariteit in het leven geroepen wordt, omdat Boek 1 BW geen regeling treft voor de vermogensrechtelijke aspecten en postrelationele solidariteit. Dat is echter niet het beeld dat uit dit onderzoek naar voren komt. Bepalingen in samenlevingscontracten die een bepaald effect ten opzichte van de fiscus betreffen, of regelingen rondom praktische aspecten komen veel voor, maar bedingen die een postrelationele solidariteit creëren lijken juist erg weinig voor te komen. De doorsnee samenlevingsovereenkomst in het onderzoek lijkt meer op huwelijkse voorwaarden inhoudende ‘koude uitsluiting’.

      2. Hoe we dit moeten verklaren, is niet onderzocht. We kunnen wel enkele mogelijke verklaringen noemen. In de eerste plaats is een mogelijke verklaring een verschil in samenstelling van de groep ongehuwd samenwonenden en de gehuwden. Slechts een deel van de ongehuwd samenwonende stellen kan worden aangemerkt als de groep die het ongehuwd samenwonen ziet als een duurzame relationele status te vergelijken met het huwelijk. Het is de groep die bewust of onbewust niet kiest voor een huwelijk, maar wel een soortgelijke duurzame relatie heeft. Tegelijk is er vrij weinig empirisch onderzoek naar verschillen gedaan. We weten wel dat de groep ongehuwde samenlevers met kinderen stijgt, maar we weten niet in hoeverre zich verschillen voordoen tussen gehuwde en ongehuwde stellen met kinderen.

      3. Een tweede verklaring kan zijn dat het treffen van een regeling met solidariteit vereist dat de cliënten weten dat dit nodig is, bijvoorbeeld omdat ze dat uit hun netwerk gehoord hebben of omdat de notaris hen daarover informeert. Hier zou zich een knelpunt kunnen voordoen, omdat uit ons onderzoek blijkt dat ongeveer de helft van de notarissen aangeeft dat in meer dan de helft van de gevallen cliënten zich niet bewust zijn van de voordelen van een samenlevingsovereenkomst. Men weet ook niet dat men geen specifieke vermogensrechtelijke aanspraken jegens elkaar heeft als er geen samenlevingsovereenkomst is. Uit eerder empirisch onderzoek is bekend dat van een keuze tussen verschillende relatievormen, juridische redenen niet zonder meer maatgevend zijn. Waar gehuwden als zij niets doen (en dat is thans in ongeveer 75% van de huwelijkssluitingen), automatisch onder een wettelijke regime gebaseerd op (post)relationele solidariteit vallen, is dat dus voor ongehuwde samenlevers juist andersom.

      4. Een derde mogelijk verklaring is dat dit onderzoek aanwijzingen bevat dat de inhoud van de overeenkomst duidelijk afhangt van de notaris in kwestie. Uit het onderzoek blijkt dat veruit de meeste kantoren die hebben deelgenomen werken met 1 of 2 modellen of varianten die wezenlijk van elkaar verschillen. Dit geeft aan dat er niet veel diversiteit in samenlevingsovereenkomsten is, tenzij dit per situatie zou worden aangepast, maar hierover zijn geen gegevens beschikbaar. Het lijkt er op dat de specifieke situatie waarin de cliënten zich bevinden niet zonder meer maatgevend is, al past relativering, omdat met het onderzoek niet alle relevante feiten in kaart gebracht konden worden. Dit betekent dat de (kandidaat-)notarissen per situatie moeten kijken welke bedingen geschikt zijn voor de betreffende cliënt. Meerdere malen kwam de opmerking ‘staat niet in het model’ terug bij de antwoorden van de respondenten. Een samenlevingsovereenkomst opstellen is maatwerk en uit het onderzoek blijkt dat niet elke notaris dit als maatwerk ziet. Het vooraf sturen van een vragenlijst lijkt niet standaard het beleid te zijn. Bovendien blijkt op verschillende punten dat het de notaris is die met een bepaalde suggestie komt om een aspect in het contract te regelen.

      5. Nader onderzoek naar samenlevingscontracten is wenselijk. In de eerste plaats zou het een goede zaak zijn als met een betrouwbare steekproef onder verschillende notariskantoren of via ongehuwde samenlevers de contracten daadwerkelijk inhoudelijk bekeken zouden worden en in kaart wordt gebracht wat de situatie van de desbetreffende cliënten was ten tijde van het opmaken daarvan. Op die manier, die veel tijd en geld kost, is het mogelijk in kaart te brengen in welke mate welke factoren bijdragen aan de inhoud van een samenlevingscontract, wat de invloed van de notaris is en welke invloed de feitelijke situatie en de wensen van cliënten zijn. In de tweede plaats zou onderzocht moeten worden wat concreet bij een scheiding en overlijden het daadwerkelijke nut is van een samenlevingscontract, welke problemen rijzen en wat de verschillen zijn zonder notarieel samenlevingscontract. In de derde plaats zou onderzoek verricht kunnen worden naar de kennis en het inzicht van mensen die ongehuwd samenleven en in hoeverre zij afgaan op het advies van de notaris over het samenlevingscontract en of ze nadenken aan een wijziging van het contract als de situatie verandert.

    • 1 Vragenlijst notariële samenlevingsovereenkomsten in de praktijk

      Rijksuniversiteit Groningen

      Dit verkennende onderzoek bestaat uit 2 korte casus en 40 vragen naar de notariële praktijk van het maken van samenlevingsovereenkomsten. Graag bij elke vraag een schatting van de aantallen of percentages aangeven. Gelet op de verkennende aard van het onderzoek is het niet nodig om een precies aantal in te vullen.

      Alvast vriendelijk bedankt voor uw medewerking!

      Casus 1:
      Jan en Annemiek (allebei 26 jaar) zijn het afgelopen jaar afgestudeerd. Beide partners hebben een baan. In het kader van de aankoop van hun eerste huis willen ze graag hun zaken juridisch geregeld hebben. Jan en Annemiek hebben nog geen kinderen, maar zij sluiten de komst van kinderen in de toekomst niet uit. Over een eventueel huwelijk hebben zij het nog niet gehad.

      Wat adviseert u dit stel om op te nemen in een samenlevingsovereenkomst?
      0 Definitie van het begrip ‘kosten van de huishouding’
      0 Definitie van het begrip ‘inkomen’ en ‘vermogen’
      0 Regeling betreffende kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Vervalbeding verrekenplicht kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Regeling betreffende de eigendom van (gemeenschappelijke) goederen
      0 Bewijsregeling eigendom
      0 Regeling vergoedingsrechten analoog aan art. 1:87 BW
      0 Regeling betreffende de gezamenlijk bewoonde (huur- of koop) woning
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – periodiek
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – finaal
      0 Betalingsregeling bij verrekenbedingen
      0 Maximering verrekenplicht bij verrekenbedingen ter zake van inkomen en/of vermogen
      0 Regeling betreffende premies levensverzekering
      0 Regeling voor en/of-bankrekeningen
      0 Een verblijvingsbeding
      0 Een overnamebeding (naast of in plaats van een eventueel verblijvingsbeding)
      0 Regeling alimentatie na verbreken relatie
      0 Regeling betreffende voortzetting bewoning na verbreken relatie
      0 Regeling wederzijdse zorgverplichting
      0 Regeling nabestaandenpensioen (aanwijzing als gerechtigde tot partnerpensioen en/of verplichting om afstand te doen van nabestaandenpensioen bij verbreken relatie)
      0 Verevening of verrekening ouderdomspensioen
      0 Regeling betreffende inbreng van eigen geld bij aankoop woning
      0 Staat van aanbreng
      0 Regeling over het einde van het contract door beëindiging van de relatie, incl. een eventuele regeling over de hierboven genoemde deelonderwerpen
      0 Regeling bij onvrijwillig eindigen van de relatie of samenwoning, bijvoorbeeld door opname in verpleeginrichting
      0 Regeling ingeval er kinderen uit de relatie worden geboren of anderszins worden opgenomen in het gezin
      0 Geschilbeslechtingsregeling
      0 Regeling voor de weduwe/weduwnaar die gaat samenwonen i.v.m. mogelijk definitief verlies ANW rechten
      0 Wederzijdse volmachtverlening voor niet-vermogensrechtelijke handelingen (‘levenstestament’)
      0 Regeling over de vorm waarin wijziging van (bepaalde afspraken in) de samenlevingsovereenkomst dient plaats te vinden, bijv. alleen bij notariële akte
      0 Overige bedingen, namelijk………………………………………………
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Casus 2
      Ron en Nicole wonen al enige jaren samen en hebben al een zoon. Zij hebben een gezamenlijke woning. Hun gezin zal uitgebreid worden met een dochter. Nicole gaat daarom minder werken. Ron heeft een goede baan en werkt voltijd in loondienst. Ze willen niet trouwen, maar zij willen graag hun zaken juridisch goed regelen.

      Wat adviseert u dit stel om op te nemen in een samenlevingsovereenkomst?
      0 Definitie van het begrip ‘kosten van de huishouding’
      0 Definitie van het begrip ‘inkomen’ en ‘vermogen’
      0 Regeling betreffende kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Vervalbeding verrekenplicht kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Regeling betreffende de eigendom van (gemeenschappelijke) goederen
      0 Bewijsregeling eigendom
      0 Regeling vergoedingsrechten analoog aan art. 1:87 BW
      0 Regeling betreffende de gezamenlijk bewoonde (huur- of koop) woning
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – periodiek
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – finaal
      0 Betalingsregeling bij verrekenbedingen
      0 Maximering verrekenplicht bij verrekenbedingen ter zake van inkomen en/of vermogen
      0 Regeling betreffende premies levensverzekering
      0 Regeling voor en/of-bankrekeningen
      0 Een verblijvingsbeding
      0 Een overnamebeding (naast of in plaats van een eventueel verblijvingsbeding)
      0 Regeling alimentatie na verbreken relatie
      0 Regeling betreffende voortzetting bewoning na verbreken relatie
      0 Regeling wederzijdse zorgverplichting
      0 Regeling nabestaandenpensioen (aanwijzing als gerechtigde tot partnerpensioen en/of verplichting om afstand te doen van nabestaandenpensioen bij verbreken relatie)
      0 Verevening of verrekening ouderdomspensioen
      0 Regeling betreffende inbreng van eigen geld bij aankoop woning
      0 Staat van aanbreng
      0 Regeling over het einde van het contract door beëindiging van de relatie, incl. een eventuele regeling over de hierboven genoemde deelonderwerpen
      0 Regeling bij onvrijwillig eindigen van de relatie of samenwoning, bijvoorbeeld door opname in verpleeginrichting
      0 Regeling ingeval er kinderen uit de relatie worden geboren of anderszins worden opgenomen in het gezin
      0 Geschilbeslechtingsregeling
      0 Regeling voor de weduwe/weduwnaar die gaat samenwonen i.v.m. mogelijk definitief verlies ANW rechten
      0 Wederzijdse volmacht verlening voor niet-vermogensrechtelijke handelingen (‘levenstestament’)
      0 Regeling over de vorm waarin wijziging van (bepaalde afspraken in) de samenlevingsovereenkomst dient plaats te vinden, bijv. alleen bij notariële akte
      0 Overige bedingen, namelijk………………………………………………………………………………………………………………
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Inhoud samenlevingsovereenkomsten:

      Vraag 1
      Geef aan welke bepalingen het door u meest gebruikte model bevat. Meerdere antwoorden zijn mogelijk, s.v.p. aankruisen wat van toepassing is.
      0 Definitie van het begrip ‘kosten van de huishouding’
      0 Definitie van het begrip ‘inkomen’ en ‘vermogen’
      0 Regeling betreffende kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Vervalbeding verrekenplicht kosten van de gemeenschappelijke huishouding
      0 Regeling betreffende de eigendom van (gemeenschappelijke) goederen
      0 Bewijsregeling eigendom
      0 Regeling vergoedingsrechten analoog aan art. 1:87 BW
      0 Regeling betreffende de gezamenlijk bewoonde (huur- of koop) woning
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – periodiek
      0 Regeling betreffende verrekening inkomen/vermogen – finaal
      0 Betalingsregeling bij verrekenbedingen
      0 Maximering verrekenplicht bij verrekenbedingen ter zake van inkomen en/of vermogen
      0 Regeling betreffende premies levensverzekering
      0 Regeling voor en/of-bankrekeningen
      0 Een verblijvingsbeding
      0 Een overnamebeding (naast of in plaats van een eventueel verblijvingsbeding)
      0 Regeling alimentatie na verbreken relatie
      0 Regeling betreffende voortzetting bewoning na verbreken relatie
      0 Regeling wederzijdse zorgverplichting
      0 Regeling nabestaandenpensioen (aanwijzing als gerechtigde tot partnerpensioen en/of verplichting om afstand te doen van nabestaandenpensioen bij verbreken relatie)
      0 Verevening of verrekening ouderdomspensioen
      0 Regeling betreffende inbreng van eigen geld bij aankoop woning
      0 Staat van aanbreng
      0 Regeling over het einde van het contract door beëindiging van de relatie, incl. een eventuele regeling over de hierboven genoemde deelonderwerpen
      0 Regeling bij onvrijwillig eindigen van de relatie of samenwoning, bijvoorbeeld door opname in verpleeginrichting
      0 Regeling ingeval er kinderen uit de relatie worden geboren of anderszins worden opgenomen in het gezin
      0 Geschilbeslechtingsregeling
      0 Regeling voor de weduwe/weduwnaar die gaat samenwonen i.v.m. mogelijk definitief verlies ANW rechten
      0 Wederzijdse volmacht verlening voor niet-vermogensrechtelijke handelingen (‘levenstestament’)
      0 Regeling over de vorm waarin wijziging van (bepaalde afspraken in) de samenlevingsovereenkomst dient plaats te vinden, bijv. alleen bij notariële akte
      0 Overige bedingen, namelijk………………………………………………………………………………………………………………
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 2
      Hoeveel modellen samenlevingsovereenkomsten worden met enige regelmaat gebruikt op uw kantoor? Hieronder wordt ook verstaan hoeveel wezenlijk van elkaar verschillende varianten van een model met enige regelmaat worden gebruikt.
      A) 1
      B) 2
      C) 3
      D) 4 of meer

      Vraag 3
      Waarin verschillen deze modellen/varianten met name van elkaar?*
      A) Niet van toepassing, ons kantoor heeft één standaard model
      B) Wel of geen verrekenbeding
      C) Wel of geen regeling betreffende alimentatie aan het einde van de relatie
      D) Wel of geen wederzijdse zorgverplichting
      E) Wel of geen regeling betreffende partnerpensioen
      F) Wel of geen verblijvingsbeding
      G) Anders, namelijk ……………………………………………………………………………………………………………………………..
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….
      * U kunt hier meerdere antwoorden aankruisen

      Gang van zaken bij het aangaan van een notariële samenlevingsovereenkomst:

      Vraag 4
      Kunt u aangeven wat volgens u voor cliënten de aanleiding is om een samenlevingscontract op te laten stellen? Graag met de cijfers 1-4 aangeven in volgorde van meest voorkomend
      (1) naar minst voorkomend (4).
      ___ Aanschaffen gezamenlijke woning
      ___ De geboorte van een kind
      ___ Samenwonen van de partners
      ___ Anders, namelijk …………………………………………………………………………………………………………………………..
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 5
      Kunt u aangeven wat volgens u voor cliënten de redenen zijn om een samenlevingscontract op te laten stellen? Graag met de cijfers 1-8 aangeven in volgorde van meest voorkomend
      (1) naar minst voorkomend (8).
      ___Het treffen van een regeling voor elkaar
      ___Fiscaal voordeel behalen; het samenlevingscontract is een vereiste om in aanmerking te komen voor bepaalde fiscale regelingen zoals de partnervrijstelling
      ___ Duidelijkheid wat betreft de financiën (huishoudpot, aandeel woning, privé eigendommen)
      ___Om te zijner tijd aanspraak te kunnen maken op nabestaandenpensioen (partnerpensioen)
      ___Het biedt duidelijkheid op het moment dat de relatie verbroken wordt
      ___ Besparing van erfbelasting
      ___ De positie van de langstlevende partner in het erfrecht goed regelen
      ___ Andere reden(en), namelijk ………………………………………………………………………………………………..........
      ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 6
      Wordt er voorafgaand aan een gesprek met de cliënten een vragenlijst met toelichting opgestuurd die de cliënten dienen in te vullen en mee te nemen naar het gesprek?
      Ja/nee*
      Anders ……………………………………………………………………………………………………………………………………………….
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..
      *Doorhalen wat niet van toepassing is

      Vervolg ‘Inhoud samenlevingscontracten’:

      Vraag 7
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten die op uw kantoor worden opgemaakt is een regeling betreffende de verrekening van inkomsten en/of vermogen opgenomen?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 8
      Als een verrekenbeding terzake van inkomsten en/of vermogen in een samenlevingscontract wordt opgenomen, op wiens voorstel gebeurt dat?
      A) Cliënten (hieronder valt ook de situatie dat de cliënten niet zelf met een verrekenbeding aan komen, maar wel zelf aangeven dat ze samen financieel willen delen)
      B) Notaris
      C) Anders, namelijk………………………………………………………………………………………………...............................
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 9
      Wat is het beleid in uw praktijk om een verrekenbeding terzake van inkomsten en/of vermogen in een samenlevingscontract op te nemen? Wat is/zijn een belangrijke indicator(en) voor u als notaris om een dergelijk beding op te nemen? ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 10
      In hoeveel gevallen wordt de verrekenplicht ingevolge het verrekenbeding in de samenlevingsovereenkomst afhankelijk gesteld van een carrièrebreuk bij één van de partners, bijvoorbeeld vanwege de komst van kinderen of invaliditeit?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 11
      Als cliënten zelf met het voorstel komen een verrekenbeding terzake van inkomsten en/of vermogen op te nemen/samen vermogen te willen opbouwen en delen, wat is daarvoor de meest voorkomende reden voor de cliënten?………….
      …………………………….……………………………………………………………………… ………………………..........…………………….…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 12
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten wordt er op kantoor een regeling over partneralimentatie opgenomen?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 13
      Wanneer een regeling over partneralimentatie wordt opgenomen, wordt dan aangesloten bij het alimentatierecht voor gehuwden of heeft uw kantoor een specifieke regeling voor ongehuwde samenwoners?
      A) Aansluiting bij regeling gehuwden
      B) Specifieke regeling van kantoor
      C) Anders, namelijk
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 14
      Als een regeling over partneralimentatie voor de ongehuwd samenlevende partner in een samenlevingscontract wordt opgenomen, op wiens voorstel gebeurt dat?
      A) Cliënten (hieronder valt ook de situatie dat de cliënten niet zelf met een regeling over partneralimentatie aankomen, maar wel zelf aangeven dat ze voor de behoeftige partner na de relatie een regeling willen treffen)
      B) Notaris
      C) Anders, namelijk……………………………………………………………………………………………….................................
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 15
      Wat is het beleid in uw praktijk om een regeling over partneralimentatie in een samenlevingscontract op te nemen? Wat is/zijn een belangrijke indicator(en) voor u als notaris om een dergelijk beding op te nemen? ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………...…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 16
      Als cliënten zelf met het voorstel komen een regeling betreffende partneralimentatie op te nemen, wat is daarvoor de meest voorkomende reden voor de cliënten?
      ………………………………………………………
      ………………………………….............................................................................................................................
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 17
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten wordt er op kantoor een verblijvingsbeding opgenomen?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 18
      Als een verblijvingsbeding in een samenlevingscontract wordt opgenomen, op wiens voorstel gebeurt dat?
      A) Cliënten (hieronder valt ook de situatie dat de cliënten niet zelf met een verblijvingsbeding aankomen, maar wel zelf aangeven dat ze voor de situatie na overlijden een regeling willen treffen)
      B) Notaris
      C) Anders, namelijk……………………………………………………………………………………………………………………………..
      ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 19
      Wat is het beleid in uw praktijk om een verblijvingsbeding in een samenlevingscontract op te nemen? Wat is/zijn een belangrijke indicator(en) voor u als notaris om een dergelijk beding op te nemen? ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

      Vraag 20
      Als cliënten zelf met het voorstel komen een verblijvingsbeding op te nemen/samen vermogen te willen opbouwen en delen, wat is daarvoor de meest voorkomende reden voor de cliënten?……………
      …………………………..………………………………………………..........…………………………………………………………………………………………………………………………………………………….………………………………………………………………………………

      Vraag 21
      Wordt in uw model geregeld dat het verblijvingsbeding terugtreedt als de samenwoners kwalificeren in de zin van partners voor de Successiewet en een testament hebben?
      A) Ja
      B) Nee

      Vraag 22
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten wordt er op kantoor een regeling over pensioenaanspraken (nabestaanden-en/ of ouderdomspensioen) opgenomen?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 23
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten wordt er op kantoor een regeling over pensioenaanspraken (nabestaanden-en/ of ouderdomspensioen) opgenomen en daarbij pensioenverevening/verrekening afgesproken?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 24
      In hoeveel van de 100 samenlevingsovereenkomsten wordt er op kantoor een regeling over pensioenaanspraken (nabestaanden-en/ of ouderdomspensioen) opgenomen en daarbij de verplichting opgelegd om het nabestaandenpensioen weer “in te leveren” bij het einde van de relatie?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Vraag 25
      Als een regeling over pensioenaanspraken (nabestaandenpensioen en/of ouderdomspensioen) in een samenlevingscontract wordt opgenomen, op wiens voorstel gebeurt dat?
      A) Cliënten (hieronder valt ook de situatie dat de cliënten niet zelf met een regeling over pensioenaanspraken aankomen, maar wel zelf aangeven dat ze op dit punt een voorziening willen treffen)
      B) Notaris
      C) Anders, namelijk……………………………………………………………………………………………………………………………..
      ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 26
      Wat is het beleid in uw praktijk om een regeling over pensioenaanspraken in een samenlevingscontract op te nemen? Wat is/zijn een belangrijke indicator(en) voor u als notaris om een dergelijk beding op te nemen? ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 27
      Als cliënten zelf met het voorstel komen een regeling over pensioenaanspraken op te nemen, wat is daarvoor de meest voorkomende reden voor de cliënten?
      …………………………………………………………..... ..…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 28
      Als een regeling over inbreng van eigen geld bij aankoop van een eigen woning in een samenlevingscontract wordt opgenomen, op wiens voorstel gebeurt dat?
      A) Cliënten (hieronder valt ook de situatie dat de cliënten niet zelf met een regeling over inbreng van eigen geld aankomen, maar wel zelf aangeven dat ze op dit punt een voorziening willen treffen)
      B) Notaris
      C) Anders, namelijk……………………………………………………………………………………………………………………………..
      ……………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Vraag 29
      Wat is het beleid in uw praktijk om een regeling over de inbreng van eigen geld bij de aankoop van goederen in een samenlevingscontract op te nemen? Wat is/zijn een belangrijke indicator(en) voor u als notaris om een dergelijk beding op te nemen? ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

      Vraag 30
      Wanneer een regeling over de inbreng van eigen geld bij de aankoop van goederen wordt opgenomen in een samenlevingscontract, wat is de meest geadviseerde regeling (bijv. beleggingsleer of nominaliteitsleer)? ………………………………………………………………………………………………………………………………
      ………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 31
      Als voor de nominaliteitsleer wordt gekozen, wordt dan ook rekening gehouden met de gevolgen van een waardedaling voor de andere partner (restschuld!)?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 32
      Als cliënten zelf met het voorstel komen een regeling over inbreng van eigen geld bij de aankoop van goederen op te nemen, wat is daarvoor de meest voorkomende reden voor de cliënten? ………………………………………………………
      ..…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………….

      Vraag 33
      In hoeveel van de 100 gevallen waarin partners een samenlevingsovereenkomst opstellen wordt er op uw kantoor naast een samenlevingsovereenkomst ook voor beide partners een testament opgesteld?*
      A) 0-5
      B) 6-20
      C) 21-35
      D) 36-50
      E) 51-70
      F) 71-85
      G) 86 of meer
      * Graag schatting aangeven

      Algemeen:

      Vraag 34
      Zijn (aanstaande) samenwoners zich vóór het gesprek met de notaris bewust van het feit dat het samenwonen op zich in vermogensrechtelijke zin in het algemeen niet tot rechten ten opzichte van elkaar leidt?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 35
      Zijn (aanstaande) samenwoners zich vóór het gesprek met de notaris ervan bewust dat het hebben van een samenlevingscontract fiscale en andere voordelen (erfbelasting e.d.) met zich kan brengen?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 36
      Zijn de (aanstaande) samenwoners zich vóór het gesprek met de notaris ervan bewust dat het niets overeenkomen mbt de draagplicht van de kosten van de huishouding cq ingeval van meerinbreng in gemeenschappelijk vermogen bij verbreking van de samenwoning tot claims kunnen leiden?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 37
      Hoe vaak komt het voor dat zich een cliënt meldt in uw praktijk voor wie het ontbreken van een samenlevingsovereenkomst problemen veroorzaakt, bijvoorbeeld in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap of bij het verbreken van de relatie?
      A) In meer dan 2/3e van de gevallen wel
      B) In meer dan 1/3e van de gevallen wel, doch in niet meer dan 2/3e van de gevallen
      C) In meer dan 2/3e van de gevallen niet

      Vraag 38
      Waar bevindt het kantoor waar u werkzaam bent zich?
      I)
      A) in een gemeente met een inwoneraantal tot 10.000
      B) in een gemeente met een inwoneraantal tussen de 10.000-40.000
      C) in een gemeente met een inwoneraantal tussen de 40.000-80.000
      D) in een gemeente met een inwoneraantal tussen de 80.000 – 125.000
      E) in een gemeente met een inwoneraantal boven de 125.000
      II)

      Regio:
      A) West : Noord- en Zuid-Holland
      B) Noord : Groningen, Friesland, Drenthe
      C) Zuid : Zeeland, Brabant en Limburg
      D) Oost : Overijssel en Gelderland
      E) Midden : Flevoland en Utrecht

      Vraag 39
      Hoeveel (kandidaat-)notarissen en universitair afgestudeerde notarieel juristen telt uw kantoor? Graag aangeven per kantoor, inclusief alle vestigingen.
      Aantal notarissen: ……
      Aantal kandidaat-notarissen: ……
      Overig aantal universitair afgestudeerde juristen: ……

      Vraag 40
      Wat is het aandeel familierechtzaken ten opzichte van het totaal aantal zaken in uw kantoor (procentueel gezien)? *
      A) 0-25 %
      B) 25-50 %
      C) 50-75%
      D) 75% of meer
      * Graag schatting aangeven

      Eventuele andere opmerkingen die van belang kunnen zijn voor ons onderzoek:
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
      …………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

      Hartelijk dank voor uw medewerking!

      Einde van de enquête

    Noten

    • 1 CBS StatLine, Serie Huishoudens; grootte, samenstelling, positie in het huishouden.

    • 2 CBS StatLine, Serie Huwen en partnerschapsregistraties; kerncijfers.

    • 3 W.M. Schrama, ‘Een lex specialis voor ongehuwde samenlevers’, FJR 2012, pp. 242-248.

    • 4 CBS Statline, Tabellen geboorte naar kenmerken.

    • 5 W.M. Schrama, De niet-huwelijkse samenleving in het Nederlandse en Duitse recht, Deventer: Kluwer 2004, pp. 21-34.

    • 6 J. Latten, ‘De schone schijn van de burgerlijke staat’, Bevolkingstrends 4e kwartaal 2004, pp 46-60. A. de Graaf, ‘Gezinnen in cijfers’, in: Gezinsrapport 2011, Den Haag: SCP, pp. 45-46. http://statline.cbs.nl.

    • 7 Onderzoek Gezinsvorming 2008 van het CBS.

    • 8 W.M. Schrama, ‘Een redelijk en billijk relatierecht’, TPR 2010, pp. 1723-1724.

    • 9 K. Boele-Woelki, I. Curry-Sumner, M. Jansen & W.M. Schrama, Huwelijk of geregistreerd partnerschap?, Deventer: Kluwer 2007, pp. 210-211.

    • 10 J. Latten, ‘Trends in samenleven en trouwen: informalisering en de schone schijn van burgerlijke staat’, in: C. Forder & A. Verbeke (red.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 26. Vgl. M.V. Antokolskaia, B. Breederveld, J.E. Hulst, W.D. Kolkman, F.R. Salomons & L.C.A. Verstappen, Koude Uitsluiting.Materiële problemen onbillijkheden na scheiding van in koude uitsluiting gehuwde echtgenoten en na scheiding van ongehuwde samenlevende partners, alsmede instrumenten voor de overheid om deze tegen te gaan, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, nr. 3.7.3.

    • 11 J. Latten, ‘Trends in samenleven en trouwen: informalisering en de schone schijn van burgerlijke staat’, in: C. Forder, A. Verbeke (red.), Gehuwd of niet: maakt het iets uit?, Antwerpen: Intersentia 2005, p. 26.

    • 12 A. de Graaf, ‘Steeds meer samenwoners hebben een samenlevingscontract’, Webmagazine woensdag 10 februari 2010.

    • 13 A. de Graaf, ‘Steeds meer samenwoners hebben een samenlevingscontract’, Webmagazine woensdag 10 februari 2010.

    • 14 W.M. Schrama, ‘Kosten van de huishouding’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar,Relatierecht 2014, pp. 1995-2003.

    • 15 W.M. Schrama, ‘Kosten van de huishouding’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar, Relatierecht 2014, pp. 1995-2003.

    • 16 Zie uitgebreid: Schrama 2004, pp 124-166. Zie ook W.M. Schrama, ‘The Dutch approach to informal lifestyles: Family function over family form?’, International Journal of Law, Policy and the Family 22, (2008), pp. 311-332.

    • 17 W.M. Schrama, ‘Verbintenisrechtelijke afwikkeling’, in: M. De Bruijn-Lückers e.a. (red.), SDU Commentaar, Relatierecht 2014, pp. 2043-22059. Vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:416.

    • 18 HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407, m.nt. S.F.M. Wortmann.

    • 19 De genoemde cijfers gelden voor 2014.

    • 20 A.M. Bouman, ‘Vrouwen na scheiding fors in koopkracht terug’, CBS Webmagazine 1 juni 2004.

    • 21 M.V. Antokolskaia, B. Breederveld, J.E. Hulst, W.D. Kolkman, F.R. Salomons & L.C.A. Verstappen 2011.

    • 22 Vgl. de uiteenzetting van de mogelijkheden door L.C.A. Verstappen, ‘Afrekenen van meerinbreng bij mede-eigendomsverhoudingen’, WPNR 6814/2009, p. 791 e.v..

Citation format

Would you like to cite an article from Family & Law? You can do so using this format:

Frederik Swennen, Contractualisation of Family Law in Continental Europe, F&L July - September 2013, DOI: 10.5553/FenR/000008. www.familyandlaw.eu/doi/10.5553/FenR/.000008 (Last accessed: …)


Print this article