About this search function

You can search through the full text of all articles by filling in your search term(s) in the search box. If you press the ‘search’ button, search results will appear. This page contains filters, which can help you to quickly find the article you are looking for. At the moment, there are two different filters: category and year.

Citeerwijze van dit artikel:
Ulrike Cerulus and Charlotte Mol, ‘Studiedag ‘Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’’, Family & Law 2016, april-juni, DOI: 10.5553/FenR/.000026

DOI: 10.5553/FenR/.000026

Family & LawAccess_open

Article

Studiedag ‘Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Ulrike Cerulus and Charlotte Mol, 'Studiedag ‘Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’', Family & Law May 2016, DOI: 10.5553/FenR/.000026

Dit artikel wordt geciteerd in

    • I. Inleiding

      1. Steeds meer kinderen groeien op in een nieuw samengesteld gezin. Een dergelijk gezin ontstaat wanneer een van beide ouders, of beide ouders, een nieuwe relatie aangaan met een partner die zelf geen juridische ouder is van het kind. Daarbij rijst de vraag hoe de kinderen deze wijziging in gezinssamenstelling ervaren en welke functie de verschillende betrokkenen, zoals de ouders, de school en juridische en pedagogische professionals, hierbij vervullen. Deze vraag stond centraal tijdens een studiedag georganiseerd door het Universitair Centrum Sint Ignatius Antwerpen op 29 september 2015 te Antwerpen. Daar werd het ontstaan van een nieuw samengesteld gezin na echtscheiding vanuit verschillende invalshoeken belicht.

    • II. Verschillende invalshoeken

      a. Sociaal-economisch

      2. Eerst werd de opvoedingssituatie van kinderen vanuit sociaal-economisch standpunt geschetst door prof. Dimitri Mortelmans van de Universiteit Antwerpen. Zijn kwantitatieve onderzoek toont aan dat steeds minder kinderen opgroeien binnen een huwelijk. Ongeveer veertig procent van de kinderen werd in 2009 geboren uit een ongehuwde moeder. Bovendien leven steeds minder kinderen samen met hun beide ouders. Deze vaststelling kadert in de evolutie naar meer eenoudergezinnen. Opvallend is dat bij twee derde van de echtscheidingen kinderen betrokken zijn. Een gevolg daarvan is dat ongeveer een op de tien kinderen van nul tot zeventien jaar gescheiden ouders heeft. Kortom kan worden besloten dat echtscheiding een belangrijke vorm van gezinstransitie uitmaakt. Gezinshersamenstelling veronderstelt dat een of beide ouders een nieuwe relatie aangaan. Deze stap wordt aangeduid met de term ‘herpartneren’. Ongeveer tachtig procent van de gescheiden mannen en vrouwen knoopt een nieuwe relatie aan. Dit percentage daalt voor vrouwen met kinderen. Ongeveer zeventig procent van de gescheiden mannen en vrouwen gaat ook daadwerkelijk samenwonen met zijn of haar nieuwe partner; slechts twintig procent treedt opnieuw in het huwelijk. Opvallend is dat bij een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling de kansen voor zowel de man als de vrouw op een nieuwe partner even hoog zijn. De cijfers tonen ook aan dat deze nieuwe relaties stabiel zijn over een langere periode. Niettemin moet worden vastgesteld dat een scheiding van de ouders en een daaropvolgende gezinstransitie de economische situatie van kinderen, alsook hun welzijn, beïnvloedt. Afhankelijk van de aanwezigheid van een aantal risicofactoren, zoals ouderlijke conflicten en beschermende factoren, zoals het inkomen en het opleidingsniveau van de ouders, kan de economische toestand en het welzijn van het kind verslechteren. Een hoger opleidingsniveau met daaraan gekoppeld een hoger inkomen, helpt de kinderen om beter door de echtscheiding heen te komen. De persoonlijkheid van het kind speelt ook een rol.

      b. Juridisch

      3. Vervolgens werd de situatie van gescheiden ouders en kinderen toegelicht vanuit juridisch oogpunt door prof. Frederik Swennen van de Universiteit Antwerpen. Daarbij werd vanuit twee luiken gewerkt.

      4. Het eerste luik betrof de rechtzetting van een aantal misverstanden omtrent de echtscheiding. Zo is de gedachte dat een gelijkmatig verdeelde verblijfsregeling automatisch wordt opgelegd, incorrect. Uitsluitend wanneer beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en één van hen erom verzoekt, zal de rechter onderzoeken of een gelijkmatig verdeeld verblijf de meest passende oplossing is (art. 374, §2, 2de lid Belgische BW). Daaraan gekoppeld bestaat het misverstand dat geen onderhoudsbijdrage verschuldigd is wanneer tot een gelijkmatig verdeeld verblijf wordt beslist. Hoewel de verblijfsregeling een rol speelt bij de beoordeling van de bijdragen van de ouders in de opvoedingskosten, verhindert een gelijkmatige verblijfsregeling niet dat een onderhoudsbijdrage moet worden betaald. De bijdrage van elke ouder staat immers in verhouding tot diens aandeel in de samengevoegde middelen van de ouders. Een derde misvatting is dat de minderjarige vanaf twaalf jaar zelf zou kunnen beslissen bij wie hij of zij woont. In beginsel zijn het de ouders die in onderling akkoord een verblijfsregeling uitwerken. Bij gebreke daarvan wordt een verblijfsregeling opgelegd door de rechter. In het kader van deze gerechtelijke procedure beschikt de minderjarige vanaf twaalf jaar enkel over het recht om te worden gehoord over de verblijfsregeling (art. 1004/1 Belgische Gerechtelijk Wetboek, hierna: Ger.W.).

      5. In het tweede luik van de uiteenzetting werd vastgesteld dat de juridische omkadering van de opvoedingssituatie van kinderen na een gezinstransitie afhankelijk is van de relatievorm van hun ouders.
      Met name de afspraken die ouders maken over hun kinderen bij een gezinstransitie zijn al dan niet verplicht, afhankelijk van hun samenlevingsvorm. Zo zijn gehuwde ouders die ingevolge een echtscheiding door onderlinge toestemming uit de echt willen scheiden, verplicht om een ouderschapsplan te maken (art. 1288, 1ste lid Ger.W.) aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en de onderhoudsbijdrage voor de kinderen. Een dergelijke verplichting ligt niet voor wanneer een beroep wordt gedaan op de echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting of wanneer (wettelijk geregistreerde) samenwonende ouders hun relatie beëindigen. Eventueel gemaakte afspraken kunnen in alle gevallen wel steeds opnieuw voor de familierechtbank worden gebracht. Bovendien is het feit dat in België een stiefouder ingevolge een gezinstransitie niet beschikt over ouderlijk gezag problematisch bij het maken van afspraken over de opvoeding van de kinderen. In het algemeen kan een kind naar Belgisch recht immers slechts twee ouders hebben die titularis zijn van het ouderlijk gezag.
      De inspraak van het kind zelf in de gezinstransitie is ook gekoppeld aan de relatievorm van de ouders. Zo is het kind geen partij in de procedure voor de rechter, aangezien de beide ouders tegenover elkaar staan en het geheel gebaseerd is op het ‘win-lose’ principe. Volgens Swennen zou het daarentegen beter zijn om de procedure niet partijgericht op te vatten, maar wel het kind centraal te stellen over wie de rechter zich dan zal moeten uitspreken. Kinderen beschikken naar huidig Belgisch recht evenmin over een advocaat of een voogd ad hoc in deze gerechtelijke procedure. Wel kunnen ze worden gehoord vanaf twaalf jaar (art. 1004/1 Ger.W.). Al kan worden vastgesteld dat scheidende ouders dit hoorrecht soms misbruiken en het kind dwingen om verklaringen af te leggen. De mogelijkheid tot een maatschappelijk onderzoek helpt de rechter om de opvoedingssituatie te beoordelen op een bepaald ogenblik, maar bestaat niet als vorm van nazorg.

      c. Pedagogisch-psychologisch

      6. De pedagogisch-psychologische invalshoek van gezinstransities werd behandeld door Claire Wiewauters van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen (Odisee). Mevrouw Wiewauters vertrekt vanuit de vaststelling dat de aanwezigheid van een gezin voor de ontwikkeling van een kind zeer belangrijk is. Het gezin zorgt immers voor basisveiligheid en basisvertrouwen, wat de nodige energie levert voor het kind om zich te ontwikkelen. Een scheiding tussen de ouders heeft een aantal negatieve gevolgen.
      Ten eerste zorgt een scheiding ervoor dat het gezin, als systeem waarin ieder zijn rol en plaats heeft, uit balans raakt. Een gezinstransitie en de overgang naar een nieuwe gezinssamenstelling vereist dan ook dat elk gezinslid opnieuw zijn eigen plaats zoekt.
      Ten tweede wordt de loyaliteit van kinderen jegens hun beide ouders op de proef gesteld, zodat een innerlijk conflict bij het kind ontstaat. Kinderen willen immers beide ouders liefhebben, die evenwel elkaar niet meer liefhebben. Dit loyaliteitsconflict wordt nog verhoogd door de komst van een nieuwe partner. Daarbij vormt het een uitdaging voor de wetgever om het bestaan van deze loyaliteiten naast elkaar in rechte te erkennen. Geenszins mogen de loyaliteiten tegenover elkaar komen te staan doordat bijvoorbeeld de rol van de stiefouder juridisch wordt ingevuld als zijnde de vervanger van de andere ouder.
      Ten derde worden kinderen ingevolge een scheiding geconfronteerd met verlies en maken ze een rouwproces door, dat hun veerkracht onder druk zet. Het duurt daarbij ongeveer twee à drie jaar voordat kinderen hun veerkracht hebben teruggevonden.

      7. Wat het herstel van deze veerkracht betreft, is volgens spreekster vereist dat het kind verbonden is met zichzelf, met zijn ouders en met zijn omgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke noden en behoeften, al naargelang de leeftijd van het kind. Een kind is verbonden met zichzelf wanneer wordt geluisterd naar zijn gevoelswereld en verhalen. Het kind moet geïnformeerd worden over de scheiding, maar moet ook gehoord worden. Zeer belangrijk is de verbinding van het kind met zijn beide ouders. Hier is een cruciale rol weggelegd voor de verblijfsregeling, die moet toelaten dat het kind ruimte krijgt om contact te hebben met zijn ouders bij wie het steun en controle kan vinden. Het is daarbij noodzakelijk dat de verblijfsregeling verscheidene malen wordt geherevalueerd in functie van de evolutie van het kind. Eveneens belangrijk voor het herstel van de veerkracht is dat het kind met zijn omgeving is verbonden, doordat het contact heeft met lotgenoten en zijn ervaringen kan delen.
      Wiewauters besluit dat alle voornoemde vaststellingen vereisen dat justitie en hulpverleners, zoals pedagogen, psychologen en artsen, nauwer samenwerken om elkaar te versterken. Daarbij moet worden ingezet op bemiddeling en alternatieve geschillenbeslechting waarin het kind een duidelijke stem krijgt.

      d. Praktisch

      8. Tot slot werden vanuit de praktijk van het Kinderrechtencommissariaat door Bruno Vanobbergen nog een aantal aanbevelingen geformuleerd, vertrekkende vanuit knelpunten die zich op verscheidene tijdstippen in het conflict kunnen voordoen.

      9. Zo is het opvallend dat het noch voor de ouders noch voor de kinderen duidelijk is waar ze terecht kunnen alvorens het conflict escaleert. Bovendien is een bemiddelingsaanbod niet standaard.
      Kan een conflict evenwel niet worden voorkómen, dan toont de praktijk van het Kinderrechtencommissariaat aan dat de rol van de school en de kinderopvang te weinig ondersteund wordt. Het zijn nochtans de leerkrachten die dagelijks met het kind in contact komen. Ook de wijze waarop kinderen worden gehoord in gerechtelijke procedures is problematisch. Dit geldt voornamelijk voor kinderen jonger dan twaalf jaar, aangezien de rechter niet verplicht is hen te horen. Tevens rijst de vraag hoe vermoedens van geweld tussen een ouder en een kind kunnen worden vastgesteld in deze gerechtelijke procedures. In dat kader is voornamelijk de beschikbaarheid van deskundigen een knelpunt, aangezien lange wachttijden nefast zijn voor conflictueuze situaties. Daarenboven is de opleiding van gerechtsdeskundigen niet voldoende gericht op het werken met kinderen en jongeren.
      Ook na de beëindiging van het conflict doen zich knelpunten voor. Zo is de opleiding van de betrokken actoren te weinig kindspecifiek en zijn er lange wachttijden in de bezoekruimtes en kamers voor minnelijke schikking. Bovendien is de instemming vereist van beide ouders om professionele hulp te bekomen, zodat een probleem rijst wanneer één ouder zijn medewerking weigert.

      10. Bovenvermelde knelpunten kunnen volgens Vanobbergen worden verholpen door onder meer in te zetten op bemiddeling, ondersteuning van specifieke organisaties, zoals Kinderen uit de Knel, en de invoering van een familiegroeps- en/of ouderschapsplan. Wat dit laatste betreft, is van belang dat het ouderschapsplan flexibel is en een grote betrokkenheid van de kinderen bij de opstelling ervan wordt gewaarborgd. Daarentegen kan de plaatsing van een kind slechts een noodoplossing vormen.
      De knelpunten die zich voordoen na de beëindiging van het conflict kunnen worden verholpen door professionals meer informatie te verschaffen en door meer aandacht te schenken aan alternatieve geschillenbeslechting, zoals bemiddeling. Meer algemeen meent Vanobbergen dat de aanstelling van een Vlaamse scheidingsambtenaar wenselijk is. Deze ambtenaar zou moeten waken over een gecoördineerd beleid inzake de echtscheiding, vermits meerdere instellingen en personen tegelijkertijd worden geconfronteerd met de juridische gevolgen van scheidende ouders. Hierbij kan worden gedacht aan het onderwijs, de politie en de gezondheidszorg. De Vlaamse justitiehuizen zouden bovendien informatie kunnen geven en advies kunnen verstrekken.

    • III. Nederlandse ervaringen

      a. Juridische overwegingen

      11. De ervaringen met het ouderschapsplan in Nederland werden vanuit juridisch oogpunt uiteengezet door dr. Christina Jeppesen de Boer van het Utrecht Centre for European Research into Family Law, Universiteit Utrecht. In het Nederlandse rechtsstelsel werd het ouderschapsplan reeds vijf jaar geleden ingevoerd. Sindsdien zijn gehuwde of geregistreerd samenwonende ouders met of zonder gezamenlijk gezag, alsook samenwonende ouders met gezamenlijk gezag die uit elkaar gaan, verplicht een ouderschapsplan op te stellen voor de opvoeding en verzorging van hun minderjarige kinderen (art. 1:247, 4de en 5de lid Nederlandse BW). Het ouderschapsplan vormt een ontvankelijkheidsvereiste bij een verzoek tot echtscheiding en bevat in ieder geval afspraken over de verzorgings- en opvoedingstaken van de ouders, over hun plicht om elkaar te informeren en te raadplegen over belangrijke opvoedingsbeslissingen, alsook afspraken over het onderhoudsgeld voor de kinderen.

      12. De wetgever beoogde met het ouderschapsplan vier doelstellingen te bereiken: het verminderen van de scheidingsproblematiek, het bevorderen van de gelijkwaardigheid en betrokkenheid van beide ouders, het aanzetten van deze ouders tot het maken van concrete afspraken, alsook het voorkómen van vervolgprocedures door dergelijke duurzame afspraken. Onmiddellijk rezen evenwel in de rechtsleer een aantal punten van kritiek omtrent het ouderschapsplan. Deze zijn zowel van praktische als van juridische aard.
      Omtrent de praktische invulling van het ouderschapsplan kon worden vastgesteld dat de wetgever onder andere nagelaten heeft te bepalen voor welke kinderen een plan moet worden opgesteld, waarover de ouders precies afspraken moeten maken en hoe ze het kind in deze afspraken moeten betrekken.
      Vanuit juridisch standpunt kwamen voornamelijk vier pijnpunten naar voren. Zo werd de vraag gesteld of de wetgever ouders wel kan verplichten tot het maken van afspraken over de uitoefening van het ouderschap na echtscheiding. Ook werd geopperd dat het instellen van het ouderschapsplan als ontvankelijkheidsvereiste voor een formele echtscheiding, mogelijks strijdig is met het recht op toegang tot de rechter, zoals beschermd door art. 6 EVRM. Een andere bekommernis betrof de draagwijdte van de rechterlijke toetsingsbevoegdheid met betrekking tot het ouderschapsplan. Ten slotte rees de vraag of een dergelijk plan wel in het bestaande echtscheidingsprocesrecht past. Een evaluatie van vijf jaar toepassing van het ouderschapsplan laat toe te besluiten dat veel onduidelijkheden grotendeels verholpen zijn, alsook dat er geen problemen werden vastgesteld met betrekking tot het recht op toegang tot de rechter. Bovendien is er een opmerkelijk positieve houding bij advocaten, rechters en bemiddelaars tegenover het ouderschapsplan. Niettemin moet worden opgemerkt dat het doctoraal onderzoek van M. Tomassen-van der Lans aantoont dat de doelen van de wetgever niet worden bereikt. Zo is de echtscheidingsproblematiek niet verminderd, noch is er sprake van minder vervolgprocedures. Men spreekt tegenwoordig zelfs van ‘vechtscheidingsproblematiek’.

      b. Sociologische overwegingen

      13. De heer Ed Spruijt is scheidingsonderzoeker in Nederland en belichtte de sociaalwetenschappelijke bevindingen met betrekking tot het ouderschapsplan. Zijn onderzoek toont aan dat scheidingskinderen kunnen worden geconfronteerd met externaliserende en internaliserende problemen,1xDaarmee wordt gedoeld op gedrag van kinderen dat ofwel voor de omgeving last veroorzaakt, zoals vandalisme (externaliserend), ofwel voor het kind zelf, zoals een depressie (internaliserend). schoolproblemen, loyaliteitsconflicten, enzovoort. Een zeer grote risicofactor daarbij vormen de chronische ouderlijke conflicten. Uit de meest recente cijfers (2009-2013) blijkt dat ouders in de opvatting van kinderen vaker ruzie maken dan voor de scheiding. Dergelijke ouderlijke conflicten zorgen voor een slechte thuissituatie met alle gevolgen van dien voor de opvoeding van het kind. Ook maatschappelijke factoren, zoals de nadruk op de individualisering en de gewijzigde economische omstandigheden van ouders, dragen bij tot het ontstaan van slechte opvoedingssituaties. Daaraan is het wetgevende kader evenmin vreemd. De nadruk op de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag door de wetgever heeft tot gevolg dat elke ouder zijn rechten opeist met betrekking tot het kind. Een dergelijke regeling werkt conflict verhogend. In het licht van deze redenering is het eveneens problematisch dat na echtscheiding het ouderschap gelijkwaardig dient te zijn, terwijl het dit mogelijkerwijze niet was vóór de echtscheiding.

      14. Om het hoofd te bieden aan deze problemen waarmee scheidingskinderen kunnen worden geconfronteerd, heeft spreker een aantal richtlijnen geformuleerd die kunnen helpen een probleem bij het kind te voorkomen (primaire preventie) of een probleem bij het kind op te sporen (secundaire preventie), dan wel een aanwezig probleem te verhelpen (tertiaire preventie). Zo wordt voorgesteld om ouders te stimuleren tot het opstellen van een ouderschapsbelofte of stief(plus)ouderplan ter voorkoming van problemen via een fiscale beloning. Mochten er toch problemen ontstaan, dan kunnen deze volgens spreker vroegtijdig worden opgespoord, onder andere door ouders te verplichten tot minstens één counselinggesprek vóór de scheiding en door kinderen in een groep te laten spreken over hun gevoelens bij de echtscheiding. Een daadwerkelijke hulpverlening bij vastgestelde problemen vergt volgens spreker een interventie van specifieke gezinsorganisaties, zoals Kinderen uit de Knel.

      c. Suggesties voor verbetering

      15. Tot slot formuleerden beide sprekers vanuit de Nederlandse ervaringen een aantal suggesties voor verbetering die bij de mogelijke invoering van een ouderschapsplan in België nuttig kunnen zijn. Vanuit juridisch oogpunt wordt voorgesteld om ouders van minderjarige kinderen te verplichten tot echtscheidingseducatie en deelname aan een bemiddelingssessie voor zover een ouderschapsplan ontbreekt. Dit ouderschapsplan zou bovendien geen ontvankelijkheidsvereiste meer mogen uitmaken, maar in plaats daarvan een inspanningsverbintenis. Vanuit sociologisch standpunt komt het sprekers nuttig voor om ouders te begeleiden bij het opstellen van een ouderschapsplan, om meer aandacht te hebben voor de begeleiding van kinderen, alsook om meer het welzijn van de kinderen indachtig te zijn bij het opstellen van juridische adviezen. Een verduidelijking van wat ‘gelijkwaardig ouderschap’ inhoudt, is dienaangaande eveneens gewenst.

    • IV. Paneldebat met gastsprekers

      16. Ter afronding van de voormiddag, waarbij zes gastsprekers de probleemstelling van de studiedag ieder vanuit hun eigen invalshoek hebben uiteengezet, vond er nog een paneldebat plaats. Daarbij kwamen drie vragen vanuit het publiek.

      17. Een eerste vraag betrof de bekommernis van een deelnemer aangaande de houding van ouders in een echtscheiding en hun omgang met de situatie. Volgens deze deelnemer vindt het problematische gedrag van sommige scheidingskinderen zijn oorsprong in het gedrag van de ouders. Bijgevolge moet niet uitsluitend worden gefocust op de houding van kinderen en hun gevoelens maar tevens op de houding van ouders.
      Volgens Swennen is het verplichten tot een therapie dienaangaande een contradictio in terminis. Het probleem ligt volgens hem in de afschaffing van de schuldechtscheiding door de Belgische wet van 27 april 2007. Voorheen konden de scheidende partners hun eventuele wraakgevoelens jegens elkaar bekoelen door het aanduiden van een echtgenoot die schuldig was aan de echtscheiding. Niettegenstaande het schuldelement juridisch uit de echtscheidingsprocedure verdwenen is, zoeken de scheidende partners nog steeds een uitweg om hun wraakgevoelens te bekoelen. Vaak zijn de kinderen daarvan het slachtoffer. Wiewauters stemt volkomen in met de gemaakte opmerking. Er moet inderdaad aan de onderliggende problematiek bij de ouders worden gewerkt. Spruijt is eenzelfde mening toegedaan en voegt bovendien toe dat het slagen van een bemiddelingsprocedure in grote mate afhankelijk is van de bemiddelingsbereidheid van de ouders.

      18. Een tweede vraag had betrekking op de rol van het kind in een gerechtelijke procedure. Waarom heeft de Nederlandse wetgever geopteerd voor een bijzondere curator ter vertegenwoordiging van het kind, en de Belgische wetgever voor een voogd ad hoc?
      Swennen stelt dat een en ander te verklaren is doordat naar het huidig Belgisch recht een bijzondere curator uitsluitend wordt aangesteld voor een procespartij, die het kind evenwel niet is. Hetzelfde probleem doet zich voor wanneer een vertrouwenspersoon voor het kind zou optreden. De reden waarom het kind volgens Swennen best wel door een voogd ad hoc zou kunnen worden vertegenwoordigd, is gelegen in het feit dat een dergelijke voogd wordt aangesteld wanneer er zich een belangentegenstelling voordoet tussen de ouders en het kind. Bij een echtscheiding is er sprake van een dergelijke belangentegenstelling; het kind is immers geen partij, maar wel belanghebbend. De idee van een jeugdadvocaat is eveneens naar voren gekomen, maar uiteindelijk niet doorgevoerd, omdat dit te duur zou zijn wanneer alle kinderen procespartij moeten worden en door een jeugdadvocaat zouden moeten worden vertegenwoordigd. Wiewauters wenst hierbij aanvullend nog te vermelden dat het te verkiezen valt om een persoon die zich buiten de conflictueuze context van de rechtbank bevindt als vertrouwenspersoon voor kinderen te laten optreden.

      19. Een derde en laatste vraag vanuit het publiek had betrekking op problemen die ontstaan na de echtscheiding. Een deelnemer vroeg zich af wat het belang is van de vaststelling dat problemen die ná de echtscheiding ontstaan ook al vóór de echtscheiding aanwezig waren. Mortelmans illustreert het belang hiervan aan de hand van het volgende voorbeeld. Het is belangrijk om te weten of mensen die uit de echt scheiden reeds tijdens het huwelijk al minder kapitaalkrachtig waren of niet. Aangezien een scheiding financieel armer maakt, bestaat de kans dat minder kapitaalkrachtige mensen ingevolge de echtscheiding financieel nog zwakker worden.

    • V. Workshops

      20. In de namiddag werden omtrent verschillende oplossingspistes workshops georganiseerd waarbij een interactieve deelname mogelijk was. Telkens werd een bepaalde oplossing toegelicht door een of meerdere sprekers, waarna een discussie met de aanwezige deelnemers volgde. In wat volgt, zullen vier workshops worden toegelicht die de verslaggevers hebben bijgewoond.

      a. De ouderschapsbelofte: Kindwaardig ouderschap door preventie

      21. In deze workshop stond de opvoedingspiramide centraal. De opvoedingspiramide heeft als basis de ouderschapsbelofte, met daarop voortbouwend het ouderschapsplan dat wordt opgesteld bij echtscheiding en een eventueel plusouderschapsplan dat wordt opgesteld bij de vorming van een nieuw samengesteld gezin. De eerste spreker, Hans Van Crombrugge, heeft de ouderschapsbelofte in Vlaanderen onder de aandacht gebracht. In een dergelijke belofte drukken ouders bij de geboorte van hun kind publiekelijk het engagement uit om op een duurzame en verantwoorde wijze voor de opvoeding en het welzijn van het kind in te staan.

      22. Volgens de eerste spreker heeft een dergelijke belofte een grote symbolische waarde, alsook een praktische meerwaarde.
      De symbolische waarde is gelegen in de aanwezigheid van getuigen bij het uitspreken van de ouderschapsbelofte. Zo heeft ook de samenleving zich geëngageerd bij de opvoeding van het kind. De overheid van haar kant moet zich eveneens engageren door een actieve gezinsondersteuning te koppelen aan de ouderschapsbelofte. Het is de taak van de overheid om de ouders via een netwerk van professionals te ondersteunen in de opvoeding van het kind. Daarbij rijst vanuit juridisch oogpunt de vraag of de overheid daadwerkelijk kan tussenkomen in de opvoeding en hoe ver, met andere woorden, de actieve ondersteuning zich uitstrekt? Voor de concrete invulling van de ouderschapsbelofte moet worden uitgegaan van het Kinderrechtenverdrag.
      Naast een symbolische waarde, heeft de ouderschapsbelofte volgens de spreker ook een belangrijke praktische meerwaarde. Zo vormt het een aanknopingspunt waarop ouders later bij eventuele problemen kunnen worden aangesproken. De ouderschapsbelofte is daarnaast de basis van de opvoedingspiramide, omdat het een psychologische en maatschappelijke houvast biedt voor de betrokkenen in moeilijke tijden en omdat het het startpunt vormt van een eventueel ouderschapsplan en plusouderschapsplan. Bovendien maakt het de ouders bewust van hun ouderschap en de belangrijke rol die ze vervullen in de opvoeding van het kind.

      23. Voortbouwend op deze uiteenzetting benadrukte de tweede spreker, Jos Willems, dat als de ouders de scheiding op een bepaalde manier aanpakken, dit een minder negatieve impact op het kind zal hebben. Een dergelijke mentaliteitswijziging kan volgens de spreker uitsluitend tot stand worden gebracht door een ouderschapsbelofte. Evenwel is deze belofte onvoldoende in de context van een scheiding, zodat ze hernieuwd en eventueel gewijzigd moet worden. Er is dan sprake van een ouderschapsplan waarin niet uitsluitend de verblijfsregeling en de onderhoudsbijdrage worden opgenomen, maar vooral wordt gestipuleerd hoe de ouders in de toekomst zullen handelen. Daarbij is het cruciaal dat het kind inspraak krijgt in de totstandkoming van het ouderschapsplan, alsook dat de ouders een zekere soepelheid aan de dag leggen bij de naleving ervan. De opvoeding van een kind is immers voortdurend aan evolutie onderhevig. Wanneer een van de ouders vervolgens een ander gezin start met een nieuwe partner komt het volgens spreker zeer nuttig voor om een plusouderschapsplan op te stellen. In een dergelijk plan kunnen de ouder en de stiefouder hun ouderrol vastleggen, alsook de verschillende opvoedingsverwachtingen van de betrokkenen expliciteren.

      24. De tweede spreker geeft eveneens een aantal punten van kritiek mee, die vaak worden geformuleerd met betrekking tot de opvoedingspiramide. Zo zorgt de opvoedingspiramide er volgens bepaalde critici voor dat de opvoeding van het kind te veel wordt gepland. Daarbij kan volgens de spreker de vraag worden gesteld of een kind het niet waard is om zijn opvoeding te plannen. Ook zou de opvoedingspiramide culpabiliserend werken voor de ouders. Als tegenargument stelt de spreker dat een dergelijke redenering onlogisch is, aangezien in het huwelijkscontract wel een regeling voor de goederen wordt uitgewerkt. Waarom zou je als ouders dan ook geen regeling voor de kinderen uitwerken? Daarnaast heerst de overtuiging dat de mentaliteitswijziging, die vereist is voor een goede werking van de opvoedingspiramide, nooit tot stand zal kunnen worden gebracht. Spreker maakt als tegenargument de vergelijking met de mentaliteitswijziging die zich in het strafrecht heeft voorgedaan inzake de bestraffing van bepaalde criminele feiten. Men denke daarbij bijvoorbeeld aan het feit dat vroeger ongeveer een op de twee mannen werd vrijgesproken van de moord op zijn vrouw. Tegenwoordig is een dergelijke vaststelling ondenkbaar. Een gelijkaardige evolutie kan dus ook plaatsvinden inzake het ouderschapsplan. Het grootste punt van kritiek betreft evenwel de juridische afdwingbaarheid van de belofte of het plan. Volgens de spreker kan dit punt van kritiek worden weerlegd aangezien de huwelijksbelofte nadien wel afdwingbaar is. Waarom zou dus niet naar analogie kunnen worden geredeneerd voor de ouderschapsbelofte? Bovendien zijn gewoontes soms sterker dan de wet.

      b. Het juridische ouderschapsplan: ‘Op-maat’ van het belang van de kinderen

      25. Het juridische ouderschapsplan stond centraal in de workshop geleid door Frederik Swennen in het kader van zijn werkzaamheden als advocaat. Middels een voorbeeld van een dergelijk plan werd ingegaan op de toepassing van familiale governance in afspraken tussen ouders.
      Bij familiale governance worden publiek- en privaatrechtelijke technieken van ‘good governance’ binnen bedrijven toegepast op families. Zo wordt een ‘family charter’ opgesteld waarin de algemene waarden van de familie worden opgenomen, zoals in een grondwet. Een dergelijk ‘family charter’ komt tot stand doordat bij een huwelijk de ‘personal charters’ van beide toekomstige echtgenoten naast elkaar worden gelegd. In een ‘personal charter’ worden in een eerder stadium de eigen persoonlijke waarden en normen neergeschreven per persoon.
      Binnen de huidige Belgische wetgeving is het opstellen van een ‘family charter’ mogelijk in het kader van een huwelijkscontract. Als nadien een echtscheiding plaatsvindt, kunnen deze waarden uit de ‘family charter’ opgenomen worden in het ouderschapsplan. Als advocaat past Swennen familiale governance toe in ouderschapsplannen, voorafgegaan door een preambule die de juridische waarde heeft van een ‘gentlemen’s agreement’: deze is niet afdwingbaar, maar de rechter kan het wel in acht nemen als bewijs. De specifieke afspraken omtrent de opvoeding van het kind zijn slechts de concretisering van de algemene waarden. Deze afspraken hebben wel een juridische waarde zodra zij notarieel werden opgenomen of ter homologatie voorgelegd werden aan de rechtbank.

      26. Hoe ziet een juridisch ouderschapsplan er in de praktijk uit? Vooreerst worden de betrokkenen benoemd, zijnde de ouders en eventueel andere personen die een nauwe band hebben met het kind. Zo worden grootouders vaak betrokken, in welk geval zij meetekenen. Vervolgens wordt door middel van een relaas met bespreking van de levensgebeurtenissen de context geschetst waarin de overeenkomst is gesloten. Daarna volgt de preambule. Hierin wordt uiteengezet wat de partijen belangrijk vinden inzake de relatie tussen de ouders en de kinderen, de relatie tussen de ouders onderling en de relatie tussen de kinderen onderling. Ook worden algemene verklaringen opgenomen, bijvoorbeeld over nieuwe partners en over de grootouders. Daaropvolgend komen de concrete afspraken in verschillende hoofdstukken aan de orde: het gezag, het beheer en het genot over de goederen van de kinderen, de verblijfsregeling en de inschrijving in het bevolkingsregister, een regeling omtrent informatie en communicatie, alsook de manier waarop de kinderen betrokken worden in de overeenkomst en de verdeling van onderhoudsbijdragen. Na deze afspraken wordt altijd een bemiddelingsbeding opgenomen en een arbitragebeding voor de conflicten waarover gecontracteerd mag worden. Ten slotte wordt gepoogd om de naleving van het ouderschapsplan te stimuleren door middel van financiële prikkels, zoals een bonusbeding of een schadebeding.

      c. Het plusouderschapsplan: Valkuilen ontmantelen door preventie en praktische methodes

      27. In deze workshop werd vanuit de praktijk en vanuit een filosofische context de opvoedingssituatie van nieuw samengestelde gezinnen onderzocht om zodoende tot een concrete invulling van het plusouderschapsplan te komen.

      28. Marlijn Kooistra-Popelier schetste vooreerst de verschillende valkuilen waarmee nieuw samengestelde gezinnen in de praktijk vaak worden geconfronteerd. Zo is een veel voorkomend probleem dat de stiefouder te snel bepaalde (opvoedings-) beslissingen neemt en daardoor te veel terugverwacht van de kinderen. Daarbij komt dat de partner van de stiefouder samen met zijn of haar ex-partner de twee ouders van het kind blijven. Overleg tussen de ouders aangaande de opvoeding zal steeds nodig zijn, ook al kan de stiefouder dit moeilijk plaatsen. De uitdaging bestaat er dus in dat de ouders moeten uitzoeken hoe ze samen ouder kunnen blijven.
      Binnen het nieuw samengestelde gezin vormt het naast elkaar bestaan van de stiefband en de bloedband een ander probleem. Vanuit de bloedverwantschap zal een ouder steeds zijn eigen kind eerst beschermen, wat kan leiden tot spanningen bij zijn of haar partner. Een stiefband moet immers worden opgebouwd.
      In een nieuw samengesteld gezin bestaan ook gezinsculturen naast elkaar. De leden van het nieuwe gezin hebben elk een verleden in een ander gezin, met andere regels. Zij worden in een nieuw gezin geplaatst met een achtergrond van verlies voortvloeiend uit het verlaten van hun vorige gezin. Door de voortdurende gezinswissels ingevolge de verblijfsregeling worden kinderen geconfronteerd met wisselende gezinsculturen. Ook dit fenomeen vormt een probleem aangezien de kinderen in de verschillende gezinnen andere rollen vervullen en ze zich voortdurend moeten aanpassen. Een dergelijke situatie kan voor loyaliteitsconflicten zorgen in hoofde van het kind dat jegens alle betrokkenen loyaal wil zijn.

      29. Wanneer de situatie van een nieuw samengesteld gezin benaderd wordt vanuit de ethiek, dan biedt de filosofie van Kant volgens Corrie Haverkort een goede leidraad bij het nemen van beslissingen binnen het gezin. Volgens Kant is een mens in staat om op een objectieve wijze te beoordelen wat goed is. Daartoe kunnen drie vragen worden gesteld: handel ik uit eigen belang, of handel ik vanuit een vooroordeel, dan wel kies ik voor een partij waarbij ik belang heb? Deze vragen kunnen op een nieuw samengesteld gezin worden toegepast. Stel dat twee zussen kwaadspreken over hun stiefbroertje. De vader van de zussen gelooft hen dadelijk en straft zijn stiefzoontje. De moeder van het stiefzoontje slaagt er niet in te praten met haar twee stiefdochters en krijgt daardoor ruzie met hun vader, haar partner. Deze problematiek kan worden aangepakt door de categorische imperatief van Kant toe te passen. Maak slechts die afspraken en neem slechts die beslissingen die altijd in iedere situatie recht doen aan iedereen door na te gaan of je de plaats van de ander zou willen innemen. De ander mag immers nooit als middel gebruikt worden maar als doel an sich.

      30. Naar aanleiding van voornoemde valkuilen en ethische overwegingen werden een aantal krachtlijnen geformuleerd die bij de opstelling van een plusouderschapsplan best kunnen worden gevolgd. Vooreerst moet worden beraadslaagd welke opvoedingsstijl en welke gezinscultuur gehanteerd zal worden binnen het gezin. Ook de communicatie jegens de verschillende leden van het vorige gezin en tussen de leden van het nieuwe gezin kan best worden bepaald. Hoe spreken de betrokkenen elkaar bijvoorbeeld aan? Verder is het aan te raden zo concreet mogelijk invulling te geven aan het plan door onder andere te bepalen waar en bij wie het kind zijn vakanties, verjaardagen en feestdagen zal doorbrengen. Ook het financiële aspect van de opvoeding kan in het plusouderschapsplan worden uitgewerkt, rekening houdend met de verblijfsregeling. In algemene zin wordt aangeraden om een en ander te overleggen met een bemiddelaar die de betrokkenen wijst op het evolutieve karakter van het plan en de flexibiliteit die de betrokkenen daarbij aan de dag moeten leggen.

      d. Juridische bemiddeling: De rol van magistraten en familierechters

      31. In deze workshop werden de bemiddeling en beslechting van geschillen omtrent het ouderlijk gezag, de verblijfs- en omgangsregeling en de financiële afspraken over de kinderen na echtscheiding besproken vanuit het licht van de bevoegdheden van de familierechtbank en de jeugdrechtbank. Tevens werd de afgrenzing tussen beide rechtbanken uiteengezet alsook de knelpunten daaromtrent.

      32. Vooreerst werden de algemene verschillen tussen beide rechtbanken geschetst door familierechter, Wendy Verhaegen, en jeugdrechter, Christian Denoyelle.
      Een eerste verschilpunt betreft de lijdelijkheid van de rechter. Zo is de rechter in de familierechtbank afhankelijk van het eigen initiatief van de partijen en van de hem door de partijen voorgelegde feiten. De familierechtbank maakt gebruik van gerechtelijke bemiddeling en neemt een beslissing afhankelijk van de vordering. De rechter in de jeugdrechtbank daarentegen is niet lijdelijk. Enkel op initiatief van het Openbaar Ministerie kan hij gedwongen worden om jeugdbeschermingsmaatregelen op te leggen. De jeugdrechtbank maakt gebruik van het advies van de sociale dienst en kan een diepgaand onderzoek instellen.
      Een tweede verschilpunt heeft betrekking op de participatierechten van het kind in de procedure voor de rechtbank. Zo heeft het kind bij de familierechtbank het recht om gehoord te worden. Daartoe wordt het opgeroepen door middel van een brief waarop het moet antwoorden. Kinderen blijken vaak positief om hun mening te mogen vertellen, al is het voor hen teleurstellend wanneer de rechtbank geen rekening houdt met hun mening en in andere zin besluit. Volgens Verhaegen moet in het debat aandacht geschonken worden aan het feit dat de verantwoordelijkheid bij de ouders ligt. Deze verantwoordelijkheid moet niet worden afgeschoven op de kinderen. Vervolgens stelt de rechter een verslag op van het verhoor dat wordt opgenomen in het dossier. Een heikel punt is dat alle partijen dit verslag kunnen lezen waardoor de vraag rijst in hoeverre het kind vrijuit kan spreken. Bij de jeugdrechtbank daarentegen is het kind een partij en wordt het bijgestaan door een advocaat die zijn rechten moet vrijwaren. Het is echter niet altijd duidelijk welke rol de advocaat moet spelen. Moet hij de wensen van het kind vertolken? Of dient hij te handelen conform wat volgens hem het belang van het kind dient? Volgens Denoyelle is dit een problematisch aspect binnen de procedure.

      33. Vervolgens werden verschillende uitdagingen in de samenwerking tussen de familierechtbank, de jeugdrechtbank en andere betrokken actoren, zoals het Justitiehuis en het OM, aangekaart. Alle actoren spelen hun eigen rol, maar vanwege capaciteitsproblemen en wachttermijnen is het niet steeds duidelijk welke bevoegdheden aan welke actor toekomen. Het grootste knelpunt is de ‘Chinese muur’ tussen de familierechtbank en de jeugdrechtbank. Zo kan tijdens de echtscheidingsprocedure de familierechtbank zich buigen over de verblijfs- en omgangsregeling, terwijl tegelijkertijd de jeugdrechtbank de mogelijkheid van uithuisplaatsing onderzoekt. De beide rechtbanken zijn dan niet op de hoogte van elkaars beslissing. Doordat de maatregelen van de jeugdrechtbank vóórgaan, leidt dit systeem tot zinloze beslissingen van de familierechter. Deze vaststelling wordt als het grootste knelpunt beschouwd. Beide rechters zijn dan ook de mening toegedaan dat de familierechtbank en de jeugdrechtbank moeten samenwerken, zodat de procedure gezamenlijk kan worden gestuurd en in het belang van het kind strategische hulpverlening kan worden geboden.

      34. In Nederland is in beginsel de rechtbank bevoegd in familierechtelijke verzoeken (art. 42 Wet op de Rechterlijke Organisatie), tenzij de wet een andere rechter als bevoegd aanwijst. In zaken betreffende minderjarigen bestaat de enkelvoudige kamer van de rechtbank uit de kinderrechter (art. 808 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Er is dus geen sprake van een splitsing, zoals in België tussen een familierechtbank en een jeugdrechtbank. De kinderrechter is zowel bevoegd in zaken omtrent de omgangs- en verblijfsregeling bij echtscheiding als in zaken omtrent de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van een minderjarige.

    • VI. Beleidspanel

      35. Ter afronding van de studiedag werd een panelgesprek georganiseerd onder leiding van Veerle Beel, journaliste. Als panelleden traden aan: prof. Frederik Swennen, Nancy Bleys, raadgever justitie bij het Vlaams Ministerie van Welzijn, federaal minister van Justitie, K. Geens, en een jongerenvertegenwoordiger, Thomas Van Grinsven.

      36. Het debat werd geopend met het voorstel van de jongeren om ouders die willen scheiden drie bemiddelingssessies te laten doorlopen, waarvan er minstens één verplicht is. Omtrent een verplichte bemiddeling waren niet alle panelleden het eens. Zo verdedigde Swennen de stelling dat ouders uitsluitend kunnen worden verplicht om kennis te nemen van bemiddeling, maar niet om deel te nemen aan een bemiddelingssessie. De minister van Justitie is evenwel een andere mening toegedaan. Vanuit het idee dat kinderen recht hebben op ouders en niet omgekeerd kan bemiddeling wel worden verplicht gesteld. Op die manier worden ouders ervan bewust gemaakt dat ze hun verantwoordelijkheid jegens het kind moeten opnemen.

      37. Vervolgens werd de vraag gesteld naar de vertegenwoordiging van de minderjarige in de echtscheidingsprocedure. De minister van Justitie is van oordeel dat de huidige stand van de wetgeving ervoor zorgt dat kinderen meer zwijgen dan voordien omdat hun verhaal volledig in een verslag wordt genoteerd. Bijgevolg is er sinds de oprichting van de familie- en jeugdrechtbank sprake van een achteruitgang van het hoorrecht van het kind. Eventueel kan een vertrouwenspersoon dit probleem verhelpen, of een jeugdadvocaat, of een voogd ad hoc, dan wel een bijzondere curator. Het hoorrecht van het kind is gebaseerd op het belang van het kind, zoals opgenomen in art. 3 Kinderrechtenverdrag. De juridisering van dit belang is evenwel niet eenvoudig.
      Biedt het ouderschapsplan dan geen oplossing voor deze problematiek? Moet het ouderschapsplan in het Belgische recht om die reden worden verankerd? De algemene tendens onder de panelleden leek eerder terughoudend te zijn. Bleys stelde dat een verplichting te verregaand zou zijn. Ouders kunnen wel gestimuleerd worden om na te denken over de gevolgen van een echtscheiding voor hun kinderen. Daarbij is flexibiliteit een belangrijke factor. Een flexibel plan is immers noodzakelijk voor de continuïteit van het plan. Swennen duidde daarbij op het feit dat de afspraken van de ouders in het ouderschapsplan niet juridisch van aard zijn, maar door het verplicht stellen van het plan zouden ze wel worden gejuridiseerd. Bovendien stelt zich het probleem dat veel initiatieven met betrekking tot deze problematiek op de verschillende beleidsniveaus (federaal of Vlaams) worden genomen. Bijgevolg is het overzicht zoek en wordt voorgesteld om een scheidingsambtenaar de rol van coördinator toe te bedelen. De minister van Justitie is geen voorstander van de invoering van een scheidingsambtenaar. Dit kan volgens hem voor extra moeilijkheden zorgen omdat de hele procedure dan nog ingewikkelder wordt. Bovendien zouden zowel Vlaanderen als Wallonië zich bevoegd achten op het federale niveau. Om die reden stelde de minister van Justitie dan ook dat de huidige regeling waarbij de Centra voor Algemeen Welzijnswerk goed werk leveren, moet worden voortgezet. Bleys verdedigde aansluitend daarop de stelling dat de welzijnssector zoveel als mogelijk zich online inzet om jongeren te informeren over een echtscheiding en de echtscheidingsprocedure. Men wil de problematiek bespreekbaar maken via allerlei campagnes, al is een en ander niet zo voor de hand liggend. Volgens de minister van Justitie kan het onderwijs hierbij een belangrijke rol spelen. Infocampagnes kunnen beginnen op school omdat leerkrachten de evolutie van het kind elke dag waarnemen. Bovendien hebben ouders de plicht om hun kinderen gelukkig te maken en niet te ruziën in hun aanwezigheid.

      38. Tot slot werd de vraag geponeerd of het meerouderschap dat in sommige landen aanwezig is een oplossing kan zijn voor de juridische erkenning van de rol van de stiefouder. Swennen lichtte inzake deze problematiek kort de huidige stand van zaken in het Belgische recht toe. Sinds het Grondwettelijk Hof in een arrest d.d. 8 oktober 2003 een lacune dienaangaande in de wetgeving vaststelde, en zodoende de bal in het kamp van de wetgever legde, werden verscheidene wetsvoorstellen ingediend. Geen van deze wetsvoorstellen werd evenwel aangenomen, maar deze problematiek is wel in het huidige Regeerakkoord opgenomen.

    Noten

    • 1 Daarmee wordt gedoeld op gedrag van kinderen dat ofwel voor de omgeving last veroorzaakt, zoals vandalisme (externaliserend), ofwel voor het kind zelf, zoals een depressie (internaliserend).

Citation format

Would you like to cite an article from Family & Law? You can do so using this format:

Frederik Swennen, Contractualisation of Family Law in Continental Europe, F&L July - September 2013, DOI: 10.5553/FenR/000008. www.familyandlaw.eu/doi/10.5553/FenR/.000008 (Last accessed: …)


Print this article