Sign up for email alert

If you sign up for the free email alert from Family & Law, you will automatically receive a message when a new article is published on the website.

Subscribe

Refine your search

Search result: 29 articles

x

    This article engages in a comparison of the regulation of PR in the Netherlands and the UK (specifically England and Wales). The latter is a good comparator as it operates a similar regulatory approach to the Netherlands, that of conditional acceptance of PR, the condition being (prior) consent. Furthermore, the UK boasts a more detailed and mature legal framework that continues to be tested through caselaw, and thus offers insight into how a regulatory approach conditional upon the (prior) consent of the deceased can fare.
    The article starts with a brief exposition of the new Dutch guidelines and the current legislative position in the Netherlands vis-à-vis posthumous reproduction (part II). Likewise, the relevant UK guidelines and legislative position are summarized (part III). This article draws out the similarities and differences between the two regimes, as well as engaging in a critical analysis of the regulations themselves. It then looks at how the UK regime has been challenged in recent years through caselaw in anticipation of the issues that might confront the Netherlands in future (part IV). The article concludes (part V) that the key lesson to be drawn from the UK experience is that clarity and consistency is crucial in navigating this ethically, emotionally, and time sensitive area. Further, that both the UK and the Netherlands can expect demand for more detailed and precise regulatory guidance as requests for the procedure increase, and within evermore novel circumstances.

    ---

    Dit artikel vergelijkt de regulering van postume reproductie (PR) in Nederland en het Verenigd Koninkrijk (in het bijzonder Engeland en Wales). Laatstgenoemde is daarvoor zeer geschikt, aangezien het VK een vergelijkbare reguleringsbenadering heeft als Nederland, namelijk de voorwaardelijke acceptatie van PR, waarbij (voorafgaande) toestemming de voorwaarde is. Bovendien beschikt het VK over een gedetailleerder en volwassener juridisch kader dat continu wordt getoetst door middel van rechtspraak. Dit kader biedt daarmee inzicht in hoe een regulerende benadering met als voorwaarde (voorafgaande) toestemming van de overledene kan verlopen.
    Het artikel vangt aan met een korte uiteenzetting van de nieuwe Nederlandse richtlijnen en de huidige positie van de Nederlandse wetgever ten opzichte van postume reproductie (deel II). De relevante Britse richtlijnen en het wetgevende standpunt worden eveneens samengevat (deel III). Vervolgens worden de overeenkomsten en verschillen tussen de twee regimes naar voren gebracht, met daarbij een kritische analyse van de regelgeving. Hierop volgt een beschrijving van hoe het VK de afgelopen jaren is uitgedaagd in de rechtspraak, daarmee anticiperend op vraagstukken waarmee Nederland in de toekomst te maken kan krijgen (deel IV). Tot slot volgt een conclusie (deel V) waarin wordt aangetoond dat de belangrijkste les die uit de Britse ervaring kan worden getrokken, is dat duidelijkheid en consistentie cruciaal zijn bij het navigeren door dit ethische, emotionele en tijdgevoelige gebied. En daarnaast, at zowel het VK als Nederland een vraag naar meer gedetailleerde en precieze regelgeving kunnen verwachten naarmate verzoeken om deze procedure toenemen, met daarbij steeds weer nieuwe omstandigheden.


Dr. N. Hyder-Rahman
Nishat Hyder-Rahman is a Post-doctoral Researcher at the Utrecht Centre for European Research into Family Law, Molengraaff Institute for Private Law, Utrecht University.

    Piketmediation is een vorm van mediation naast rechtspraak maar dan in de vorm van een pressure-cooker. Typerend voor piketmediation is dat de mediation plaatsvindt in het gerechtsgebouw en dat in beginsel direct na het eerste gesprek een terugkoppeling plaatsvindt aan de rechter. Het doel van piketmediation is om een verdere escalatie van het conflict te beperken en partijen een dienst te bieden waardoor zij snel tot een oplossing kunnen komen. Piketmediation wordt veelal aangeboden in de voorlopige voorzieningenprocedure.
    In opdracht van de Raad voor de rechtspraak is empirisch onderzoek uitgevoerd binnen het Amsterdams Centrum voor Familie & Recht (ACFL) van de Vrije Universiteit Amsterdam. In dit onderzoek zijn verschillende aanbiedingsvormen van piketmediation geëvalueerd die worden aangeboden door zeven gerechten: in een aantal gerechten zijn piketmediation pilots uitgevoerd en in andere is piketmediation reeds een reguliere werkwijze is geworden. In totaal zijn er 120 dossiers gescoord, 39 interviews afgenomen en een expertmeeting gehouden met 14 professionals. De bevindingen uit het dossieronderzoek, de interviews en de expertmeeting tezamen hebben geleid tot een algemeen rapport over de best practices en knelpunten van piketmediation met enkele aanbevelingen betreffende vormen van piketmediation die goed blijken te werken in de praktijk.
    ---
    Picket mediation (in Dutch: piketmediation) is a form of mediation which runs alongside normal court procedures, and is held in a pressure-cooker-like environment. It typically takes place in the courthouse and in principle, the outcome of the mediation is reported back to the judge after the first session. Such mediation is intended to limit any further escalation of a conflict and also to offer parties a service with which they can quickly resolve a situation themselves. Picket mediation is often offered in the provisional provisions procedure.
    At the request of The Council for the Judiciary, an empirical study of picket mediation was conducted by the Amsterdam Center for Family & Law (ACFL) of the VU University Amsterdam. Various forms of picket mediation as offered by seven courts were evaluated in this study. While some courts are conducting picket mediation pilots, others already have implemented picket mediation as a regular procedure. For this study a total of 120 files were scored, 39 interviews were conducted and an expert meeting was held with 14 professionals. The combined findings from these events have led to a general report on the best practices and challenges of picket mediation. A number of recommendations regarding forms of picket mediation that appear to work well in practice are additionally included.


mr. Daniëlle Brouwer
Daniëlle Brouwer is advocate bij bureau Brandeis.

mr. Eva de Jong
Eva de Jong is advocate bij SmeetsGijbels advocaten.

prof. mr. Lieke Coenraad
Lieke Coenraad, Vrije Universiteit Amsterdam.

prof. mr. Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia, Vrije Universiteit Amsterdam.

    This article is part of a broader discussion about attaining a full-fledged child-friendly (criminal) justice. Attaining that goal is particularly challenging in cases of international parental abduction, due to the involvement of two branches of law. It is examined to what extent the current interaction guarantees a decision in the best interests of the child. More specifically, the implications of the adage le criminel tient le civil en état are scrutinised from a children’s rights perspective.
    The central research question reads: “to what extent can the adage le criminal tient le civil and état be upheld when further elaborating the best interests of the child in criminal law, more specifically in the interaction between civil and criminal law?” The research wants to contribute to the debate of the difficult triangular relationship between civil law, criminal law and children's rights law.
    In cases of child abduction, the link and interaction between the two procedures goes beyond the traditionally accepted scope of civil damages arising from a criminal offense. Nevertheless, both procedures following a parental abduction are based on the same facts and are inextricably linked, which means that they have to be assessed together, which means that they should be judged together. The question arises as to how the two parallel procedures can be coordinated better, now that it is clear that they may significantly influence each other.
    A full-fledged application of the adage means that a decision concerning the return of the child can only be handed down from the moment when the criminal proceeding (concerning the prosecution of the parent) is completed. It is immediately clear that this cannot be in the best interests of the child.
    It is argued that the adage must be abandoned or reversed to guarantee article 3 CRC. This statement is substantiated with arguments of both practical (referring to the time course) and fundamental (importance of the child best interets as a first consideration) nature. Thereby counterarguments are anticipated.
    ---
    Dit artikel kadert binnen de bredere discussie inzake het streven naar een kindvriendelijk (straf)rechtssysteem. In zaken van internationale parentale ontvoering, waarbij twee rechtstakken betrokken zijn, is dit bijzonder uitdagend. Er wordt onderzocht in welke mate de huidige interactie tussen beide rechtstakken het belang van het kind waarborgt. Concreet wordt het adagium le criminel tient le civil en état vanuit een kinderrechten-perspectief aan een kritische blik onderworpen.
    De centrale onderzoeksvraag luidt: “in welke mate is het adagium le criminel tient le civil and état houdbaar in de verdere uitwerking van het belang van het kind in het strafrecht, meer bepaald in de wisselwerking tussen burgerlijk en strafrecht?” Het artikel wil aan het belang van het kind een duidelijkere positie geven in de moeilijke driehoeksverhouding tussen burgerlijk recht, strafrecht en kinderrechten.
    In zaken van kinderontvoering gaat het de toepassing van het adagium verder dan de traditioneel aanvaarde reikwijdte van civielrechtelijke schadevergoedingen die voortvloeien uit een strafbaar feit. Niettemin zijn beide procedures, volgend op een parentale ontvoering, gebaseerd op dezelfde feiten en onlosmakelijk verbonden met elkaar, wat betekent dat ze samen moeten worden beoordeeld. De vraag rijst hoe de twee parallelle procedures beter gecoördineerd kunnen worden, nu duidelijk is dat ze elkaar op een significante manier kunnen beïnvloeden.
    Onverkorte toepassing van het adagium betekent dat de burgerlijke beslissing betreffende de terugkeer van het kind pas kan plaatsvinden vanaf het moment dat de strafrechtelijke procedure (betreffende de vervolging van de ouder) is voltooid. Het is meteen duidelijk dat dit niet in het belang van het kind kan zijn.
    Er wordt geargumenteerd dat het adagium moet worden verlaten dan wel omgedraaid om artikel 3 IVRK te garanderen. Argumenten van zowel praktische (verwijzend naar de tijdsverloop) als fundamentele (belang van het kind als eerste overweging) aard onderbouwen dit standpunt. Daarbij wordt geanticipeerd op tegenargumenten.


Elise Blondeel MSc
Doctoraal onderzoekster Strafrecht & Rechten van het Kind (BOF-mandaat). Onderzoeksdomein: Internationale Parentale Ontvoering. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

prof. dr. Wendy De Bondt
Professor Strafrecht/Rechten van het Kind/Jeugdrecht aan Universiteit Gent. Onderzoeksdomein: (Europees) strafrecht(elijk beleid) & Rechten van het Kind. Lid van het IRCP (Institute for International Research on Criminal Policy) en het HRC (Human Rights Centre).

    In 2016 the Dutch Government Commission of Reassessment of Parenthood (GCRP) proposed a wide array of legal changes to Family Law, e.g. with regard to legal multi-parenthood and legal multiple parental responsibility. Although the commission researched these matters thoroughly in its quest towards proposing new directions in the field of Family Law, multi-parents themselves were not interviewed by the commission. Therefore, this article aims to explore a possible gap between the social experiences of parents and the recommendations of the GCRP. Data was drawn from in depth-interviews with a sample of 25 parents in plus-two-parent constellations living in Belgium and the Netherlands. For the most part the social experiences of parents aligned with the ways in which the GCRP plans to legally accommodate the former. However, my data tentatively suggests that other (legal) recommendations of the GCRP need to be explored more in depth.
    ---
    In 2016 stelde de Nederlandse Staatscommissie Herijking ouderschap voor om een wettelijk kader te creëren voor meerouderschap en meeroudergezag. Ondanks de grondigheid van het gevoerde onderzoek ontbraken er gegevens omtrent de ervaringen van de meerouders zelf. Dit artikel levert een bijdrage in het vullen van deze leemte door inzage te geven in de (juridische) ervaringen van 25 ouders in meerouderschapsconstellaties in België en Nederland.


Nola Cammu MA
Nola Cammu is PhD Candidate at the Law Faculty of the University of Antwerp.
Article

Access_open Autonomy in old age

Journal Family & Law, May 2019
Authors prof. dr. Tineke Abma and dr. Elena Bendien
AbstractAuthor's information

    Background: In many European countries caring responsibilities are being reallocated to the older people themselves to keep the welfare state affordable. This policy is often legitimized with reference to the ethical principle of autonomy. Older people are expected to be autonomous, have freedom to make their own decisions, and be self-reliant and self-sufficient as long as possible.
    Aim: The purpose of this article is to explore whether and how older people can remain autonomous in order to continue living their lives in accordance with their own values in the context of declining professional caring facilities and shrinking social networks, and which concepts of autonomy can guide professionals and other involved parties in facilitating the choices of older people.
    Method: An empirical-ethical approach is used to interpret the moral values enacted in the caring practice for older people. Two cases are presented. One is the narrative of a woman who lives by herself; she has been hospitalized after a fall and hip fracture, but does not want to be operatied. The second is the narrative of man living in a residential home; he wants to be actively involved, doing good deeds like he always did as a Scout. The cases are evaluated with the help of two concepts of autonomy: autonomy as self-determination and relational autonomy.
    Results: In both cases the enactment of autonomy remains problematic. In the case of the woman there was not enough care at home to live up to her own values. After she was admitted to a hospital her wish not to be operated was questioned but ultimately honoured due to compassionate interference by close relatives and her oncologist. In the second case there was not enough space for the man to lead his life in the way he always had; his plans for improving the social environment in the care home were torpedoed by management and ultimately the man decided to step back.
    Conclusion: In order to do justice to the complexity of each empirical case that involves autonomy of an older person more than one concept of autonomy needs to be applied. Relying on self-determination or relational autonomy exclusively will give professionals and all involved parties a restricted view on the situation, where the wishes of older people are at stake. In both cases autonomy was overruled by system procedures and stereotypical ideas about old people as being weak and not able to make their own decisions. Both cases show, however, that older people - even if they are physically and mentally frail - long to remain morally responsible for the direction their lives are taking, in accordance with their own values. They communicate their wish to determine their own future and at the same time they are interdependent on others to realize their (relational) autonomy and require support in their attempt to maintain their identity. This conclusion has implications for the normative behaviour of the professionals who are involved in care and treatment of older people.
    ---
    Achtergrond: In veel landen wordt de verantwoordelijkheid voor de zorg voor ouderen naar de ouderen zelf verplaatst, dit teneinde de welvaartstaat betaalbaar te houden. Dit beleid wordt veelal gelegitimeerd met referentie naar het ethische principe van autonomie. Oudere mensen worden geacht autonoom te zijn, vrij te zijn om hun eigen beslissingen te nemen, en om zo lang mogelijk zelfredzaam te blijven.
    Doel: Het doel van dit artikel is om te onderzoeken of en hoe oudere mensen autonoom kunnen blijven teneinde hun leven in overeenstemming met hun eigen waarden te kunnen voortzetten in de context van teruglopende professionele zorgactiviteiten en krimpende sociale netwerken, en welke concepten van autonomie zorgprofessionals en andere betrokken partijen kunnen helpen bij het faciliteren van de keuzes door ouderen.
    Methode: Een empirisch-ethische benadering wordt gebuikt om de morele waarden in de zorgpraktijk voor ouderen te interpreteren. Twee casussen worden gepresenteerd. De eerste is het verhaal van een vrouw die op zichzelf woont. Ze is na een val waarbij haar heup is gebroken, in een ziekenhuis opgenomen, maar ze wil niet geopereerd worden. De tweede is het verhaal van een man die in een verzorgingshuis woont. Hij wil actief betrokken worden en goede dingen doen zoals hij die altijd heeft gedaan toen hij padvinder was. Beide verhalen worden met behulp van twee concepten van autonomie geëvalueerd: autonomie als zelfbeschikking en relationele autonomie.
    Resultaat: In beide casussen blijft de verwezenlijking van autonomie problematisch. In het geval van de vrouw was er thuis onvoldoende zorg om volgens haar waarden te kunnen leven. Toen zij in het ziekenhuis was opgenomen werd haar wens om niet te worden geopereerd tegen gehouden, maar uiteindelijk ingewilligd als gevolg van bemoeienis uit hoofde van barmhartigheid door directe verwanten en haar oncoloog. In het tweede geval was er voor de man onvoldoende ruimte om zijn leven te leiden op de manier zoals hij dat altijd had gedaan. Zijn plannen om de sociale omgeving in het verzorgingshuis te verbeteren werden door het management getorpedeerd en uiteindelijk heeft hij zich ervan teruggetrokken.
    Conclusie: Teneinde recht te doen aan de complexiteit van beide casussen die betrekking hebben op de autonomie van een oudere, dient meer dan één concept voor autonomie te worden ingezet. Het vertrouwen in zelfbeschikking of relationele autonomie alleen zal aan de professionals en alle andere betrokken partijen een beperkt zicht geven van de situatie wanneer het de wensen van ouderen betreft. In beide gevallen werd de autonomie ter zijde geschoven door protocollen en stereotypische ideeën over ouderen als kwetsbare personen die niet in staat zouden zijn om zelf hun beslissingen te nemen. Echter tonen beide voorbeelden aan dat ouderen, zelfs als ze fysiek en mentaal kwetsbaar zijn, de wens hebben om moreel verantwoordelijk te blijven voor de richting die hun leven zal nemen, in overeenstemming met hun eigen waarden. Zij geven de wens aan om hun eigen toekomst te bepalen en tegelijkertijd zijn ze onderling afhankelijk van anderen om hun (relationele) autonomie te verwezenlijken, én hebben ze behoefte aan steun bij hun poging om hun identiteit te behouden. Deze conclusie heeft gevolgen voor het normatieve handelen van professionals die bij de zorg en behandeling van ouderen betrokken zijn.


prof. dr. Tineke Abma
Professor dr. Tineke A. Abma is a full professor of Participation and Diversity at the Department of Medical Humanities of Amsterdam UMC, location VUmc.

dr. Elena Bendien
Dr. Elena Bendien is a social gerontologist and a senior researcher at the Department of Medical Humanities of Amsterdam UMC, location VUmc.

    This article examines the hearing of children in Belgian and Dutch courts in return proceedings following an international child abduction. The analysis is based on the experience, insights and needs of both children who have experienced an abduction by one of their parents, and family judges. In this sensitive and often highly conflicted family context, hearing children in court is not self-evident. Challenges of both a judicial-institutional and communicative-relational nature can hinder the effective implementation of children’s right to be heard. This contribution seeks to answer the question of how to better support judges and children in addressing these challenges, with the aim of enabling children to fully and effectively participate in return procedures. Building on the interviews with children and judges, supplemented with findings from Belgian and Dutch case law and international literature, three key recommendations are formulated: 1) explore and evaluate opportunities for judges and children to experience support during the return procedure, for example via the figure of the guardian ad litem; 2) invest in training and opportunities for specialisation of judges with a view to strengthen their expertise in taking the best interests of the child into account; and 3) systematically pay attention to feedback to the children involved on how the final decision about their return is made – and this before, during and after the procedure.
    ---
    Dit artikel bestudeert het horen van kinderen in Belgische en Nederlandse rechtbanken in terugkeerprocedures volgend op een internationale kinderontvoering. De analyse vertrekt vanuit de beleving, ervaring, inzichten, noden en behoeften van zowel kinderen als van bevoegde familierechters. In deze gevoelige en vaak uiterst conflictueuze gezinscontext is het horen van kinderen door de rechter geen evidentie. Uitdagingen van zowel juridisch-institutionele als communicatieve-relationele aard kunnen een effectieve implementatie van het recht van kinderen om gehoord te worden in de weg staan. Dit artikel zoekt een antwoord op de vraag hoe rechters en kinderen beter kunnen worden ondersteund om deze uitdagingen aan te pakken, met als doel dat kinderen volwaardig kunnen participeren in de terugkeerprocedure. Voortbouwend op de interviews met kinderen en rechters, aangevuld met bevindingen uit Belgische en Nederlandse rechtspraak en internationale literatuur, worden drie sleutelaanbevelingen geformuleerd: 1) voorzie mogelijkheden voor rechters en kinderen om spanningsvelden weg te werken tijdens de terugkeerprocedure, bijvoorbeeld via de ondersteunende figuur van de bijzonder curator; 2) investeer in opleiding en groeiende specialisatiemogelijkheden bij rechters en 3) heb aandacht voor feedback en terugkoppeling naar de betrokken kinderen over hoe de eindbeslissing over hun terugkeer tot stand komt, en dit zowel voor, tijdens als na de procedure.


Sara Lembrechts LLM
Sara Lembrechts is researcher at University of Antwerp (Law and Development Research Group) and policy advisor at Children’s Rights Knowledge Centre (KeKi).

Marieke Putters LLM
Marieke Putters is researcher at the International Child Abduction Center (Centrum IKO).

Kim Van Hoorde
Kim Van Hoorde is Project & Prevention Manager at Child Focus.

dr. Thalia Kruger
Thalia Kruger, PhD, is Associate Professor at the University of Antwerp (Personal Rights and Property Rights Research Group) and Honorary Research Associate, University of Cape Town.

dr. Koen Ponnet
Koen Ponnet, PhD, is Professor at Imec-Mict-Ghent University (Faculty of Social Sciences).

dr. Wouter Vandenhole
Wouter Vandenhole, PhD, is Professor at the University of Antwerp (Law and Development Research Group).
Article

Access_open A changing paradigm of protection of vulnerable adults and its implications for the Netherlands

Journal Family & Law, February 2019
Authors H.N. Stelma-Roorda LLM MSc, dr. C. Blankman and prof. dr. M.V. Antokolskaia
AbstractAuthor's information

    The perception of how the interests of vulnerable adults should be protected has been changing over time. Under the influence of human and patient’s rights a profound shift of protection paradigms has taken place in the last decades. In the framework of this shift, in addition to traditional adult guardianship measures, new instruments have been developed allowing adults to play a greater role in the protection of their (future) interests. This has also been the case in the Netherlands, where adults in the course of the last decade have acquired the possibility to make a so-called living will, internationally better known as a continuing, enduring or lasting power of attorney. This article discusses this instrument, in comparison with the traditional adult guardianship measures currently in force in the Netherlands, from the perspective of the new protection paradigm based on a human rights approach.
    ---
    In de afgelopen decennia is de manier waarop naar de bescherming van kwetsbare meerderjarigen wordt gekeken, veranderd. Van een benadering waarbij de focus voornamelijk lag op bescherming is de nadruk steeds meer komen te liggen op het recht op autonomie en zelfbeschikking van de meerderjarige. De opkomst van mensen- en patiëntenrechten heeft geleid tot het ontstaan van een nieuw beschermingsparadigma. In dat kader zijn nieuwe instrumenten ontwikkeld, die meerderjarigen een grotere rol toekennen in de bescherming van hun (toekomstige) belangen. Dit is eveneens het geval in Nederland, waar meerderjarigen een levenstestament kunnen opstellen om voorzieningen te treffen voor een toekomstige periode van wilsonbekwaamheid. Dit artikel bespreekt het levenstestament, in samenhang met de traditionele rechterlijke beschermingsmaatregelen, vanuit het perspectief van het nieuwe beschermingsparadigma.


H.N. Stelma-Roorda LLM MSc
Rieneke Stelma-Roorda is PhD candidate at the Vrije Universiteit Amsterdam.

dr. C. Blankman
Kees Blankman is associate professor at the Vrije Universiteit Amsterdam.

prof. dr. M.V. Antokolskaia
Masha Antokolskaia is professor of family law at the Vrije Universiteit Amsterdam.

    Medical and societal developments have led to a new family form involving more than two persons who make the conscious decision to have and raise a child together. Before the conception of the child, co-parenting arrangements are made covering the role of each parent in the child’s life and the division of care and financial obligations. These intentional multi-parent families pose new challenges to family law. Both in Belgium and the Netherlands, as in most other legal systems, the number of legal parents vested with custody of the child is limited to two. This two-parent model does not protect the relationship between the child and each of its parents in a multi-parent family. The question arises whether the law should be adjusted to accommodate multi-parent families, and if so, how. The Belgian Senate recently accepted that this question should be subjected to parliamentary debate. In 2014 the Netherlands tasked the Government Committee on the Reassessment of Parenthood with evaluating whether the law should allow more than two persons to be a child's legal parents and share parental responsibilities. In its recently published report, the Government Committee advises legal multi-parenthood be statutorily regulated, subject to certain conditions.The present contribution addresses two questions. The first one concerns the legal position of persons who have entered into multi-parenting arrangements. We answer this question by examining the Belgian rules on legal parentage and parental responsibilities. Second, we explore how family law might accommodate intentional multi-parent families. For this question, we focus on the recommendations the Dutch Government Committee formulated on legal multi-parenthood.
    ---
    Medische en maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot het ontstaan van een nieuwe gezinsvorm, waarbij meer dan twee personen bewust ervoor kiezen om samen een kind te krijgen en het op te voeden. Voor de verwekking maken ze afspraken over de rol van elk van hen in het leven van het kind en over de verdeling van zorgtaken en financiële verplichtingen. Deze intentionele meeroudergezinnen vormen een nieuwe uitdaging voor het familierecht. Zoals in de meeste rechtsstelsels, is in België en Nederland het aantal juridische ouders beperkt tot twee. Dit twee-oudermodel verleent geen bescherming aan de relatie tussen het kind en elk van zijn ouders in een meeroudergezin. De vraag rijst of het familierecht deze nieuwe gezinsvorm tegemoet moet komen, en zo ja, hoe. De Belgische Senaat heeft eind 2015 aanvaard dat deze vraag het voorwerp moet uitmaken van toekomstig parlementair debat. De Nederlands regering gaf in 2014 aan de “Staatscommissie Herijking Ouderschap” de opdracht te onderzoeken of de wet het mogelijk moet maken dat meer dan twee personen de juridische ouders kunnen zijn van een kind en het ouderlijk gezag kunnen delen. In haar recent gepubliceerde rapport beveelt deze commissie aan om juridisch meerouderschap wettelijk te regelen.  Deze bijdrage onderzoekt twee vragen. De eerste vraag is wat de rechtspositie is van de personen die betrokken zijn in meerouderschapsafspraken. We beantwoorden deze vraag aan de hand van de Belgische regels over afstamming en ouderlijk gezag. De tweede vraag is hoe het recht aan intentionele meeroudergezinnen kan tegemoetkomen. De aanbevelingen van de Nederlandse Staatscommissie Herijking Ouderschap staan hierbij centraal.


Prof. dr. Ingrid Boone
Ingrid Boone is an associate professor of Family Law at KU Leuven. She is a member of the Scientific Research Network of the Research Foundation Flanders (2015-2020) RETHINKIN - Rethinking legal kinship and family studies in the Low Countries.

    De studie beoogt aan de hand van 87 dossiers van gezag- en omgangsonderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) meer inzicht te krijgen in situaties waarin de ene ouder de andere ouder in het kader van een (echt)scheiding beschuldigt van seksueel misbruik van kinderen. De dossiers zijn gekoppeld aan bijbehorende civielrechtelijke beschikkingen en het Justitiële Documentatiesysteem. Hierdoor is de problematiek van verschillende kanten belicht. Uit het onderzoek blijkt dat het over het algemeen complexe zaken zijn, waarin naast de BSKM nog meer problemen zijn binnen de gezinnen. De aard van het vermeende seksueel misbruik is ernstig, en de kinderen gemiddeld jong. Regelmatig is de beschuldiging geuit bij politie en hulpverlening vóór de rechtszaak en het raadsonderzoek. De rechtszaken betreffen over het algemeen procedures omtrent gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken en omgang. Vrijwel nooit is vast te stellen of het seksueel kindermisbruik heeft plaatsgevonden. Slechts drie ouders zijn veroordeeld voor het misbruik. Eén vader is vrijgesproken, twee vaders zijn niet nader vervolgd omdat zij ten onrechte als verdachte waren aangemerkt. Civiele rechters die beslissingen moeten nemen over de kinderen staan voor een dubbel dilemma: het al dan niet serieus nemen van de beschuldiging kan schadelijke gevolgen hebben voor kinderen, en daarnaast kan, vanwege de onzekerheid over de gegrondheid, een beslissing tot nader onderzoek ook schadelijk zijn omdat dit het proces verlengt. De RvdK adviseert de rechtbank regelmatig om definitieve beslissingen omtrent de kinderen aan te houden, in afwachting van bijvoorbeeld hulpverlening of een ondertoezichtstelling. Het is echter doorgaans niet de waarschijnlijkheid van het SKM, maar de gevolgen van de beschuldiging zelf waar de RvdK zijn zorgen regelmatig over uit. Hierdoor lijkt het dat de beschuldiging, en niet het potentiële misbruik, een katalysator is voor onwenselijke gevolgen voor de kinderen.
    ---
    This study aims to provide insight into allegations of child sexual abuse in the context of divorce and related proceedings by reviewing 87 files concerning investigations by the Dutch child protective service (CPS). These files are linked to the court rulings about the families in question, as well as the criminal record database. This makes it possible to look at this problem from various angles. The study shows that the cases are generally complex, in which aside from the allegations of sexual abuse, other issues existed within the families. The nature of the alleged abuses were serious, and the children were relatively young. Often an allegation was made to the police and social work organizations before the civil proceeding and investigation by the CPS. The proceedings generally concerned matters relating to the custody of and access to the children. It was very rarely possible to determine whether the child sexual abuse had actually taken place. Only three fathers were convicted of the abuses concerned. One father was acquitted and two fathers were wrongfully identified as suspects. Civil judges who have to make decisions about the children are faced with a double dilemma: firstly, the decision of whether or not to take the allegation seriously can have damaging consequences for the children involved. Secondly, the choice to proceed with further investigation and aid within the family, due to uncertainty as to the veracity of the allegation(s) in question, can lead to a prolonged process that damages the child. The study shows that the CPS often advises the court to postpone definitive decisions about the children so that social work organizations can provide more information on the matter at hand. However, the study also shows that it is generally not the potential abuse, but the allegation itself that the CPS expresses concern about.


Anne Smit MSc.
Anne Smit is a PhD Candidate at the VU University Amsterdam. She is currently writing her PhD dissertation on the topic: ‘Allegations of Sexual Abuse of Children in Divorce Procedures: Towards Evidence-Based Guidelines’.

Masha Antokolskaia
Masha Antokolskaia is a professor of family law at the VU University Amsterdam. She is head of the Amsterdam Centre of Family Law (ACFL), as well as a member of the Commission on European Family Law (CEFL) and of the Executive Council of the International Society of Family Law. Her main fields of interest are comparative family law, European family law, empirical family law studies and history of family law.

Catrien Bijleveld
Catrien Bijleveld is the director of the Netherlands Institute for the Study of Crime and Law Enforcement (NSCR). Prior to this she worked as a senior researcher at NSCR. Her research activities focus on research into criminal careers and (experimental) research into the effectiveness of interventions, juvenile sex offenders, historical trends and the intergenerational transmission of delinquent behaviour. Catrien Bijleveld is also a member of the Royal Dutch Academy of Sciences (KNAW).

    Ongeveer 20% van de echtscheidingen loopt uit op een zogenaamde conflict- of vechtscheiding. Om deze complexe echtscheidingszaken effectief aan te pakken, dienen professionals in het veld te beschikken over wetenschappelijk onderbouwde kennis over werkzame interventies. Mediation wordt vaak beschouwd als dé oplossing voor conflictscheidingen. Wetenschappelijk onderzoek laat echter een beperkte effectiviteit zien van mediation bij conflictscheidingen. Dit heeft onder andere te maken met de hoge prevalentie (rond 40%) van huiselijk geweld in conflictscheidingsgezinnen.
    In dit onderzoek is de visie van Nederlandse professionals over conflictscheidingen onderzocht en vergeleken met de kennis uit de wetenschappelijke literatuur. Met behulp van een online vragenlijst testten we het kennisniveau van 863 professionals die werken met conflictscheidingsgezinnen. Dit waren advocaten, professionals uit de jeugdzorg/-bescherming, mediators en professionals uit de GGZ.
    Professionals behaalden een gemiddelde score van 6,5 correcte antwoorden op een totaal van 11, waarbij juridische professionals significant beter scoorden dan sociale professionals. Slechts 17% van de professionals wist dat in bijna de helft van de conflictscheidingen huiselijk geweld een rol speelt. 55% van de professionals adviseerde in een geval van een al 7 jaar durende conflictscheiding mediation als effectieve interventie. 46% van de respondenten overschatte de prevalentie van valse beschuldigingen van huiselijk geweld en kindermishandeling bij conflictscheidingen.
    In opleidingen voor Nederlandse juridische en sociale professionals die werken met conflictscheidingsgezinnen dient meer aandacht besteed te worden aan wetenschappelijke kennis, zodat professionals handelen op basis van kennis in plaats van persoonlijke opvattingen en mythen.
    ---
    High conflict divorces are among the 20% of divorce cases that continue to escalate over time. In order to help solve these complex divorce cases, it is important that professionals in the field possess evidence-based knowledge to provide effective interventions. One of these possible interventions is mediation, which is often seen as a panacea for high-conflict divorce (HCD) cases. However, scientific research has shown limited effectiveness of mediation in HCD cases. This is partially associated with the high prevalence (around 40%) of domestic violence in HCD.
    The present study examined professionals’ perspectives on high conflict-divorce cases and compared their views with the available scientific evidence. By means of a web-survey, we tested the knowledge of different professional groups (N = 863) who work with HCD families. The sample consisted of lawyers, child welfare/child protection professionals, mediators and mental health professionals.
    The results showed that professionals on average gave 6.5 correct responses out of 11 questions in total and that legal professionals scored significantly better than social professionals. Only 17% of the professionals were aware that in almost half of all high-conflict divorce cases domestic violence is a problem. For a high-conflict divorce case spanning 7 years, mediation was advised as an effective intervention by 55% of professionals. 46% of respondents overestimated the prevalence of false allegations of child abuse in HCD cases.
    More attention to scientific knowledge on HCD in the educational curricula for Dutch legal and social professionals is needed, in order to assure that their professional activities and decision making are based on scientific evidence instead of personal biases and myths.


Prof. dr. Corine de Ruiter
Prof. dr. Corine de Ruiter is a licensed clinical psychologist (BIG) in The Netherlands. She serves as professor of Forensic Psychology at Maastricht University. She also has a private practice. Her research focuses on the interface between psychopathology and crime. She has a special interest in the prevention of child abuse and intimate partner violence because they are both very common and often overlooked in practice.

Brigitte van Pol Msc
Brigitte van Pol studied Psychology and Law at Maastricht University. Her involvement in this research dates from her Master’s thesis on the role of mediation in high conflict divorce. The authors would like to thank the participants for their time and effort in completing our websurvey.

    The comparative discussions held during this seminar show that the different jurisdictions make use of – approximately – the same ingredients for their legislation on adult guardianship measures and continuing powers of attorney. Given the common international framework (for example the UN Convention on the Rights of Persons with Disabilities) and given the common societal context (cfr. the strong increase of the ageing population) this may not come as a surprise. Despite these common ingredients, the different jurisdictions have managed to arrive at different dishes spiced with specific local flavours. Given that each jurisdiction bears its own history and specific policy plans, this may not come as a surprise either. The adage ‘same same but different’ is in this respect a suitable bromide.
    For my own research, the several invitations – that implicitly or explicitly arose from the different discussions – to rethink important concepts or assumptions were of most relevance and importance. A particular example that comes to mind is the suggestion to ‘reverse the jurisprudence’ and to take persons with disabilities instead of healthy adult persons as a point of reference. Also, the invitation to rethink the relationship between the limitation of capacity and the attribution of a guard comes to mind as the juxtaposition of the different jurisdictions showed that these two aspects don’t need to be automatically combined. Also the discussion on the interference between the continuing powers of attorney and the supervision by the court, provoked further reflection on hybrid forms of protection on my part. Finally, the ethical and medical-legal approaches may lead to a reconsideration of the traditional underlying concepts of autonomy and the assessment of capacity.


Veerle Vanderhulst Ph.D.
Veerle Vanderhulst works at the Faculty of Law and Criminology, Vrije Universiteit Brussel

    This report discusses the interesting remarks and conclusions made by the speakers at the ERA seminar, ‘Recent Case Law of the European Court of Human Rights in Family Law Matters’, which took place in Strasbourg on 11-12 February 2016. The report starts with a brief discussion on the shifting notion of ‘family life’ in the case law of the ECtHR, then turns to best interests of the child in international child abduction cases, the Court’s recognition of LGBT rights and finally the spectrum of challenges regarding reproductive rights in the Court’s case law. The overarching general trend is that the Court is increasingly faced with issues concerning non-traditional forms of family and with issues caused by the internationalisation of families. How this is seen in the Court’s recent case law and how it effects the various areas of family law is discussed in this report.


Charlotte Mol LL.B.
Charlotte Mol is a Legal Research Master student at the University of Utrecht, where she specializes in family law and private international law. She has assisted the Commission on European Family Law with the editing of the comparative study on informal relationships. As a guest student she visited the University of Antwerp for two months, where she researched the best interests of the child in international child abduction cases in collaboration with, and under the supervision of, Prof. Thalia Kruger. She holds a European Law School LL.B. from Maastricht University.

    Op 29 september 2015 werd te Antwerpen een studiedag georganiseerd getiteld, ‘Gezinstransities vanuit het perspectief van de kinderen’. Aangezien tegenwoordig steeds meer kinderen opgroeien in een nieuw samengesteld gezin, rijst de vraag hoe kinderen deze nieuwe gezinssamenstelling ervaren en welke functies de verschillende betrokken professionals daarbij vervullen. Tijdens de studiedag stond deze vraag centraal en werd het ontstaan van een dergelijk nieuw samengesteld gezin na echtscheiding vanuit verschillende invalshoeken onderzocht. Daarbij werden de ervaringen met het ouderschapsplan in Nederland eveneens toegelicht, en dit vanuit juridisch en sociologisch standpunt. Vervolgens werden een aantal workshops georganiseerd waar onder meer de pedagogische ouderschapsbelofte met de opvoedingspiramide aan bod kwam, het juridische ouderschapsplan, het plusouderschapsplan, alsook de rol van magistraten in de familie- en jeugdrechtbanken. Tot slot vond een debat plaats tussen verschillende panelleden, zijnde prof. Frederik Swennen, mevrouw Nancy Bleys, raadgever Justitie bij het Vlaams Ministerie van Welzijn, de federaal minister van Justitie, Koen Geens en een jongerenvertegenwoordiger, Thomas van Grinsven.
    On September 29th 2015 a conference was held in Antwerp. The title of the conference was ‘Family transitions from the perspective of the children’. Because nowadays an increasing number of children grow up in newly recomposed families, questions arise concerning the influence of these newly recomposed families on the wellbeing of children who live in these families. Moreover, questions arise about the part which different professionals play within this context. The family recomposition and its impact were studied from different perspectives. Since the Netherlands has introduced an ‘ouderschapsplan’ (‘parenting plan’) some time ago, several findings on such plans were presented from a legal and a sociological perspective. Thereafter, workshops were organised which concerned de ouderschapsbelofte (‘the parental promise’), het juridische ouderschapsplan (‘the legal parenting plan’), het plusouderschapsplan (the ‘plus parenting plan’) and the role played by magistrates confronted with conflicts in the family court. Finally, a debate was held between prof. Frederik Swennen, the Flemish Minister of Welfare, Nancy Bleys, the federal Minister of Justice Koen Geens and Thomas Van Grinsven as a representative of the youth.


Ulrike Cerulus
Ulrike Cerulus is a researcher at the law faculty of Hasselt University (Belgium), where she is preparing a PhD thesis with respect to parental rights and responsibilities within recomposed families.

Charlotte Mol
Charlotte Mol is a student assistant at the Utrecht Centre for European Research into Family Law (the Netherlands).

    This contribution provides an introduction to the main theme’s that are discussed in micro-, meso- and macroeconomics relating to family law. The occasion was a closed international expert seminar organized by RETHINKIN. (www.rethinkin.eu), a Scientific Research Network financed by the Research Foundation Flanders. The seminar concerned the compensation of household production between partners on the one hand, and intergenerational care for the elderly on the other. A report on the legal aspects is also available on this forum. This contribution first situates the economics of family in general, before discussing the main functions of practicing the economics of family law: (a) avoiding legislative mistakes, (b) using incentives to encourage altruistic behaviour, (c) using disincentives to discourage opportunistic behaviour and finally, (d) applying family economics as a benchmark for protective measures. It is concluded that employing the economics of family law encounters some difficulties, but that the possibilities it offers for legal development outweigh the difficulties.
    Deze bijdrage biedt een inleiding op de voornaamste thema’s die aan bod komen in de micro-, meso- en macro-familierechtseconomie. Aanleiding was een besloten internationaal expertenseminar dat werd georganiseerd door RETHINKIN. (www.rethinkin.eu), een wetenschappelijke onderzoeksgemeenschap gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen. Dat seminar betrof de compensatie van huishoudelijke productie tussen partners enerzijds en intergenerationele zorg voor ouderen anderzijds. Een verslag van het juridische gedeelte is ook op dit forum beschikbaar. Deze bijdrage situeert eerst de familie-economie in het algemeen, vooraleer in te gaan op de belangrijkste functies van de beoefening van defamilierechtseconomie: (a) het voorkomen van verkeerde wetgevende keuzen, (b) het aanmoedigen in de wetgeving van altruïstisch gedrag, (c) het ontmoedigen in de wetgeving van opportunistisch gedrag en ten slotte (d) de onzichtbare hand als opmaat voor een minimale wetgevende bescherming. De conclusie luidt dat de beoefening van de familierechtseconomie op sommige moeilijkheden stuit, maar dat de mogelijkheden ervan voor een goede rechtsontwikkeling meer gewicht in de schaal leggen.


Prof. dr. Frederik Swennen
Frederik Swennen is a senior lecturer at the University of Antwerp and an attorney at the Brussels Bar.

    Dit artikel ontleedt het vaderschap, zowel op Belgisch als Europees niveau. Wie juridisch als vader wordt aangeduid, is niet altijd biologisch of sociaal vader voor een kind. Hoe dient de afweging van rechten en plichten voor deze verschillende vaders dan te gebeuren?
    Deel één bespreekt de vaderlijke afstamming naar Belgisch recht aan de hand van recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. In vier centrale thema’s wordt het standpunt van het Hof geplaatst tegenover dat van de wetgever en het EHRM. Aan bod komen: bezit van staat, vervaltermijnen, het belang van het kind en verboden afstamming. De doelstelling lijkt het bewerkstelligen van een grotere individualisering van het afstammingsrecht. Dit leidt tot een patstelling voor de wetgever, die zal moeten bepalen hoe het afstammingsrecht naar de toekomst toe wordt geconstrueerd. Verdedigd wordt dat een belangenafweging zich voornamelijk dient te situeren bij de betwistingsprocedure, daar waar bij gebrek aan een reeds gevestigd juridisch vaderschap de biologische band mag primeren.
    Vervolgens wordt het vaderschap naast het moederschap geplaatst. Waar voor moeders een zekere vanzelfsprekendheid geldt, is dit allesbehalve zo voor vaders. Bovendien heeft de moeder een bepaalde zeggenschap over wie de vader van het kind wordt.
    Na een toelichting van het begrip ouderlijk gezag wordt de kneedbaarheid ervan aangegrepen om nieuwe voorstellen te formuleren. Ingrepen op het ouderlijk gezag, waaronder de ontzetting, kunnen ervoor zorgen dat een sociaal onwenselijke biologische afstammingsband alsnog kan worden gevestigd. Wanneer meerdere vaderfiguren zich aandienen, kan een uitbreiding van (bepaalde) gezagsrechten naar andere personen soelaas bieden.
    Tot slot verkennen we de verdeling van verschillende vaderfuncties over meerdere personen, zoals die reeds bestaat voor het omgangsrecht en de alimentatieverplichting. De lege ferenda wordt gepleit voor een “attest van verwekkerschap”, een verklaring naar recht van het biologisch verwekkerschap, waaraan bepaalde rechtsgevolgen worden gekoppeld.
    This article analyses fatherhood from a Belgian and European context. The legal father is not necessarily the biological or social father. How should we balance the rights and obligations of these different kinds of fatherhood?
    Part one reviews paternity in Belgian law through recent jurisprudence of the Supreme Court. In four central themes the Supreme Court’s position is weighed against that of the legislator and the ECHR. The four central themes are discussed in the following order: “possession of state”, statutes of limitations, the best interests of the child, and illegal filiation. The aim of the Supreme Court seems to be a case by case appreciation of filiation. It is then up to the legislator to decide how legal parentage is to be construed in the future. A balancing of interests should be the primary - and maybe even exclusive - consideration when the paternity is disputed. Where legal paternity has yet to be established, biological ties should be decisive.
    Next, legal paternity will be compared to legal maternity. Whereas establishing legal parentage seems to be quite evident in the case of mothers, this is not so straightforward for fathers. Moreover the mother has a say in who is to be the legal father.
    After a clarification ofthe concept ‘parental authority’, its flexible nature is taken as a starting point to suggest new solutions. Intervening in parental authority allows us to establish the socially undesirable biological paternity.In the case of multiple father figures, an expansion of specific authority rights to others may offer an alternative solution.
    Lastly, we explore the possibility of sharing paternal rights and obligations among multiple candidates, as is the case for visitation rights and child support obligations. We argue in favour of a “certificate of procreation” - a declaration of biological relationship that generates specific legal consequences.


Eline Smeuninx MA
Eline Smeuninx graduated from the law faculty of the University of Antwerp in 2014. She now specialises in medical law. As of September 2015 she will work as an associate in a law firm in Antwerp.
Article

Access_open Religie en cultuur in familierechtelijke beslissingen over kinderen

Journal Family & Law, September 2015
Authors Mr. dr. Merel Jonker, Rozemarijn van Spaendonck and Mr. dr. Jet Tigchelaar
AbstractAuthor's information

    In deze bijdrage worden de resultaten gepresenteerd van een uitgebreid jurisprudentieonderzoek naar de wijze waarop religie en cultuur betrokken worden in de overwegingen van de rechter in familierechtelijke beslissingen over kinderen in Nederland. Naast een kwantitatief overzicht van de gepubliceerde jurisprudentie worden de uitspraken inhoudelijk ontsloten en geanalyseerd aan de hand van thema's zoals bloedtransfusies, cultuurverschillen en identiteitsontwikkeling, rituelen (besnijdenis en doop) en schoolkeuze. Bij de analyse wordt onderscheid gemaakt tussen de rechten van het kind en de rechten van ouders, en wordt ingegaan op de vraag welke criteria de rechter hanteert voor de afweging van de rechten van het kind en diens ouders. Ook wordt besproken in hoeverre internationale normen herkenbaar zijn in de overwegingen van de rechter. Uit de 79 rechtszaken waarin de rechter overwegingen wijdt aan religie en cultuur, blijkt dat deze aspecten zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op het belang van het kind en met name op de identiteitsontwikkeling van het kind. De rechter hanteert hierbij criteria zoals: schade voor de gezondheid van het kind, sociale aansluiting met anderen van dezelfde religieuze of culturele achtergrond, en praktische overwegingen.
    This contribution presents the results of an extensive Dutch case law study on the way in which religion and culture play a role in the considerations of judges in family law decisions regarding children. In addition to a quantitative overview of the published case law in the Netherlands, the decisions are analysed on the basis of themes such as blood transfusion, culture differences and identity development, rituals (circumcision and baptism), and choosing a school. In the analysis, a distinction is made between the rights of the child and the rights of parents. Furthermore, the criteria which the judge deploys to balance the rights of the child and the rights of its parents are addressed. Finally, the extent to which international legal standards can be identified in the considerations of the judge is discussed. From the 79 cases in which the judge consider to religion and culture, it appears that these aspects can have both positive and negative effects upon the best interests of the child, and in particular upon the identity development of the child. In these cases, the judge uses criteria such as: harm to the health of the child, social connections with others of the same religious and cultural background, and practical day-to-day considerations.


Mr. dr. Merel Jonker
Merel Jonker is als universitair docent verbonden aan de vakgroep Privaatrecht van de Universiteit Utrecht en aan het Utrecht Centre for European research into Family Law (UCERF).

Rozemarijn van Spaendonck
Rozemarijn van Spaendonck is Legal Research Master student en is vanaf 1 november 2015 als aio verbonden aan de vakgroep Strafrecht van de Universiteit Utrecht.

Mr. dr. Jet Tigchelaar
Jet Tigchelaar is als universitair docent verbonden aan de vakgroep Staats- en bestuursrecht en rechtstheorie van de Universiteit Utrecht en aan het Utrecht Centre for European research into Family Law (UCERF).

    Op 11 februari 2015 heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa de Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation aangenomen. Dit is het eerste Europese instrument over het verhuizen met kinderen na scheiding. De Recommendation heeft een duidelijk tweeledig doel: het voorkomen van conflicten over verhuizingen met kinderen en, indien een conflict is gerezen, het bieden van richtsnoeren voor het oplossen daarvan. In deze bijdrage staan in de eerste plaats de inhoud van de Recommendation en de daarbij gemaakte keuzes centraal. Daarnaast wordt ingegaan op de vraag wat deze Recommendation kan betekenen voor het Nederlandse recht en de toepassing daarvan in verhuiszaken. In de Recommendation worden enige, naar het oordeel van de auteur verstandige keuzes gemaakt. Zo verdient het stevig inzetten op alternatieve geschiloplossing steun. Daarnaast is de aanbevolen afzonderlijke beoordeling van het belang van het kind, zonder dat dit belang echter de doorslag hoeft te geven, in overeenstemming met vaste rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. Ook het pleidooi voor een neutrale, kind-gecentreerde, casuïstische benadering door de rechter strookt met de wijze waarop Nederlandse rechters tot hun beslissingen in verhuiszaken komen. Specifieke verhuiswetgeving op deze punten, zoals de Recommendation voorstelt, acht de auteur dan ook niet nodig. Wel zou de wettelijke verankering van de in de Recommendation voorgestelde formele notificatieplicht kunnen bijdragen aan het voorkomen van verhuisconflicten. Krachtens deze plicht dient de ouder met een verhuiswens de andere ouder – schriftelijk en binnen een redelijke termijn – te informeren over de voorgenomen verhuizing. Hoewel de verwachtingen van het daadwerkelijke effect van de Recommendation als niet-bindend instrument niet al te hoog gespannen moeten zijn, draagt deze bij aan de erkenning van verhuizing met kinderen als een (hoog)potentieel conflictueuze aangelegenheid.
    On the 11th February 2015 the Committee of Ministers of the Council of Europe adopted the Recommendation on preventing and resolving disputes on child relocation. This is the first European instrument on child relocation. The aim of the Recommendation is twofold: preventing relocation disputes, and in case of a dispute, providing guidelines for solving them. This contribution firstly intends to examine the principles of the Recommendation and the choices that has been made during the drafting process. Secondly, it will look at the question of to what extent the Recommendation could lead to any adjustments of Dutch law and its application in relocation cases. In the opinion of the author, a number of prudent choices have been made in the Recommendation. In the first place, the encouragement of alternative dispute resolution ought to be supported. Secondly, the recommended individual and separate assessment of the best interests of the child (whose interests are, however, not decisive) is in accordance with the case law of the Supreme Court of the Netherlands in relocation cases. The plea for a neutral, child centered, case-by-case approach by the court is also consistent with the way in which Dutch courts make their decisions in relocation cases. Specific relocation legislation in this regard is not necessary in the opinion of the author. However, a legislative provision requiring the relocating parent to inform the other parent prior to the intended relocation might contribute to the prevention of disputes on child relocation. Although expectations concerning the actual effect of the Recommendation as a non-binding instrument should not be too high, it nevertheless contributes to the recognition of child relocation as an issue with a high potential for conflict.


Prof. mr. Lieke Coenraad
Prof. mr. Lieke Coenraad is Professor of Private Law and Dispute Resolution at the law faculty of VU University Amsterdam. She is also deputy judge at the Court of Appeal of Amsterdam.

    Zowel in België als in Nederland komt draagmoederschap voor. Deze bijdrage heeft tot doel om de houding van de twee buurlanden ten aanzien van dit controversiële fenomeen te onderzoeken en te vergelijken.
    De wensouders en draagmoeders ervaren meerdere juridische obstakels. Zo blijkt in beide landen de draagmoederschapsovereenkomst niet geldig en evenmin afdwingbaar te zijn. Hoewel in Nederland de mogelijkheid bestaat om het ouderlijk gezag over te dragen van draagmoeder naar wensouders, is het ook daar, net zoals in België, allesbehalve evident om de band tussen kind en wensouders juridisch te verwezenlijken. Noch de oorspronkelijke, noch de adoptieve afstamming is aan het fenomeen aangepast. Vooral voor Nederland is dit vreemd aangezien de Nederlandse wetgeving uitdrukkelijk bepaalt onder welke voorwaarden medisch begeleid draagmoederschap toegelaten is. De wet schept met andere woorden een gezondheidsrechtelijk kader, maar regelt niet de gevolgen van het draagmoederschap. In België is er daarentegen geen enkele wetgeving betreffende draagmoederschap. Dit betekent dat de onaangepaste wetgeving betreffende medisch begeleide voortplanting van toepassing is op draagmoederschap. Over deze toepassing en de gevolgen ervan bestaat evenwel onduidelijkheid. Commercialisering van draagmoederschap leidt ook tot problemen. In Nederland is professionele bemiddeling en het openbaar maken van vraag en aanbod met betrekking tot draagmoederschap strafbaar gesteld. Daarnaast kunnen de omstandigheden van een zaak waarin het kind als het ware verkocht wordt aan de wensouders zowel in België als in Nederland leiden tot andere misdrijven. Gelet op dit alles begeven sommige wensouders zich naar het buitenland om daar beroep te doen op draagmoederschap. Wensen zij terug te keren met het kind naar het land van herkomst, dan leidt dit in beide buurlanden tot internationaalprivaatrechtelijke problemen.
    Door het gebrek aan een algemeen wettelijk kader, is het draagmoederschapsproces in beide landen vaak een calvarietocht. Dit leidt tot rechtsonzekerheid. Oproepen tot een wettelijk ingrijpen bleven tot nu toe echter onbeantwoord.
    Surrogacy is practiced in Belgium and the Netherlands. The aim of this contribution is to compare the many legal aspects of the phenomenon. In both countries legal problems surround surrogacy: the surrogacy contract is unenforceable; it is difficult for the intended parents to become the legal parents; commercial surrogacy can result in criminal sanctions and cross-border surrogacy leads to limping legal relations. The main differences between the two legal systems are that in Belgium there is no regulation at all, while in the Netherlands, professional mediation and advertising in surrogacy are explicitly forbidden and Dutch law provides a limited health law regulation. In both countries scholars have pressed the need for legal change.


Dr. Liesbet Pluym Ph.D.

    Those who talk can be heard. Those who are allowed to talk may be listened to. This study is an attempt to give legal voice to those who cannot talk or are usually not listened to: children. This study is about the attention given to their interests, the best interests of the child. When these interests are immersed in a minority context, children may be overlooked for different reasons, including discriminatory attitudes or prejudice regarding their families. Law and its interpretation must be changed in order to include the difference. This study discusses the best interests of the child principle with special attention to its legal relevance in cases where lesbians, gays, bisexual and transgender (LGBT) are, or want to be, parents. The authoritative source for the interpretation of the principle is the United Nations (UN) Convention on the Rights of the Child (CRC). The analysis focuses on the European Court of Human Rights (ECtHR) and its case law. The study aims to explore the Court’s approach to the best interest of the child and identify whether the principle is being consistently applied in cases involving LGBT families, given the fact that sexual orientation and gender identity are still sensitive issues in Europe. This is done by comparing these cases to cases lodged by applicants who were not identified as an LGBT person. The margin of appreciation doctrine and the lack of European consensus on sexual minorities’ rights are confronted with the urgent paramount consideration that has to be given to children’s best interests. The analysis explores whether there is room for detecting a possible Court’s biased approach towards the concept of the best interests of the child. This study challenges the Court’s decisions in the sense that the focus should not only be at the LGBT parents’ rights to private and family life, but also at the interests of their daughters and sons. This is an attempt to call upon the ECtHR and all states not only to actively fight discrimination against LGBT persons, but, ultimately, to stop interpreting the concept of the best interests of the child in an arguably biased way, and to consider the principle’s legal value in any decision, regardless of their parents’ sexual orientation, gender identity or any other distinction.


Mr. Gabriel Alves de Faria
Gabriel Alves de Faria is a Brazilian lawyer, LGBTI activist and human rights specialist who holds a Law degree from the Federal University of Espirito Santo and a European Master’s Degree in Human Rights and Democratisation (E. MA/EIUC - Utrecht University). Among other legal and social experiences in the human rights field, Gabriel has worked as a researcher in comparative sexual orientation Law at Leiden University and most recently as a Fellow and consultant lawyer at the LGBTI Rapporteurship of the Inter-American Commission on Human Rights in Washington, DC. His latest project is a documentary on the situation of LGBTI persons in Southeast Asia.

    Legal position of a known donor constitutes an ongoing challenge. Known donors are often willing to play a role in the child’s life. Their wishes range from scarce involvement to aspiring legal parentage. Therefore three persons may wish for parental role. This is not catered for in the current laws allowing only for two legal parents. Several studies show how lesbian mothers and a donor ’devise new definitions of parenthood’ extending ’beyond the existing normative framework’. However, the diversity in the roles of the donors suggests a split of parental rights between three persons rather than three traditional legal parents. In this article I will discuss three jurisdictions (Quebec, Sweden and the Netherlands), allowing co-mother to become legal parent other than by a step-parent adoption. I will examine whether these jurisdictions attempt to accommodate specific needs of lesbian families by splitting up parentage ’package’ between the duo-mothers and the donor.


Prof. mr. Masha Antokolskaia Ph.D.
Masha Antokolskaia is professor of Private Law (in particular, Personal Status and Family Law) at the VU University Amsterdam. She is a member of the Commission on European Family Law (CEFL) and a board member of the International Society of Family Law. She is author of a diverse range of monographs and articles written in Dutch, English and Russian. Her main research areas are: European comparative Family Law and Dutch Family Law, with particular regard to the law relating to relationships, parentage and divorce.
Showing 1 - 20 of 29 found texts
« 1
You can search full text for articles by entering your search term in the search field. If you click the search button the search results will be shown on a fresh page where the search results can be narrowed down by category or year.