About this search function

You can search through the full text of all articles by filling in your search term(s) in the search box. If you press the ‘search’ button, search results will appear. This page contains filters, which can help you to quickly find the article you are looking for. At the moment, there are two different filters: category and year.

Citeerwijze van dit artikel:
Katrien De Vos Ph.D., ‘Verslag van het internationale besloten expertenseminarie Family Studies’ Perspectives towards Household Production and Informal Elderly Care’, Family & Law 2016, januari-maart, DOI: 10.5553/FenR/.000024

DOI: 10.5553/FenR/.000024

Family & LawAccess_open

Article

Verslag van het internationale besloten expertenseminarie Family Studies’ Perspectives towards Household Production and Informal Elderly Care

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Katrien De Vos Ph.D., 'Verslag van het internationale besloten expertenseminarie Family Studies’ Perspectives towards Household Production and Informal Elderly Care', Family & Law February 2016, DOI: 10.5553/FenR/.000024

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Inleiding

      1. Op donderdag 12 en vrijdag 13 november 2015 vond het eerste internationale besloten expertenseminarie van RETHINKIN. plaats te Gent en Kortrijk. Dit seminarie is het initiatief van de Wetenschappelijke Onderzoeks Groep (WOG) RETHINKIN. (Rethinking legal kinship studies in the Low Countries). Deze WOG is het resultaat van de samenwerking tussen enerzijds de Vlaamse Vereniging voor Familie & Recht (V.Fam.) en anderzijds de Nederlandse Alliantie Familie & Recht. Het doel van RETHINKIN. is het herdefiniëren van het familierecht in de Lage Landen (www.rethinkin.eu).
      2. Op het seminarie debatteerden internationale experten gedurende twee dagen over twee thema’s: de vergoeding van huishoudelijke inspanningen in relaties enerzijds en de zorg voor ouderen anderzijds. Deze topics werden op de eerste dag geanalyseerd vanuit economisch standpunt. Hierna wordt enkel ingegaan op de tweede dag van het seminarie, waarop beide thema’s in juridisch en historisch perspectief werden geplaatst.

    • De vergoeding van huishoudelijke inspanningen in partnerrelaties

      3. Wanneer één van de echtgenoten of partners de huishoudelijke taken op zich neemt en daarnaast geen of slechts beperkte professionele activiteiten verricht, bevindt hij zich in een economisch kwetsbare positie bij de beëindiging van de relatie door overlijden of scheiding. Om wantoestanden te vermijden, kan het recht de kwetsbare echtgenoot of partner beschermen. De nationale wetgevingen doen dit op verschillende wijzen en in verschillende mate. Hierna komen achtereenvolgens de Nederlandse, Britse, Catalaanse, Noorse en Belgische wetgeving met betrekking tot de vergoeding van huishoudelijke inspanningen aan bod. Dit deel van het expertenseminarie werd voorgezeten door professor Charlotte Declerck (UHasselt) en professor Leon Verstappen (Rijksuniversiteit Groningen).

    • Het Nederlandse recht

      4. Professor Verstappen was ook de eerste spreker en lichtte het Nederlandse recht toe. Hij kaartte de kwestie inzake onbillijke eigendomsregimes tussen echtgenoten en (geregistreerde) partners aan. Hierover heerste recentelijk discussie in Nederland. Indien de echtgenoten geen andere regeling inzake hun eigendomsverhoudingen overeenkomen, voorziet de wet in een regime van gemeenschap van goederen. Dit kan beschouwd worden als een vergoedingsmechanisme voor huishoudelijke inspanningen. Wanneer de echtgenoten of partners evenwel overeenkomen dergelijk vergoedingsmechanisme uit te sluiten, rijst de vraag of dit onbillijke gevolgen veroorzaakt. Diezelfde vraag rijst ten aanzien van feitelijk samenwonende partners. Zij ervaren namelijk dezelfde onbillijke gevolgen, wegens gebrek aan wetgeving betreffende hun eigendomsverhoudingen.
      5. Naar aanleiding van dit debat werd in opdracht van de Nederlandse minister van Justitie een onderzoek gevoerd naar de noodzaak aan een wetgevend ingrijpen voor dergelijke situaties. De conclusie van het onderzoek was dat er wel degelijk nood is aan een tussenkomst van de wetgever. Oplossingen die werden gesuggereerd, waren onder meer het aanreiken van criteria aan de rechter wanneer huishoudelijke inspanningen moeten vergoed worden en/of het toekennen van een discretionaire bevoegdheid aan de rechter om een huwelijks- of samenlevingsovereenkomst aan te passen. Voor feitelijk samenwonenden werd voorgesteld om de regelgeving inzake echtgenoten eveneens toe te passen, bijvoorbeeld door het invoeren van een wettelijke onderhoudsplicht na beëindiging van de relatie. De wetgever erkende de problemen, maar wilde hieromtrent geen nieuwe wetgeving. Hij raadde de advocaten en rechters daarentegen aan om gebruik te maken van de bestaande wetgeving. Volgens professor Verstappen vreesde de wetgever lange en kostelijke procedures en werden de voorgestelde oplossingen van het onderzoek om die reden niet aangenomen.

    • Het Britse recht

      6. De tweede nationale situatie die aan bod kwam, was die van Groot-Brittannië. Deze werd uiteengezet door professor Anne Barlow (University of Exeter). Zij maakte onmiddellijk de opmerking dat het recht in Engeland en Wales een andere benadering heeft dan Schotland op het vlak van de waardering van huishoudelijke inspanningen binnen relaties. In beide rechtsstelsels is scheiding van goederen tussen echtgenoten en samenwonenden het principe tijdens het huwelijk, maar wanneer het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding, worden de goederen op discretionaire wijze verdeeld. Deze verdeling gebeurt evenwel volgens verschillende regels. Terwijl in Engeland en Wales niet-financiële bijdragen tijdens het huwelijk in hoge mate gewaardeerd worden op grond van het gelijkheidsbeginsel tussen kostwinner en huisvrouw of -man, is er in Schotland een meer beperkte benadering. Economische nadelen van samenwonende partners worden in Schotland daarentegen beter vergoed dan in Engeland en Wales.
      7. In Groot-Brittannië heerst momenteel de discussie of het familierecht moet afstappen van het principe van solidariteit na beëindiging van de relatie. In de huidige samenleving worden beide echtgenoten of partners immers als gelijkwaardig beschouwd en zouden zij in staat moeten zijn om autonoom tot afspraken te komen over de afwikkeling van de financiële gevolgen van hun relatie. Deze tendens veronderstelt een aanzienlijke gelijkheid tussen de kostwinner en de huisvrouw of man en volgens sommigen is dit meer fictie dan feit. Het afstappen van solidariteit zou bijgevolg de waardering van huishoudelijke inspanningen binnen relaties ondermijnen.

    • Het Catalaanse recht

      8. Professor Josep Ferrer-Riba (Universitat Pompeu Fabra) lichtte toe hoe huishoudelijke inspanningen tussen echtgenoten of partners worden vergoed in het Catalaanse recht. In dit rechtsstelsel wordt rekening gehouden met huishoudelijke arbeid op twee verschillende tijdstippen: enerzijds in het eigendomsregime van echtgenoten of samenwonenden tijdens hun relatie en anderzijds bij de eventuele toekenning en begroting van het onderhoudsgeld naar aanleiding van een relatiebreuk.
      9. Tijdens het huwelijk rijst de vraag of huishoudelijke inspanningen moeten worden vergoed op basis van het loon van een werknemer, dan wel of het huishoudelijk werk moet worden gecompenseerd door een regime van gemeenschap van aanwinsten. In het eerste geval wordt de huisvrouw of -man beschouwd als een werknemer, terwijl in een stelsel van gemeenschap van aanwinsten er eerder sprake is van partnerschap tussen de echtgenoten of partners. De Catalaanse wet, hierin gevolgd door de rechtspraak, geeft de voorkeur aan de tweede oplossing, namelijk een deelname van de echtgenoot of partner die huishoudelijke inspanningen heeft verricht in de aanwinsten die de andere echtgenoot of partner heeft weten te vergaren met zijn inkomen.
      10. Na beëindiging van de relatie houdt het Catalaanse recht rekening met de huishoudelijke inspanningen die het verdienvermogen van de huisvrouw of -man hebben aangetast. Dit wordt in rekening gebracht bij de vaststelling van wie al dan niet gerechtigd is op een onderhoudsuitkering na beëindiging van de relatie, maar niet bij de begroting ervan. De onderhoudsuitkering wordt daarentegen begroot enerzijds op basis van de economische schade die de onderhoudsgerechtigde heeft opgelopen en anderzijds op basis van diens behoeften. Een recente trend in de rechtspraak waarbij een kapitaal in plaats van een periodieke uitkering wordt toegekend, kan mogelijk leiden tot een meer begrijpelijke en billijkere inachtneming van huishoudelijke inspanningen. Deze trend is evenwel nog geen vaststaande praktijk.

    • Het Noorse recht

      11. Het Noorse recht inzake de waardering van huishoudelijk werk werd uiteengezet door professor Tone Sverdrup (Universitetet i Oslo). Al in 1975 was het Noorse Hooggerechtshof zeer progressief en oordeelde het dat een vrouw, die huisvrouw was en de zorg droeg voor kleine kinderen, mede-eigenaar was van het huis dat was verworven tijdens het huwelijk door haar echtgenoot, met zijn inkomen dat hij had verdiend tijdens het huwelijk. Dit principe werd in 1991 opgenomen in de Noorse wetgeving.
      12. Professor Sverdrup vergeleek de visie van het Noorse Hooggerechtshof met die van de Law Commission for England and Wales en van het American Law Institute. De laatste twee instanties zijn namelijk van mening dat huisvrouwen of -mannen veel minder bijdragen tot de aanwinsten van het gezin in vergelijking met kostwinners. Dit verschil vindt zijn oorzaak in hoe de familie wordt gekwalificeerd. Terwijl volgens het Noorse Hooggerechtshof de echtgenoten of partners verbonden zijn in een relatie waarbij zij een economische eenheid vormen en elkaars inspanningen mogelijk maken, wisselen de echtgenoten of partners huishoudelijke inspanningen en financiële middelen uit volgens de Law Commission for England and Wales en het American Law Institute. Aan de financiële inspanningen wordt in dit laatste geval een groter gewicht toegekend, waardoor huishoudelijke arbeid enkel wordt vergoed op het einde van de relatie indien de huisvrouw of -man aantoont dat zij of hij minstens evenveel heeft bijgedragen aan de aanwinsten verworven tijdens de relatie.

    • Het Belgische recht

      13. De waardering en vergoeding van huishoudelijke inspanningen tussen echtgenoten en samenwonenden naar Belgisch recht werd uiteengezet door professor Charlotte Declerck en professor Ingrid Boone (KU Leuven – Kulak). Hierbij verduidelijkte professor Declerck eerst en vooral op welke wijze huishoudelijke inspanningen worden vergoed onder een stelsel van gemeenschap van goederen enerzijds en onder een stelsel van scheiding van goederen anderzijds. Vervolgens reikte professor Boone een concrete begrotingsmethode van huishoudelijk werk aan.
      14. Onder gemeenschap van goederen worden huishoudelijke inspanningen vergoed door het huwelijksvermogensstelsel zelf. De aard, duur of intensiteit van de geleverde inspanningen is irrelevant. Er zijn daarentegen slechts een beperkt aantal grondslagen voor de vergoeding van huishoudelijk werk onder een stelsel van volledige scheiding van goederen. Deze grondslagen worden bovendien niet steeds aanvaard. De lege ferenda pleit professor Declerck dan ook voor de invoering van een recht op vergoeding van huishoudelijk werk, net zoals in het Catalaanse recht waarin de echtgenoot of partner die huishoudelijke inspanningen verricht, deelneemt in de aanwinsten verworven tijdens de relatie.
      15. Om de huishoudelijke inspanningen van één van de echtgenoten of partners te begroten, kan inspiratie gevonden worden in het aansprakelijkheidsrecht. In deze rechtstak wordt een slachtoffer van een schadegeval vergoed voor het verlies van de mogelijkheid om huishoudelijk werk te verrichten. De Belgische rechtspraak heeft voor de begroting van de schade richtlijnen opgesteld in de Indicatieve Tabel. Hoewel het een niet-bindend instrument is, bevordert de Indicatieve Tabel eenvormige rechtspraak en voorzienbaarheid, wat de rechtszekerheid ten goede komt. De huishoudelijke schade wordt begroot op basis van de geschatte waarde van de huishoudelijke arbeid die het slachtoffer als gevolg van de letsels niet kan verrichten.

    • Discussie

      16. Na deze uiteenzettingen volgde een discussie. Een eerste bemerking werd gemaakt met betrekking tot het uitgangspunt van het Catalaanse en Belgische recht. Beide rechtsstelsels hebben een economische invalshoek: de echtgenoot of partner die huishoudelijke inspanningen verricht, wordt voor die inspanningen als een werknemer op basis van een loon vergoed. Professor Swennen (UAntwerpen) vindt dit geen goed uitgangspunt en verkiest het gezin als een economische eenheid te beschouwen. Echtgenoten of partners zijn vanuit dat standpunt geen werknemers maar aandeelhouders.
      17. Bovendien houdt de waardering van huishoudelijk werk op basis van het loon van een werknemer geen rekening met de investering in het menselijk kapitaal van de echtgenoot of partner die buitenshuis werkt. Professor Swennen herhaalt dan ook zijn pleidooi om het gezin als een economische eenheid te beschouwen. Hij wordt hierin bijgetreden door professor Barlow die pleit voor het behoud van solidariteit in het familierecht, waarbij het gezin als eenheid het model is. Op die manier worden de inspanningen van beide partners gelijkwaardig gewaardeerd. Professor Elisabeth Alofs (Vrije Universiteit Brussel) merkt hierover op dat niet alleen de voordelen die tijdens een relatie verworven worden, verdeeld moeten worden, maar ook de nadelen. Volgens haar is er bijgevolg nood aan andere vergoedingsmechanismen, zoals onderhoudsgeld.
      18. Tot slot werd nog gediscussieerd over de wijze van vergoeding van huishoudelijke inspanningen: moet dit door middel van onderhoudsgeld, door middel van een verdeling van eigendom of dienen beide wijzen van vergoeding te worden aangewend? Volgens professor Alofs is er nood aan beide vergoedingsmechanismen. Zij betreurt dat de huidige wetgeving inzake eigendom neigt naar meer solidariteit, terwijl de wetgeving met betrekking tot onderhoudsgeld minder solidair is, bijvoorbeeld door de onderhoudsuitkering meer te beperken in de tijd. Professor Barlow merkt hierover op dat in Groot-Brittannië geen onderhoudsgeld meer wordt gevorderd omwille van de moeilijke invordering.

    • Verticale solidariteit: de zorg voor ouderen

      19. In het tweede deel van het expertenseminarie stond de zorg voor ouderen centraal. Professor Wendy Schrama (Universiteit Utrecht en Universiteit Groningen) en professor Elisabeth Alofs zaten voor en gaven een introductie over de recente evoluties in Nederland respectievelijk België. Hierbij wees professor Schrama eerst en vooral op de bevolkingssamenstelling, die steeds meer de vorm aanneemt van een omgekeerde piramide. Door het lagere aantal jonge mensen en het hogere aantal ouderen neemt de druk op de financiële middelen toe en stijgt de vraag naar ouderenzorg. Bovendien is de levensverwachting gestegen, maar de jaren die we langer leven, brengen we niet noodzakelijk door in goede gezondheid. Dit alles leidt tot zorgproblemen, waarbij men geconfronteerd wordt met verschillende juridische en ethische kwesties, zoals het vinden van een evenwicht tussen het zelfbeschikkingsrecht van ouderen tegenover de bescherming van kwetsbare ouderen. Deze zorgproblemen moeten of kunnen opgelost worden door verschillende actoren, namelijk de staat, de markt en/of de familie. Hierbij rijst de vraag welke rol deze actoren op zich moeten nemen en hoe die rol moet worden ingevuld.
      20. Verschillende rechtstakken reiken reeds oplossingen of maatregelen aan voor (ouderen)zorg. Om een coherent systeem van (ouderen)zorg te waarborgen, moeten alle maatregelen verspreid over de verschillende rechtstakken in rekening worden gebracht. Dit is uiteraard geen sinecure. Dit wordt bovendien bemoeilijkt door de hoge mate aan diversiteit van de bevolking; wat werkt voor één groep, werkt niet noodzakelijk voor een andere groep. Tussen mannen en vrouwen zijn er bijvoorbeeld grote verschillen, zoals op het vlak van armoede. Voorts zijn er sociale ongelijkheden. Daarenboven heeft niet elke oudere persoon een familie op latere leeftijd die voor hem of haar kan (of wil) zorgen.

    • De zorg voor ouderen in historisch perspectief

      21. Al deze zorgkwesties doen vele vragen rijzen. Een mogelijke oplossing kan gezocht worden door terug te kijken naar het verleden. Doctor in de geschiedenis Froukje Pitstra (Universiteit voor Humanistiek te Utrecht) plaatste de zorg voor ouderen dan ook in historisch perspectief. De 21e eeuw wordt volgens haar momenteel als de eeuw van de stad bestempeld. Dit blijkt onder meer uit de decentralisatie van de zorg voor ouderen. Als gevolg van deze decentralisatie nemen de lokale en private initiatieven voor ouderenzorg toe. Dit lijkt een nieuw fenomeen te zijn, maar dat is het in feite niet. In het verleden werd ouderenzorg vaker lokaal en door middel van private initiatieven georganiseerd. Als voorbeeld wordt verwezen naar de gasthuizen in Utrecht die lokaal en privaat georganiseerd en gefinancierd werden. Deze gasthuizen voorzagen vanaf de 13e eeuw huisvestings- en verzorgingsfaciliteiten voor ouderen die niet de middelen hadden om voor zichzelf te zorgen. Uit deze ervaringen van het verleden kunnen verschillende lessen voor de huidige situatie worden getrokken, zoals wat zorgverleners motiveert of wat de wensen van de ouderen zijn.

    • Maatregelen ter facilitering van langdurige zorgverlening door werknemers: een vergelijking van de Duitse en de Nederlandse wetgeving

      22. Naast maatregelen met betrekking tot de situatie van de zorgbehoevenden voorziet de wet in bepaalde mogelijkheden voor werknemers die hun professionele activiteit tijdelijk wensen te combineren met, of te onderbreken voor, zorgtaken. Doctor Susanne Heeger-Hertter (Universiteit Utrecht) lichtte de wettelijke mogelijkheden toe voor werknemers om gedurende lange tijd hun professionele activiteit te onderbreken om de zorg voor hun familie, vrienden of buren op te nemen. Hierbij werd de Nederlandse wetgeving vergeleken met de Duitse wetgeving.
      23. Terwijl zowel de Nederlandse als de Duitse wetgever fors inzetten op het verhogen van de arbeidsparticipatie, verschillen beide landen op een ander deel van het beleid: in Nederland worden aanspraken op begeleiding en ondersteuning verminderd en neemt informele zorg aan belang toe, terwijl in Duitsland een tegengestelde beweging plaatsvindt. Daar zien we een ontwikkeling gaande van informele naar meer formele zorg.
      24. Na een overzicht van de verschillende wettelijke mogelijkheden waarover werknemers beschikken om hun professionele activiteit tijdelijk te onderbreken om zorg te verlenen, werden de Duitse en Nederlandse wetgeving in vergelijkend perspectief geplaatst. De Duitse wetgever biedt de zorgende werknemer in de eerste plaats meer inkomensbescherming tijdens een verlofperiode en geeft de verlofganger ook een sterkere bescherming tegen ontslag dan dit in Nederland het geval is.
      Daarnaast heeft de Duitse werknemer echter ook de mogelijkheid tot een langere verlofduur dan zijn Nederlandse collega.
      25. Omdat zowel de Duitse als de Nederlandse wetgeving omtrent facilitering van zorgverlening recentelijk is ingevoerd, valt het nog af te wachten wat de effecten in de praktijk zullen zijn. In beide landen dient voldoende publiciteit te worden gegeven aan deze mogelijkheden waarover de werknemers beschikken. Er wordt evenwel gevreesd dat de complexiteit en het inkomensverlies vele geïnteresseerden zal afschrikken. Bovendien kan een beleid dat erop gericht is om de arbeidsparticipatie te verhogen, conflicteren met beleid dat zorgverlening faciliteert. Daarnaast mag de kostprijs van de zorgverlening en wie die kosten moet dragen niet uit het oog worden verloren: is dit de staat, de werknemer, de werkgever, de zorgbehoevende of een verzekeringsinstantie?

    • Inzichten vanuit onderhoudsrecht

      26. Professor Jordi Ribot Igualada (Universitat de Girona) zette uiteen hoe de zorg voor ouderen kan worden geregeld door middel van het recht op levensonderhoud. Een onderhoudsuitkering geeft personen in nood de financiële middelen om te voldoen aan hun behoeften, met inbegrip van hun zorgbehoeften.
      27. De zorg voor ouderen kan vanuit twee opzichten worden benaderd. Ten eerste kunnen de voorwaarden en het toepassingsgebied van onderhoudsplichten van (klein)kinderen ten aanzien van hun (groot)ouders worden onderzocht. In de tweede plaats kan men de grondslag van deze onderhoudsplichten nagaan. Deze twee perspectieven komen samen in beeld wanneer een onderhoudsplicht wordt afgedwongen door derde instanties, zoals ziekenhuizen en lokale instanties die sociale bijstand hebben verleend en hun kosten wensen te verhalen op de onderhoudsplichtige familieleden. Bij dergelijke vorderingen rijst de vraag naar de legitimiteit en de rechtvaardiging van wettelijke onderhoudsplichten.
      28. De uitbouw van de welvaartstaat tijdens de 21e eeuw heeft evenwel geleid tot een verminderde toepassing van onderhoudsplichten tussen volwassen verwanten. De familieleden namen daarnaast minder zorg op zich door de uitbouw van de publieke zorgvoorzieningen voor ouderen.
      29. De nationale rechtssystemen hebben niet eenduidig gereageerd op deze tendensen. Zeer weinig rechtssystemen hebben de onderhoudsplicht van de kinderen ten aanzien van hun ouders afgeschaft, maar het verhaal van derde (overheids)instanties op de onderhoudsplichtigen van de zorgbehoevende ouder is vaak in onbruik geraakt. Dit is onder meer te wijten aan de strenge vereisten die in de rechtspraak worden gesteld opdat een dergelijke vordering zou slagen.
      30. De financiële overheidsmiddelen staan evenwel onder druk als gevolg van de almaar groter wordende groep van zorgbehoevende ouderen. Indien de familieleden op grond van hun wettelijke onderhoudsplicht worden verplicht om de zorg op zich te nemen, kan de druk op de publieke middelen afnemen. Het risico van deze aanpak is echter dat dit de familiale relaties verstoort. Wanneer derde (overheids)instanties de onderhoudsplicht zouden afdwingen, zou dit eveneens negatieve effecten kunnen hebben. De zorgbehoevenden zouden volgens bepaalde studies geen beroep meer doen op tegemoetkomingen waar zij recht op hebben om het verhaal van derde instanties op hun onderhoudsplichtige familieleden te vermijden.
      31. In plaats van de afdwinging van de onderhoudsplicht pleit professor Ribot Igualada voor een beleid waarin de overheid de familiale solidariteit promoot. De nakoming van de onderhoudsplicht zou hoger zijn door familieleden hiertoe aan te sporen, bijvoorbeeld door middel van fiscale of erfrechtelijke voordelen voor zorgverleners.

    • Slotwoord

      32. Zoals vermeld, beslaat de zorg voor ouderen diverse rechtstakken. Qua beleid kunnen er verschillende keuzes worden gemaakt: moet de focus liggen op het individu, de welvaartstaat of op de families? In België is de overheid de belangrijkste speler, terwijl de familie slechts secundair optreedt. Professor Alofs pleit evenwel voor een verschuiving van de zorg van de overheid naar de familie. Met andere woorden: zij verkiest solidariteit vanwege de familie boven solidariteit vanwege de maatschappij. De familie moet in eerste instantie instaan voor de zorg voor ouderen, en niet de staat zoals vandaag de dag het geval is. Hierbij rijzen de volgende vragen: welke familieleden moeten verantwoordelijk worden gehouden, hoe moet de zorg worden verstrekt (in geld of in natura) en hoe moet de zorg vergoed worden (in het erfrecht of in het pensioenrecht of in een ander rechtstak).

    • Discussie

      33. Na de uiteenzettingen over de zorg voor ouderen werd allereerst de vraag gesteld of het een doel moet zijn om mannen te dwingen zorgtaken op zich te nemen. Conclusie hierover was dat het financiële aspect van de zaak een belangrijke rol speelt; omdat mannen meestal meer verdienen dan vrouwen, valt er voor hen ook meer te verliezen indien zij de zorgtaak op zich nemen. Indien de loonkloof tussen mannen en vrouwen zou verdwijnen of indien de zorgverlener een vergoeding krijgt gedurende de periode van zorgverlening, kan het genderonevenwicht op het vlak van zorgtaken verminderen.
      34. Voorts werd gediscussieerd hoe kinderen van oudere zorgbehoevenden moeten worden vergoed voor hun zorg. Onder meer in Nederland en Noorwegen is het mogelijk om een kind dat zorg heeft verstrekt aan zijn hulpbehoevende ouder, te vergoeden door middel van erfrechtelijke voordelen. De mogelijkheid dat een oudere persoon zich verzekert voor zorg, wordt eveneens naar voor geschoven. Hierop volgt evenwel de kritiek dat de meeste mensen zich dergelijke verzekering niet kunnen veroorloven.

    • Besluit

      35. Het eerste internationale besloten expertenseminarie van RETHINKIN. werd door alle deelnemers als een succes ervaren. De heldere uiteenzettingen en de levendige discussies waren zeer verrijkend en gaven stof tot nadenken. Juristen hebben van gedachten kunnen wisselen met economen en historici, waardoor zij bepaalde wetgevende maatregelen empirisch gefundeerd kunnen voorstellen. Dit geeft de mogelijkheid om het recht beter aan te passen aan de huidige ontwikkelingen en tendensen in de maatschappij.

      In september 2016 wordt het tweede besloten internationale expertenseminarie gehouden, ditmaal te Amsterdam. Op dit seminarie zal het thema wilsonbekwame meerderjarigen centraal staan.

Citation format

Would you like to cite an article from Family & Law? You can do so using this format:

Frederik Swennen, Contractualisation of Family Law in Continental Europe, F&L July - September 2013, DOI: 10.5553/FenR/000008. www.familyandlaw.eu/doi/10.5553/FenR/.000008 (Last accessed: …)


Print this article