About this search function

You can search through the full text of all articles by filling in your search term(s) in the search box. If you press the ‘search’ button, search results will appear. This page contains filters, which can help you to quickly find the article you are looking for. At the moment, there are two different filters: category and year.

Citeerwijze van dit artikel:
Prof. dr. Corine de Ruiter and Brigitte van Pol Msc, ‘Mythen over conflictscheidingen: Een onderzoek naar de kennis van juridische en sociale professionals’, Family & Law 2017, april-juni, DOI: 10.5553/FenR/.000032

DOI: 10.5553/FenR/.000032

Family & LawAccess_open

Article

Mythen over conflictscheidingen: Een onderzoek naar de kennis van juridische en sociale professionals

Authors
DOI
Show PDF Show fullscreen
Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Prof. dr. Corine de Ruiter and Brigitte van Pol Msc, 'Mythen over conflictscheidingen: Een onderzoek naar de kennis van juridische en sociale professionals', Family & Law May 2017, DOI: 10.5553/FenR/.000032

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Mythes over conflictscheidingen: de kennis van juridische en sociale professionals

      It means that an appreciation for the methods of science is a useful asset for a responsible citizenry.”

      W. Isaacson, Einstein: His Life and Universe, New York (etc.): Simon & Schuster 2007, p. 6.

      In 2015 hebben rechters ongeveer 36.000 echtscheidingsprocedures afgehandeld. Ongeveer 5.000 van die zaken waren op tegenspraak.1x Zie Ter Voert (2016), p. 2. In 2014 waren bij bijna 20.000 echtscheidingen minderjarige kinderen betrokken. In totaal ging het om 35.700 kinderen.2x Zie Ter Voert (2016), p. 2. Ongeveer 20% van de echtscheidingen waarbij kinderen betrokken zijn mondt uit in een zogenaamde vecht- of conflictscheiding. Conflictscheidingen [High-Conflict Divorce; HCD] zijn de minderheid van de scheidingen waarbij de ouders die uit elkaar gaan er niet in slagen los van elkaar te komen en die dit onvermogen nog jaren na de scheiding laten zien. De conflicten blijven escaleren in plaats van dat zij afnemen, over een periode van jaren. Conflictscheidingen hebben drie opvallende kenmerken: (1) terugkerende destructieve communicatiepatronen, zoals: ontkenning en in de tegenaanval gaan, snelle escalatie van conflicten, elkaar negeren, aanhoudende boosheid en wantrouwen; (2) aanwezigheid van een psychische of persoonlijkheidsstoornis bij één (of bij beide) ouder(s); en (3) beschuldigingen en/of daadwerkelijk sprake van: partnergeweld en/of kindermishandeling/-verwaarlozing (psychologisch, fysiek, seksueel, economisch).3x Zie Litvack (2007), p. 9.

      In dit artikel gebruiken we de volgende definitie van huiselijk geweld:
      Geweld dat door iemand uit de huiselijke of familiekring van het slachtoffer gepleegd is. Deze kring bestaat uit (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden. De relatie tussen dader en slachtoffer staat centraal en niet de plaats waar het geweld is gepleegd. Huiselijk geweld kan lichamelijk, seksueel en emotioneel van aard zijn, waaronder intimidatie, bedreiging en overheersing. Huiselijk geweld kan gericht zijn tegen kinderen, tegen volwassen mannen en vrouwen en tegen ouderen. Partnergeweld en kindermishandeling zijn verschillende vormen van huiselijk geweld; hun onderlinge co-morbiditeit is hoog.

      Het aantal conflictscheidingen lijkt eerder toe- dan af te nemen. De verplichte invoering van het ouderschapsplan in 2009 heeft dit niet kunnen voorkomen.4x Zie Tomassen-van der Lans (2015). Ook verplichte mediation lijkt niet te kunnen voorkomen dat ongeveer 20% van de echtscheidingen ontaard in een loopgravenoorlog met verschillende kampen die elkaar vaak gedurende vele jaren blijven bestrijden.5x Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015). In Nederland zijn veel verschillende professionals betrokken bij conflictscheidingsgezinnen: advocaten, familierechters, jeugdzorg professionals, mediators, geestelijke gezondheidszorgprofessionals, etc. Om bij deze complexe echtscheidingszaken effectief te interveniëren, is het van groot belang dat professionals in het veld beschikken over de juiste, evidence-based kennis en dat er consensus bestaat over wat effectieve interventies zijn, wat bevorderlijk is voor een goede communicatie onder professionals.
      In deze bijdrage zullen we eerst een overzicht geven van de wetenschappelijke kennis over conflictscheidingen. We richten ons daarbij op de meest ‘heikele issues’, zoals de prevalentie van partnergeweld, beschuldigingen van kindermishandeling en de effectiviteit van mediaton. Vervolgens presenteren we een survey-onderzoek waarin we de kennis en visie van professionals in het veld vergelijken met de wetenschappelijke stand van zaken.

    • Partnergeweld

      Bij een deel van de conflictscheidingen is er al (fors) partnergeweld voor de scheiding, dat daarna blijft voortduren of zelfs kan escaleren.6x Zie Hardesty & Ganong (2006), p. 543-563. Het belang van het maken van onderscheid tussen verschillende typen partnergeweld bij echtscheidingen werd al in 2008 door Kelly & Johnson benadrukt.7x Kelly & Johnson (2008), p. 476-499. Er zijn vier typen partnergeweld: Coercive Controlling Violence; Violent Resistance; Situational Couple Violence; en Separation-Instigated Violence. Coercive Controlling Violence, ook wel dwingende controle of intiem terrorisme8x Zie Johnson (2008). genoemd, uit zich in manipulatief en intimiderend gedrag door een van de partijen, meestal de man, en is vaak lastig te herkennen voor professionals. Situational Couple Violence is de meest voorkomende vorm en bestaat uit reactief en wederkerig geweld, met een grote variatie in frequentie en ernst.9x Zie Nielsen, Hardesty & Rafaelli (2016), p. 206-224. Violent Resistance is geweld waarbij het slachtoffer zich verdedigt of verzet tegen de partner die het overwicht heeft. Separation-Instigated Violence ontstaat als reactie op de scheiding en beperkt zich vaak tot een of meerdere, soms heftige incidenten, maar heeft een relatief laag herhalingsrisico.
      Uit wetenschappelijk onderzoek in Noord-Amerika blijkt dat in bijna 40-50% van de conflictscheidingen er een voorgeschiedenis van partnergeweld is.10x Zie Bow & Boxer (2003), p. 1384-1410; Jaffe, Crooks & Poisson (2003), p. 57-67; en Hardesty, Haselschwerdt & Johnson (2012), p. 442-474. De percentages verschillen overigens tussen de diverse studies, omdat sommige studies alleen lichamelijk geweld meerekenen, en ook omdat de prevalentie afhangt van de gekozen steekproef (bij moeders die recent in de vrouwenopvang verbleven is de prevalentie hoger dan bij ouders die voor een eerste zitting bij de familierechter komen). In een Australisch onderzoek naar 200 echtscheidingen waarbij strijd gevoerd werd over het ouderlijk gezag, bleek dat partnergeweld meestal de reden was voor de scheiding. 40% van de vaders had een huis- of straatverbod opgelegd gekregen tegenover 7.3% van de moeders. Het partnergeweld werd gecategoriseerd volgens de typologie van Kelly & Johnson,11x Kelly & Johnson (2008), p. 476-499. en 40.9% was Coercive Controlling Violence gepleegd door de man.12x Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000), p. 849–859.

    • Beschuldigingen van kindermishandeling

      Beschuldigingen van kindermishandeling en/of beweringen dat de andere ouder ongeschikt is als opvoeder, komen zeer regelmatig voor bij conflictscheidingen. In de dagelijkse praktijk wordt door sommige professionals aangenomen dat beschuldigingen van kindermishandeling (en soms ook van partnergeweld), bij conflictscheidingen per definitie vals zijn en het gevolg van zogenaamde ouderverstoting.13x Eenzelfde observatie deden Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2001), p. 113–124. Het concept ouderverstoting [parental alienation] werd voor het eerst geïntroduceerd door Gardner.14x Gardner (1998). Hij beschreef het als een stoornis, Parental Alienation Syndrome (hierna te noemen: PAS), waarbij een ouder zijn/haar kind negatieve verhalen vertelt over de andere ouder, wat zelfs zo ver kan gaan dat de andere ouder beschuldigd wordt van mishandeling van het kind. In de literatuur bestaat een grote controverse met betrekking tot PAS.15x Zie Drozd & Olesen (2003), p. 65-106 en Meier (2010), p. 219-252. Het PAS-concept heeft veel kritiek gekregen van juristen en gedragswetenschappers, omdat het gebruikt is om de verklaringen van kinderen over mishandeling in twijfel te trekken en omdat het bestraffend is ingezet tegen ouders die, misschien op een onhandige manier, hun kinderen proberen te beschermen tegen reëel gevaar.16x Zie Olesen & Drozd (2008), p. 17-40. In elke individuele casus waarbij een kind contact met een van de ouders weigert, dient zeer zorgvuldig onderzocht te worden wat daarvan de reden is: gerechtvaardigde afwijzing (op basis van ervaringen met mishandeling) of verstoting als gevolg van beïnvloeding door een van de ouders, en soms is er sprake van een mix van beide.17x Zie Drozd, Olesen & Saini (2013).
      De aanname dat alle beschuldigingen van kindermishandeling in geval van een scheiding vals zijn, wordt door Brown en collega’s beschreven als de ‘child abuse divorce myth’.18x Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000), p. 849–859. Uit onderzoek naar 200 echtscheidingszaken uit verschillende provincies in Australië waarin beschuldigingen van kindermishandeling waren geuit, bleek dat slechts 9% van de geuite beschuldigingen vals was.19x Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000, p. 849–859. Dit percentage komt sterk overeen met de percentages die in andere studies zijn gevonden, onder andere door Hume in Australië20x Hume (1997). en Trocmé & Bala in Canada.21x Trocmé & Bala (2005), p. 1333–1345. Het onderzoek van Trocmé & Bala is interessant omdat het deel uitmaakt van een landelijk onderzoek naar de prevalentie van intentioneel valse beschuldigingen van kindermishandeling in Canada, op basis van data over 1998. De onderzoekers vonden dat 12% van de beschuldigingen in echtscheidingszaken bewust vals was. Bewust verzonnen beschuldigingen van kindermishandeling komen dus minder vaak voor dan sommigen denken.22x Zie Flood (2010), p. 328-347.

    • Mediation

      Een ander fel bediscussieerd onderwerp in verband met conflictscheidingen is het nut van mediation voor deze ouders. Mediation is een vorm van geschillenbeslechting ontworpen om conflicten te reduceren en samenwerking te bereiken.23x Zie Emery, Matthews & Kitzmann (1994), p. 124-129. Mediation gaat ervan uit dat de ouders in staat zijn om afspraken te maken die in het belang van hun kinderen zijn. Hoewel mediation een effectieve methode van conflictbemiddeling voor normale echtscheidingszaken kan zijn, blijkt mediation bij veel gezinnen in een conflictscheiding tot mislukken gedoemd.24x Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015) en Roseby & Johnston (1998), p. 295-309. De complexe dynamiek en de vaak ongelijke machtsbalans tussen de ouders, die onder andere het gevolg kunnen zijn van geweld in de relatie, maakt mediation een minder geschikte interventie voor conflictscheidingsparen. Er bestaat zelfs de mogelijkheid dat het conflict tussen de ouders toeneemt als zij voortdurend zaken rondom de kinderen moeten bespreken, het onderwerp waar meestal de meeste strijd over bestaat.25x Zie Spruijt & Kormos (2010). Het probleem is dat mediation ervan uitgaat dat de ouders bereid zijn om samen te werken en eruit te komen, maar dit is vaak hét grote probleem bij conflictscheidingen, zeker als er een voorgeschiedenis van geweld is.26x Zie Johnson, Saccuzzo & Koen (2005), p. 1022–1053. Peeples en collega’s wijzen expliciet op het gevaar van mediation in gevallen van Coercive Controlling Violence.27x Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531.
      In Nederland is mediation een vaak toegepaste methode bij (conflict)scheidingen.28x Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015). De wetenschappelijke literatuur biedt weinig steun voor deze methode in conflictscheidingszaken. In een Noorse studie werd de effectiviteit van verplichte mediation bij 154 echtparen geanalyseerd, waarvan 38 conflictscheidingen waren.29x Zie Tjersland, Gulbrandsen & Haavind (2015), p. 19-34. De meerderheid van de conflictscheidingsouders beëindigde de mediation al na twee sessies, zonder enige overeenstemming. Na 18 maanden, hadden 5 van de 10 conflictscheidingsparen die nog in mediation waren, nog steeds geen overeenstemming bereikt. In vergelijking met de andere ouderparen, waren de conflictscheidingsparen duidelijk kritischer en minder positief over het effect en nut van mediation.
      Onderzoek in Forsyth County, North Carolina, waar mediation verplicht wordt opgelegd door de rechtbank nog voordat de eerste zitting heeft plaatsgehad, laat evenmin positieve resultaten zien. Van de 185 ouderparen die in verband met gezag en omgang voor hun kinderen werden doorverwezen naar verplichte mediation, nam slechts 75% (n= 138) daadwerkelijk deel aan de mediation. Van deze groep van 138 ouders bereikte slechts 37% (n= 51) een overeenkomst over gezag en omgang. Als een van de ouders beschuldigingen van partnergeweld en/of ongeschiktheid als ouder aan het adres van de andere ouder uitte, was de kans dat de mediation tot een overeenkomst leidde, significant kleiner.30x Zie Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531.

    • Mediation en partnergeweld

      In het geval er bij een conflictscheiding sprake is van een voorgeschiedenis van partnergeweld, wordt de vraag of mediation een geschikte oplossing biedt nog belangrijker, in vergelijking met gevallen waar geen partnergeweld speelt. Immers, in een proces van mediation kan een mishandelde partner min of meer gedwongen worden om samen met de ex-partner tot overeenstemming te komen, terwijl dat contact met de ex-partner door hem/haar nog steeds als onveilig wordt ervaren. Rossi, Holtzworth-Munroe & Applegate onderzochten of de gerapporteerde ernst van het partnergeweld gerelateerd was aan het bereiken van een overeenkomst tijdens mediation.31x Rossi, Holtzworth-Munroe & Applegate (2015), p. 134-161. In deze studie werd, in lijn met eerdere studies,32x Zie Ballard, Holtzworth-Munroe, Applegate e.a. (2011), p. 16–33; Beck, Walsh & Weston (2009), p. 401–415; en Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531. gevonden dat een hogere mate van partnergeweld geassocieerd is met een kleinere kans op het bereiken van overeenstemming door middel van mediation.
      Een ander probleem is dat mediators vaak geen rekening houden met de mogelijkheid van partnergeweld. Rivera en collega’s onderzochten 19 moeders die gescheiden waren van hun gewelddadige partners.33x Rivera, Zeoli & Sullivan (2012), p. 321–332. Hieruit bleek dat meldingen van partnergeweld door de mediator niet serieus genomen werden. Daarnaast bleken moeders er vaak op afgerekend te worden als ze hun kind wilden beschermen tegen mishandeling door de ex-partner, wat soms zelfs zo ver ging dat de gewelddadige partner alleen het ouderlijk gezag kreeg. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een systematische screening op partnergeweld dient te worden uitgevoerd voordat er gestart wordt met mediation.34x Zie ook Holtzworth-Munroe (2011), p. 319-324. Alleen als er gedegen feitenonderzoek naar mogelijk geweld plaatsvindt, kan een geschikte interventie worden geselecteerd.

    • Huidig onderzoek

      Gezien het grote en het nog steeds groeiende aantal conflictscheidingen, is het van belang dat professionals die met deze gezinnen werken up-to-date kennis hebben die gebaseerd is op de wetenschappelijke literatuur. De Noord-Amerikaanse studie van Hamel, Desmarais, Nicholls, Malley-Morrison en Aaronson laat zien dat dit niet altijd het geval is.35x Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52. Deze studie onderzocht de kennis van professionals die werkzaam zijn op het gebied van huiselijk geweld [domestic violence]. De professionals (advocaten, professionals uit de jeugdzorg/-bescherming, mediators en professionals uit de GGZ) vulden een meerkeuzevragenlijst over huiselijk geweld in. Enkele voorbeelden van de vragen waren: ‘In welke mate lopen vrouwelijke slachtoffers van partnergeweld meer verwondingen op dan mannelijke slachtoffers?’ en ‘In welk percentage van alle gevallen wordt mishandeling gepleegd door de man?’. De resultaten lieten een gemiddelde correcte score van 3 op 10 zien. Dit onderzoek toonde aan dat professionals (N = 410) die werken op het gebied van huiselijk geweld niet over de juiste kennis beschikten en dat hun beslissingen waarschijnlijk onvoldoende wetenschappelijk gefundeerd zijn.
      Hamel en collega’s richtten zich op feitenkennis over geweld binnen het gezin. In het huidige onderzoek richten we ons op de wetenschappelijke kennis over conflictscheidingen. Het doel van deze studie is om inzicht te verwerven in het kennisniveau met betrekking tot conflictscheidingen onder professionals in Nederland die met deze gezinnen werken. De centrale vraag is of de opvattingen van professionals in lijn zijn met de wetenschappelijke kennis over conflictscheidingen, in het bijzonder kennis over de prevalentie van partnergeweld en valse beschuldigingen van kindermishandeling, over de effectiviteit van mediation en over het belang van onderscheid tussen verschillende typen partnergeweld. Onze hypothese is dat professionals op kansniveau of zelfs lager zullen scoren, omdat ze onjuiste opvattingen en vooroordelen [biases] hebben over conflictscheidingen, vergelijkbaar met de vooroordelen die eerder gevonden werden door Hamel en collega’s.36x Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52. We gaan ook na of een specifieke opleiding37x Het aanbod aan cursussen/opleidingen voor het werken met gezinnen in een conflict- of vechtscheiding in Nederland is zeer heterogeen, getuige een Google search. Voorbeelden zijn: een driedaagse cursus: http://www.ces-educatie.nl/aanbod/152/driedaagse-cursus-werken-met-gezinnen-in-vechtscheidingen-en-strijdzaken.html; een tweedaagse training: http://www.timmconsultancy.nl/gesprekken-met-ouders-en-kinderen-bij-complexe-scheidingen; en een vijfdaagse training: http://www.kindenik.nl/ouder-en-kind/kind-en-gezin-weer-in-balans/kind-en-gezin-weer-in-balans/conflicten-gezin-vechtscheiding/. Wat opvalt aan dit opleidingsaanbod is het ontbreken van een (wetenschappelijk) kwaliteitskader. voor het werken met conflictscheidingen samenhangt met een hoger percentage correcte antwoorden. De verwachting is dat een specifieke opleiding tot meer accurate kennis leidt. Bovendien toetsen we of het aantal jaren werkervaring met conflictscheidingen gecorreleerd is met de nauwkeurigheidscore. We verwachten een positief verband tussen jaren werkervaring en het aantal correcte antwoorden.
      Verder verwachten we dat professionals de effectiviteit van mediation als interventie voor conflictscheidingen overschatten. We zullen de score van mediators vergelijken met de score van de overige professionals om na te gaan of er sprake is van een sterkere overtuiging over het succes van mediation bij de mediators.

    • Methode

      Respondenten

      Aan de huidige studie namen 863 respondenten deel, die allen een geïnformeerde toestemmingsverklaring voor deelname aan het onderzoek ondertekenden. De onderzoeksgroep bestond uit 243 mannen (28,2%) en 620 vrouwen (71,8%) variërend in leeftijd van 24 tot 76 jaar (gemiddelde van de populatie (hierna te noemen: M)= 47,15; standaarddeviatie (hierna te noemen: SD)= 11,17). Allen waren werkzaam als professional met conflictscheidingszaken. De steekproef bestaat uit advocaten (n= 460; 53,3%), professionals uit de jeugdzorg/-bescherming (n= 110; 12,7%), mediators (n= 210; 24,3%) en geestelijke gezondheidszorg professionals (n= 64; 7,4%). Zestien respondenten (1,8%) kwalificeerden zichzelf als ‘overige’ (bijvoorbeeld, rechter, politie, accountant, notarieel jurist of juridisch secretaresse). Van alle professionals gaf 35% aan een speciale opleiding op het gebied van conflictscheidingen te hebben gevolgd. Het gemiddeld aantal jaren werkervaring van de respondenten was 12,2 jaar.

      Procedure

      Respondenten werden gerekruteerd door het contacteren van relevante verenigingen en organisaties in Nederland: Mediator Federatie Nederland (MFN); vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS); Raad voor Rechtsbijstand (RvR); Raad voor de rechtspraak (RvdR); Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP); Raad voor de Kinderbescherming (RvdK); Veilig Thuis (VT); en Bureau Jeugdzorg (BJZ).
      Onze wervingsprocedure was gestandaardiseerd om ervoor te zorgen dat alle organisaties op een vergelijkbare manier benaderd werden. Eerst hebben we de organisaties over ons onderzoek geïnformeerd door middel van een gestandaardiseerde e-mail.38x Zie Tuten (2010), p. 179-192. Deze e-mail bevatte achtergrondinformatie over conflictscheidingen, informatie over het doel van het onderzoek en belangrijke informatie over de vragenlijst zelf (bijv. lengte, ethische goedkeuring). Binnen een week contacteerden we telefonisch een verantwoordelijke persoon binnen de organisatie en vroegen we toestemming om hun leden/medewerkers te contacteren om onze web-survey te verspreiden. Afhankelijk van de voorkeur van de organisatie, contacteerden we de respondenten op drie verschillende manieren.
      Volgens de eerste, meeste wenselijke optie, ontvingen wij de contactgegevens van de respondenten en contacteerden wij hen door een e-mail te sturen met de link naar de online vragenlijst. Deze e-mail stuurden we op drie verschillende momenten met een interval van twee weken. Aangezien we bij deze optie de meeste controle over het wervingsproces hadden, verdiende deze de voorkeur. In geval de organisatie niet de e-mailadressen van de medewerkers/leden aan ons kon of wilde verstrekken, werd door de organisatie zelf een e-mail verspreid. De derde optie was om de respondenten te benaderen via de nieuwsbrief van de organisatie. In alle gevallen kregen de potentiële respondenten dezelfde gestandaardiseerde e-mail met informatie over het doel van het onderzoek, over conflictscheidingen, over de vragenlijst zelf en de link naar de online vragenlijst.
      In totaal contacteerden we 8.942 professionals wat resulteerde in 863 respondenten (respons rate= 10,36%). Dit is een gangbaar responspercentage bij online surveys.
      Na het invullen van de internetvragenlijst, konden de respondenten aangeven of ze mee wilden doen aan een verloting van drie cadeaubonnen van elk 50 euro. Zij moesten hiervoor op een aparte website, los van de onderzoeksresultaten, hun e-mailadres achterlaten. Na afloop van de data-verzameling zijn willekeurig drie winnaars geselecteerd. Naast deze beloning, werden respondenten ingelicht over de resultaten van het onderzoek, indien ze hadden aangegeven hierin geïnteresseerd te zijn.

      Materialen

      Om het kennisniveau betreffende conflictscheidingen te beoordelen hebben we een vragenlijst ontwikkeld. Deze bevat 11 vragen, met elk drie meerkeuze antwoordmogelijkheden, die aan elke respondent in willekeurige volgorde gepresenteerd werden. Om tot de definitieve vragenlijst te komen, volgden we een gestructureerde procedure, zoals voorgesteld door Gosling & Johnson (2010).39x Gosling & Johnson (2010).
      Ten eerste hebben we onderzoeksliteratuur verzameld over verschillende deelonderwerpen gerelateerd aan conflictscheidingen. Het betrof literatuur over de prevalentie van conflictscheidingen, over partnergeweld bij conflictscheidingen, parental alienation syndrome en effectieve manieren om conflictscheidingen te voorkomen of te verhelpen. Vervolgens structureerden we de verzamelde informatie om een goed beeld te vormen van wat er bekend is vanuit wetenschappelijk onderzoek over de verschillende onderwerpen. Daarna hebben we contact opgenomen met een aantal internationale experts die actief zijn in het onderzoek naar conflictscheidingen en/of handboeken hebben geschreven/geredigeerd, om hen vragen te stellen over conflictscheidingen (voor de lijst met gecontacteerde experts, zie Bijlage A). Met deze werkwijze verzekerden we ons ervan dat we geen zaken over het hoofd zagen en op basis van een consensus-oordeel van experts en de wetenschappelijke literatuur de vragenlijst konden ontwikkelen.
      Ons doel was om alle belangrijke onderwerpen rond conflictscheidingen in de vragenlijst op te nemen. We hebben meer items ontwikkeld dan we uiteindelijk zouden gebruiken in onze vragenlijst, zodat we vragen waarbij de antwoordopties minder eenduidig bleken, konden verwijderen. De vragenlijst is getest door middel van een pilotstudie.35 We hebben ervoor gezorgd dat deze groep pilot deelnemers zowel ervaren professionals uit het veld (n= 4) bevatte, als personen zonder enige kennis over het onderwerp (n= 3). De feedback uit de pilot verwerkten we om de vragenlijst verder te verbeteren en tot een definitieve versie te komen.
      De definitieve versie is een vragenlijst met 11 multiple-choice items (Bijlage B). Deze vragenlijst en het onderzoek zijn goedgekeurd door de Ethische Commissie Psychologie van de Universiteit Maastricht (registratienummer: ECP-150 20_03_2015). De items omvatten een breed scala aan onderwerpen gerelateerd aan conflictscheidingen. Bij sommige items dienen de respondenten eerst een casusvignet te lezen voordat ze de vraag konden beantwoorden. Bij de items die een casusvignet bevatten, hadden respondenten de mogelijkheid om zelf aanvullende opmerkingen toe te voegen.
      De respondent werd gevraagd om bij elk item de meest juiste antwoordmogelijkheid uit drie mogelijkheden te selecteren op basis van zijn/haar kennis en ervaring. Alle antwoorden werden gecodeerd als juist (1) of onjuist (0). De juiste antwoordmogelijkheid representeert de huidige wetenschappelijke kennis over conflictscheidingen. De onjuiste antwoordmogelijkheden vertegenwoordigen misvattingen, verkeerde overtuigingen en vooroordelen (‘biases’ of mythen). Naast het beantwoorden van de multiple-choice items, werd de professionals gevraagd om een aantal demografische gegevens in te vullen, hun eigen expertise op het gebied van conflictscheidingen te beoordelen en aan te geven of zij suggesties hadden voor verbetering van de aanpak van conflictscheidingen (items 12-14).
      Om er zeker van te zijn dat alle respondenten bij het beantwoorden van de vragen gebruik maakten van dezelfde begrippen, presenteerden we aan het begin van de vragenlijst de definities van de begrippen ‘conflictscheiding’, ‘huiselijk geweld’ en ‘mediation’, die gebaseerd zijn op de gedragswetenschappelijke literatuur.
      We gebruikten het softwareprogramma Qualtrics voor het ontwerpen en verspreiden van de online vragenlijst. De data werden vervolgens geïmporteerd in SPSS voor de data-analyse.

    • Resultaten

      Steekproef

      We beschrijven eerst de demografische kenmerken (leeftijd, werkervaring, opleiding en sekse) van onze steekproef (zie Tabel 1).

      Tabel 1. Demografische kenmerken van de steekproef
      Advocaten n = 460Jeugdzorg/-bescherming professionals n = 110Mediators n = 213Geestelijke gezondheids zorg professionals n = 64Overige n = 16Totaal N = 863
      Gemiddelde leeftijd (SD) 46,4 (11,5) 43,9 (9,7) 51,8 (9,3) 42,2 (12,3) 47,6 (8,3) 47,2 (11,2)
      Gemiddeld aantal jaren werkervaring (SD) 15,3 (9,7) 9,3 (6,7) 8,8 (7,9) 6,7 (6,5) 13,4 (8,7) 12,2 (9,3)
      Specifieke opleiding 30,6% 30% 46,9% 29,6% 56,2% 35,0%
      Aandeel Mannen 32,0% 19,1% 31,0% 12,5% 6,3% 28,2%

      Noot. Specifieke opleiding geeft het percentage professionals dat een specifieke opleiding met betrekking tot conflictscheidingen gevolgd hebben.

      De gemiddelde leeftijd van de totale groep professionals was 47 (bereik = 24-76). Er was een significant verschil in leeftijd tussen de beroepsgroepen op basis van een F-toets:40x Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/F-toets. F (4, 858) = 16.48, overschrijdingskans (hierna te noemen: p) < .001. Post hoc analyse toonde een significant verschil tussen de advocaten en alle andere professionals (met uitzondering van de groep ‘overige’), waarbij de advocaten significant ouder waren dan de jeugdzorg/-bescherming professionals en de geestelijke gezondheidszorg professionals en significant jonger dan de mediators. De mediators waren significant ouder in vergelijking met alle andere groepen, maar verschilden niet van de groep ‘overige’.
      De professionals hadden gemiddeld 12 jaar werkervaring (bereik= 1-42). Een-weg variantieanalyse toonde een significant verschil in werkervaring tussen de beroepsgroepen, F(4, 857) = 30.76, p < .001. Uit de post hoc analyse bleek dat er een significant verschil was tussen advocaten en alle andere beroepsgroepen, waarbij de groep advocaten gemiddeld meer werkervaring had. Van alle professionals gaf 35% aan dat ze een specifieke opleiding met betrekking tot conflictscheidingen had gevolgd. Een Chi-kwadraat toets toont aan dat de beroepsgroepen onderling significant verschillen in het percentage van hen dat een specifieke opleiding heeft gevolgd, χ2 (4) = 22.37, p < .001. Mediators en de groep ‘overige’ hadden significant vaker een specifieke opleiding over conflictscheidingen gevolgd. De minderheid van de professionals was man (28,2%). Een Chi-kwadraat toets toonde aan dat de beroepsgroepen onderling significant verschilden qua sekseverdeling, χ2 (4) = 20.15, p < .001. Er waren significant meer mannen onder de advocaten en de mediators.

    • Scores op de vragenlijst (alle professionals)

      De gemiddelde score van alle professionals lag iets boven kansniveau (M= 6,46, SD= 1,69, Mediaan= 7, Modus= 7, Bereik= 1-11). In Tabel 2 wordt per item het percentage juiste antwoorden weergegeven, van alle professionals samen en per beroepsgroep. De tabel is zo opgesteld dat het item met het kleinste percentage correcte antwoorden bovenaan staat, oplopend naar het item met het grootste percentage correcte antwoorden.
      Wij richten ons bij de bespreking van de resultaten voornamelijk op de items die verband houden met de belangrijke thema’s die we in de inleiding besproken hebben. Slechts 17% van de respondenten gaf het juiste antwoord, inhoudende dat er in circa 40% van de HCD gezinnen enige vorm van partnergeweld speelt. Van de 83% onjuiste antwoorden, gaf 52% aan dat partnergeweld plaatsvond in 10% van de HCD zaken en 31% gaf aan dat de prevalentie ongeveer 25% was. De meeste professionals onderschatten dus de prevalentie van partnergeweld bij HCD.
      Een relatief laag percentage correcte antwoorden (41%) werd eveneens gevonden voor de vraag over een casusvignet waarbij sprake was van eenzijdig partnergeweld [Coercive Controlling Violence] van de man ten opzichte van de vrouw. Slechts 41% van de professionals erkende het belang van het verzamelen van informatie bij derden in dergelijke zaken, om de feiten aangaande het partnergeweld vast te stellen. De meeste respondenten (42%) benadrukten het belang van gezamenlijk ouderschap en de rest (17%) gaf aan dat de moeder het gezag over het kind moest krijgen.
      Ook bij de vraag over mediation was het percentage juiste antwoorden aan de lage kant: 45% gaf (correct) aan dat mediation meestal niet werkt bij conflictscheidingszaken. De meerderheid (55%) vulde echter in dat mediation in de meeste HCD gevallen werkt. De vraag over valse beschuldigingen van kindermishandeling in HCD zaken werd door 54% van de professionals correct beantwoord, namelijk dat beschuldigingen in slechts 10% van de gevallen vals blijken te zijn. Een-derde (34%) gaf aan dat de beschuldigingen in 30% van de gevallen vals waren. De minderheid van de respondenten (12%) gaf aan dat rond de 50% van de beschuldigingen vals was.
      De vraag met het hoogste percentage correcte antwoorden ging over de psychosociale gevolgen voor het kind dat getuige is van lichamelijke mishandeling tussen de ouders. Door 88% werd correct aangegeven dat de gevolgen van het observeren van mishandeling net zo ernstig kunnen zijn als wanneer het kind zelf fysiek mishandeld wordt. 9% gaf aan dat getuige zijn van fysieke mishandeling de meest ernstige gevolgen heeft voor het kind en 3% gaf aan dat zelf fysiek mishandeld worden het meest schadelijk is.

      Tabel 2. Percentage correcte antwoorden per item (ruwe aantallen tussen haakjes) voor per beroepsgroep en voor de totale steekproef.
      OnderwerpAdvocaat n = 460Jeugdzorg/- bescherming Professional n = 110Mediator n = 213Geestelijke gezondheids-zorg Professional n = 64Overige n = 16Totaal N = 863
      Prevalentie partnergeweld in HCD 12% (56) 40% (44) 14% (29) 23% (15) 25% (4) 17% (148)
      Belang onafhankelijke bronnen bij vaststellen partnergeweld 35% (160) 52% (57) 43% (91) 56% (36) 56% (9) 41% (353)
      Mediation werkt meestal niet bij HCD 54% (246) 51% (56) 19% (40) 56% (36) 44% (7) 45% (385)
      Prevalentie valse beschuldigingen van kindermishandeling in HCD 62% (286) 35% (38) 52% (110) 47% (30) 31% (115) 54% (469)
      Belang opvoedingsvaardigheden bij onderzoek gezag en omgang 62% (283) 38% (42) 58% (124) 60% (9) 63% (10) 57% (488)
      Risico potentieel dodelijk geweld na scheiding 65% (300) 47% (52) 50% (107) 63% (40) 31% (5) 58% (504)
      Prevalentie HCD onder alle scheidingen 63% (290) 45% (49) 62% (133) 45% (29) 69% (11) 59% (512)
      Kinderen getuigen in rechtbank 65% (301) 68% (75) 58% (124) 44% (28) 50% (8) 62% (536)
      Persoonlijkheid ouders belangrijkste oorzaak langdurige geschillen 81% (374) 70% (77) 78% (167) 69% (44) 75% (12) 78% (674)
      Interview met kind bij vermoeden ouderverstoting 81% (376) 96% (105) 91% (194) 89% (57) 100% (16) 87% (748)
      Psychosociale gevolgen van kindermishandeling 88% (403) 94% (103) 86% (183) 91% (58) 88% (14) 88% (761)

      Vergelijkingen tussen de beroepsgroepen

      Het totale aantal correcte antwoorden per beroepsgroep wordt weergegeven in Tabel 3. We vonden dat de advocaten de hoogste score behaalden. Jeugdzorg/-bescherming professionals en de groep ‘overige’ scoorden iets lager, gevolgd door de GGZ professionals. De groep mediators behaalde het laagste aantal correcte antwoorden. Met een F-toets vonden we een significant verschil tussen de beroepsgroepen, F(4, 858) = 4.51, p < .001. De Least Significant Difference post hoc analyse liet zien dat de advocaten significant beter scoorden dan de mediators (Mdifference= .56, p < .001).

      Tabel 3. Gemiddeld aantal correcte antwoorden per beroepsgroep.
      BeroepsgroepNMSD
      Advocaten 460 6,68a 1,7
      Jeugdzorg/-bescherming professionals 110 6,35 1,7
      Mediators 213 6,12b 1,6
      Geestelijke gezondheidszorg professionals 64 6,28 1,7
      Overige 16 6,31 1,8

      Noot. Superscripten a en b duiden aan dat de gemiddelden significant verschillen (p < .001).

      Specifieke hypothesen

      De analyses laten zien dat professionals met een specifieke opleiding (M= 6,43; SD= 1,70) geen significant hogere score behaalden dan de groep die geen specifieke opleiding over conflictscheidingen gevolgd had (M= 6,48; SD= 1,69), (F (1,861) = 177, p = .674). Onze hypothese dat een specifieke opleiding zou leiden tot een hoger kennisniveau over conflictscheidingen werd dus niet bevestigd.
      Het aantal juiste antwoorden was significant en positief gecorreleerd met het aantal jaar werkervaring (correlatiecoëfficiënt (r) = .17, p < .001). In lijn met onze verwachting vonden we dat hoe meer jaren werkervaring met conflictscheidingsgezinnen, hoe hoger de score van de professionals. Mediators gaven significant minder vaak het correcte antwoord op de vraag of mediation werkt bij conflictscheidingen dan de overige professionals (percentage correcte antwoorden= 19% voor mediators vs. 53% correct voor niet-mediators, χ2 (1) = 76.37, p < .001. In lijn met onze hypothese, overschatten mediators het succes van mediation bij HCD in sterkere mate dan de andere beroepsgroepen.

      Discussie

      Het belangrijkste doel van het huidige onderzoek was na te gaan wat het huidige kennisniveau over conflictscheidingen is onder Nederlandse professionals die met conflictscheidingsgezinnen werken. Onze eerste hypothese was dat professionals op kansniveau zouden scoren, vanwege hun misvattingen over conflictscheidingen. Het gemiddelde aantal correcte antwoorden was 6.5 van de 11. Dit is iets hoger dan kansniveau, dus deze hypothese werd niet bevestigd. Dit aantal correcte antwoorden is beduidend hoger dan het gemiddelde van 3 op de 10 correcte antwoorden gevonden in de studie van Hamel en collega’s (2009), waarbij overigens wel opgemerkt moet worden dat de twee websurveys verschilden qua inhoud van de vragen en aantal antwoordopties.41x Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52. Zie ook Hans, Haselschwerdt, Hardesty e.a. (2014), p. 957-966. Daarna hebben we onderzocht welke kennisvragen in het bijzonder vaak onjuist werden beantwoord. Daarbij springen enkele onderwerpen in het oog.
      Het meest opvallend was het aantal onjuiste antwoorden op de vraag over de prevalentie van partnergeweld in conflictscheidingsgezinnen. Professionals waren voor het merendeel van mening dat dit weinig voorkomt, terwijl uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat in bijna de helft van de conflictscheidingen partnergeweld een rol speelt.42x Zie Bow & Boxer (2003), p. 1384-1410; Jaffe, Crooks & Poisson (2003), p. 57-67; en Hardesty, Haselschwerdt & Johnson (2012), p. 442-474. Slechts 17% van de professionals beantwoordde het item over de prevalentie van partnergeweld bij conflictscheidingen correct. Een andere vraag die door een hoog percentage incorrect werd beantwoord, was het item over de prevalentie van valse beschuldigingen van kindermishandeling. Slechts 54% van de professionals wist dat het percentage valse beschuldigingen 10% of lager is bij conflictscheidingen.43x Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2001), p. 113–124 en Trocmé & Bala (2005), p. 1333–1345. Dat betekent dat bijna de helft (46%) van alle professionals de prevalentie van deze valse beschuldigingen overschat. Dit is problematisch, omdat dit ertoe kan leiden dat meldingen van kindermishandeling in het geval van conflictscheidingen niet adequaat onderzocht worden.
      Wij hadden een specifieke interesse in mediation, omdat dit een veel toegepaste methode is in de echtscheidingspraktijk in Nederland, terwijl wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat mediation geen geschikte interventie is om conflictscheidingen op te lossen. De meeste professionals (56%) zijn er echter van overtuigd dat mediation een geschikte aanpak is bij conflictscheidingen.
      De professionals lieten op een aantal items zien wél over accurate kennis te beschikken. Een voorbeeld hiervan is de vraag over de gevolgen van partnergeweld tussen de ouders voor de psychosociale ontwikkeling van het kind. We verwachtten dat professionals vaker het onjuiste idee zouden hebben dat regelmatig zelf fysiek mishandeld worden ernstiger gevolgen heeft voor de ontwikkeling van het kind dan louter het observeren van geweld tussen de ouders. In werkelijkheid zijn de psychosociale gevolgen voor het kind in beide gevallen even ernstig,44x Zie Sousa, Herrenkohl, Moylan (2011), p. 111-136. en 88% van de professionals beschikte over deze accurate kennis.
      Mediators scoorden minder accuraat in vergelijking met de andere groepen. Hamel en collega’s opperden dat de verschillen in reacties tussen de verschillende professionele groepen misschien te verklaren zijn door verschillen in expertise op het gebied van conflictscheidingen, hun verantwoordelijkheden, hun interesses en ervaring.45x Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52. Het is waarschijnlijk dat mediators voornamelijk beschikken over kennis over en ervaring met mediation, terwijl bijvoorbeeld advocaten een breder scala aan kennis nodig hebben om hun taak goed uit te kunnen oefenen en mogelijk daardoor het hoogste aantal juiste antwoorden genereerden.
      Daarnaast voorspelden we dat een specifieke opleiding in het werken met conflictscheidingen zou resulteren in een hogere score. We vonden echter geen significant verband tussen het gevolgd hebben van een specifieke opleiding en het aantal correcte antwoorden. De huidige opleidingen lijken geen invloed te hebben op het niveau van wetenschappelijke kennis over conflictscheidingen bij professionals en dit komt overeen met de indruk die wij kregen over het opleidingsaanbod via een Google search (zie voetnoot 38). We verwachtten ook dat professionals met meer werkervaring meer accurate kennis zouden hebben. In lijn met deze verwachting vonden we een significante correlatie; hoe meer werkervaring, hoe hoger het gemiddelde aantal correcte antwoorden. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat professionals die minder werkervaring hebben, vatbaarder zijn voor het aanhangen van persoonlijke overtuigingen en biases.46x Zie Drozd, Olesen & Saini (2013) en Nicholls, Desmarais, Douglas e.a. (2007), p. 275-301.

      Beperkingen en sterke kanten van het onderzoek

      Het huidige onderzoek heeft een aantal beperkingen. Een daarvan is dat sommige organisaties de contactgegevens van hun medewerkers/leden niet konden of wilden verschaffen, wat ertoe leidde dat de organisaties zelf de online vragenlijst verspreidden onder hun medewerkers/leden. Hierdoor waren we niet in staat om voor alle respondenten dezelfde gestandaardiseerde wervingsprocedure te volgen. Ondanks deze beperking zijn we erin geslaagd een grote steekproef te verzamelen.
      Een andere beperking is het gebruik van multiple-choice vragen, waardoor respondenten gedwongen werden een keuze te maken uit een van drie antwoordmogelijkheden. Binnen drie antwoordopties is het lastig om alle overtuigingen die professionals (mogelijk) hebben op te nemen. Interviews zouden een genuanceerder beeld kunnen geven. Om dit probleem enigszins te ondervangen en om inzicht te krijgen in de persoonlijke visies van professionals, gaven we de mogelijkheid om aanvullende opmerkingen te maken bij alle items met een casusvignet.
      Een andere beperking van ons onderzoek is dat het ons niet gelukt is om de medewerking van de familierechters te verkrijgen. Familierechters zijn alleen te benaderen via de Raad voor de Rechtspraak, die een gestandaardiseerde procedure voor deelname aan extern onderzoek volgt. Het duurde een aantal maanden voordat de Raad tot een (uiteindelijk) negatief besluit kwam over deelname van familierechters aan onze studie. Men was niet overtuigd van nut en noodzaak van dit onderzoek en wilde rechters hiermee niet belasten. Omdat de rechter de besluiten neemt in conflictscheidingszaken, is een accurate kennis juist bij deze groep professionals van groot belang.47x Zie LAMB (2014), p. 193-197.
      Deze studie was de eerste die licht werpt op de visie van Nederlandse professionals over conflictscheidingen. Ons onderzoek richtte zich op een breed scala aan relevante onderwerpen in relatie tot conflictscheidingen. Toekomstig onderzoek zou gedetailleerder in kunnen gaan op elk van de specifieke onderwerpen. Er zouden dan meerdere vragen over mediation gesteld kunnen worden, bijvoorbeeld over verschillende vormen van mediation, zoals mediation met twee mediators of over zgn. collaborative divorce/overlegscheiden.48x Zie http://www.overlegscheiden.com/. Ook het onderwerp kindermishandeling vs. alienation zou verder onderzocht kunnen worden, bijvoorbeeld door vragen te ontwerpen die ingaan op de signalen waaraan alienation vs. kindermishandeling te herkennen zijn.49x Zie Droz (2009), p. 403-416 en Olesen & Drozd (2008), p. 17-40.

      Conclusies en aanbevelingen

      In Nederland eindigt ongeveer 20% van de (echt)scheidingen in een conflictscheiding. Omdat dit een serieus maatschappelijk probleem is, met grote gevolgen voor de betrokken gezinsleden, is het van belang dat professionals die werkzaam zijn op dit gebied over wetenschappelijk onderbouwde kennis beschikken. De bevindingen uit ons onderzoek laten zien dat de kennis van professionals op een aantal punten juist is, maar op andere punten onjuist. In het bijzonder is er sprake van een gebrek aan kennis over het aanzienlijke percentage (40-50%) conflictscheidingen met een geschiedenis van partnergeweld, over het relatief lage percentage (10%) valse beschuldigingen van kindermishandeling en over de gebrekkige effectiviteit van mediation bij conflictscheidingen. We vonden, tegen de verwachting in, geen verband tussen het gevolgd hebben van een specifieke opleiding over conflictscheidingen en het kennisniveau van de professionals. Wel vonden we een klein naar significant verband tussen jaren werkervaring en kennisniveau. Tenslotte vonden we dat mediators, in vergelijking met niet-mediators, de effectiviteit van mediation bij conflictscheidingen significant overschatten.
      Blijkbaar bestaan bij veel professionals misvattingen, die waarschijnlijk gevolgen hebben voor hun professionele handelen en voor de beslissingen die zij nemen in deze complexe echtscheidingszaken. Omdat de professionals niet over de juiste kennis beschikken en handelen vanuit onjuiste veronderstellingen, kunnen zij onbedoeld schade aanrichten bij kinderen in conflictscheidingsgezinnen.50x Zie Hans, Haselschwerdt, Hardesty (2014), p. 957-966; De Ruiter (2016), p. 62-67; en Tversky & Kahneman (1974), p. 1124-1131. Professionals zijn, als alle mensen, vatbaar voor confirmatory bias, dat is de neiging om alleen naar informatie te zoeken die hun oorspronkelijke idee/hypothese bevestigt.51x Zie Kassin, Dror & Kukucka (2013), p. 42-52. Zonder accurate kennis over de (hoge) prevalentie van partnergeweld en kindermishandeling bij conflictscheidingen, zal de professional het belang van feitenonderzoek naar deze vormen van huiselijk geweld bij conflictscheidingsgezinnen onderschatten en er geen rekening mee houden in de besluitvorming. Confirmatory bias zorgt ervoor dat diezelfde professional vervolgens geen ‘bewijs’ voor mishandeling of geweld ziet. Hoe serieus zal een onderzoeker van Veilig Thuis beschuldigingen van partnergeweld door een van de ouders in een conflictscheiding nemen als hij/zij ervan overtuigd is dat partnergeweld slechts in 10% van de conflictscheidingen voorkomt?
      Aangezien de specifieke opleidingen die professionals tot nu toe gevolgd hebben geen relatie vertonen met hun kennisniveau, zijn opleidingen nodig die gegeven worden door experts, die op de hoogte zijn van de wetenschappelijke literatuur over conflictscheidingen, huiselijk geweld, valse beschuldigingen en mediation. Een voorbeeld van zo’n groep professionals is het High Conflict Forum (HCF) uit Toronto, Canada. Deze experts ontwikkelden een ‘Best Practice Guide’ op basis van wetenschappelijk onderzoek naar conflictscheidingen.52x Zie Litvack (2007). Op basis van deze best practices zijn veranderingen in wet- en regelgeving doorgevoerd. Zo is een screeningsonderzoek naar een eventuele voorgeschiedenis van partnergeweld in Canada nu standaard onderdeel van een zogenaamde child custody evaluation (vergelijkbaar met gezag- en omgangsonderzoek in Nederland). In Australië heeft het onderzoek van Brown en collega’s9 ertoe geleid dat kinderen in familierechtzaken een eigen, door de overheid betaalde, advocaat hebben gekregen, om er zeker van te zijn dat de belangen van het kind niet ondersneeuwen in het conflictueuze geweld van de ouders.53x Zie https://aifs.gov.au/cfca/events/representing-children-legal-proceedings. Ook gelden in Australië sinds maart 2009 de Family Violence Best Practice Principles voor de familierechters, die gebaseerd zijn op de wetenschappelijke kennis over huiselijk geweld [family violence] en een aantal van de referenties bevat die wij in onze inleiding aanhaalden.54x Zie Family Court of Australia (2013). Onder andere wordt in deze Best Practice Principles gewezen op het belang van feitenonderzoek naar de verschillende typen partnergeweld, in het bijzonder vanwege de ongunstige prognose en gevaren van Coercive Controlling Violence.
      In de regio Midden- en West-Brabant wordt door Veilig Thuis sinds medio 2016 bij een deel van de conflictscheidingen gewerkt met een gestructureerde screener voor partnergeweld, de Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns (MASIC;55x Zie Holtzworth-Munroe, Beck & Applegate (2010), p. 646–662. Nederlandse geautoriseerde vertaling: De Ruiter & Van Pol (2016)). De twee voormalige echtelieden worden volgens de MASIC-methode ieder apart geïnterviewd. Wanneer er grote discrepanties bestaan tussen de verhalen van beiden, dienen ook andere bronnen geraadpleegd te worden, zoals politiegegevens, medische dossiers, en gesprekken met familie/vrienden, om uiteindelijk tot een conclusie te komen over ‘het meest waarschijnlijke scenario’. Op deze wijze ontstaat inzicht in de aard van de machtsverhouding tussen de ex-partners, welke vormen van geweld er gespeeld hebben of nog spelen en of er sprake is van psychische of verslavingsproblemen. De MASIC vraagt expliciet naar verschillende vormen van partnergeweld, namelijk emotionele mishandeling, dwingende controle, fysiek geweld, seksueel geweld, stalking en extreme angst. De eerste ervaringen met de MASIC zijn positief: professionals die ermee werken geven aan dat de screening hen veel inzicht geeft in de relatie en het type partnergeweld, waardoor duidelijker wordt of er maatregelen nodig zijn om de veiligheid in het gezin te vergroten en/of dat mediation niet geschikt is. Ook ouders zijn positief over het uitgebreide interview; zij voelen zich serieus genomen en zij krijgen soms groter inzicht in de reden van de scheiding.
      Introductie van de MASIC is slechts een eerste begin van een ontwikkeling richting een evidence-based praktijk in de aanpak van conflictscheidingen. Wij hopen dat ons onderzoek daartoe verder zal stimuleren.

    • Literatuur
    • Ballard, Holtzworth-Munroe, Applegate e.a. (2011)
      Ballard, R., Holtzworth-Munroe, A., Applegate, A. G. & D’Onofrio, B., ‘Factors affecting the outcome of divorce and paternity mediation’, Family Court Review 2011, 49, p. 16–33.

    • Beck, Walsh & Weston (2009)
      Beck, C. J. A., Walsh, M. E. & Weston, R., ‘Analysis of mediation agreements of families reporting specific types of intimate partner abuse’, Family Court Review 2009, 47, p. 401–415.

    • Bow & Boxer (2003)
      Bow, J. N. & Boxer, P., ‘Assessing allegations of domestic violence in child custody evaluations’, Journal of Interpersonal Violence 2003, 18(12), p. 1384-1410, DOI: 10.1177/0886260503258031.

    • Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000)
      Brown, T., Frederico, M., Hewitt, L. & Sheehan, R., ‘Revealing the existence of child abuse in the context of marital breakdown and custody and access disputes’, Child Abuse and Neglect 2000, 24(6), p. 849–859, DOI:10.1016/S0145-2134(00)00140-X.

    • Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2001)
      Brown, T., Frederico, M., Hewitt, L. & Sheehan, R., ‘The child abuse and divorce myth’, Child Abuse Review 2001, 10(2), p. 113–124, DOI: 10.1002/car.671.

    • Drozd 2009
      Drozd, L.M., ‘Rejection in cases of abuse or alienation in divorcing families’, in: R.M. Galatzer-Levy, L. Kraus & J. Galatzer-Levy (eds.), The scientific basis of child custody decisions, Hoboken, NJ: Wiley, p. 403-416.

    • Drozd & Olesen (2003)
      Drozd, L. M. & Olesen, N. W., ‘Is it abuse, alienation, and/or estrangement? A decision tree’, Journal of Child Custody 2003, 1, p. 65-106, DOI: 10.1300/J190v01n03_05.

    • Drozd, Olesen & Saini (2013)
      Drozd, L.M., Olesen, N.W. & Saini, M.A., Parenting plan and child custody evaluations: Using decision trees to increase evaluator competence & avoid preventable errors, Sarasota, FL: Professional Resources Press 2013.

    • Duryee (2003)
      Duryee, M.A., ‘Expected controversies: Legacies of divorce’, Journal of the Center for Families, Children & the Courts 2003, 4, p. 149-159.

    • Emery, Matthews & Kitzmann (1994)
      Emery, R. E., Matthews, S. G. & Kitzmann, K. M., ‘Child custody mediation and litigation: Parents’ satisfaction and functioning one year after settlement’, Journal of Consulting and Clinical Psychology 1994, 62, p. 124-129, http://dx.DOI.org/10.1037/0022-006X.62.1.124.

    • Family Court of Australia (2013)
      Family Court of Australia, Family Violence Best Practice Principles. Edition 3.1. (laatst geraadpleegd op: 30 april 2017, www.familycourt.gov.au)

    • Flood (2010)
      Flood, M., ‘“Fathers’ rights” and the defense of paternal authority in Australia’, Violence Against Women 2010, 16, p. 328-347, DOI: 10.1177/1077801209360918.

    • Gardner (1998)
      Gardner, R. A., The parental alienation syndrome, Cresskill, NJ: Creative Therapeutics Inc 1998.

    • Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015)
      Geurts, T., Sportel, I.D.A., Beenakkers, E.M.T., Afrikan, F.N., ‘Literatuuronderzoek naar de aanpak van vechtscheidingen’, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, Memorandum 2015-02. (laatst geraadpleegd op 1 augustus 2016, https://www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/2560-literatuuronderzoek-naar-de-aanpak-van-vechtscheidingen.aspx#publicatiegegevens)

    • Gosling & Johnson (2010)
      Gosling, S.D. & Johnson, J.A. (2010). Advanced methods for conducting online behavioural research, Washington DC: American Psychological Association 2010.

    • Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009)
      Hamel, J., Desmarais, S., Nicholls, T., Malley-Morrison, K. & Aaronson, J., ‘Domestic violence and child custody: Are family court professionals’ decisions based on erroneous beliefs?’, Journal of Aggression, Conflict and Peace Research 2009, 1, p. 37-52, DOI:10.1108/17596599200900011.

    • Hans, Haselschwerdt, Hardesty e.a. (2014)
      Hans, J. D., Haselschwerdt, M. L., Hardesty, J. L. & Frey, L. M., ‘The effects of domestic violence allegations on custody evaluators’ recommendations’, Journal of Family Psychology 2014, 28, p. 957-966, http://dx.DOI.org/10.1037/fam0000025.

    • Hardesty & Ganong (2006)
      Hardesty, J.L. & Ganong, L.H., ‘How women make custody decisions and manage co-parenting with abusive former husbands’, Journal of Social and Personal Relationships 2006, 23, p. 543-563.

    • Hardesty, Haselschwerdt, Johnson e.a. (2012)
      Hardesty, J. L., Haselschwerdt, M. L. & Johnson, M. P., ‘Domestic violence and child custody’, in: Kuehnle, K. & Drozd, L. (eds.), Parenting plan evaluations: Applied research for the family court, Oxford: Oxford University Press 2012, p. 442-474.

    • Holtzworth-Munroe (2011)
      Holtzworth-Munroe, A., ‘Controversies in divorce mediation and intimate partner violence: A focus on the children’, Aggression and Violent Behavior 2011, 16, p. 319-324, DOI: 10.1016/j.avb.2011.04.009.

    • Holtzworth-Munroe, Beck & Applegate (2010)
      Holtzworth-Munroe, A., Beck, C. J. A. & Applegate, A. G., ‘The Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns (MASIC): A screening interview for intimate partner violence and abuse available in the public domain’, Family Court Review 2010, 48, p. 646–662.

    • Hume (1997)
      Hume, M., Child sexual abuse allegations and the family court, Masters Thesis, University of South Australia 1997.

    • Jaffe, Crooks & Poisson (2003)
      Jaffe, P.G., Crooks, C.V. & Poisson, S.E., ‘Common misconceptions in addressing domestic violence in custody disputes’, Juvenile and Family Court Journal 2003, 54, p. 57-67, DOI:10.1111/j.1755-6988.2003.tb00086.x.

    • Johnson (2008)
      Johnson, M. P., A typology of domestic violence: Intimate terrorism, violent resistance,

    • and situational couple violence, Boston, MA: Northeastern University 2008.

    • Johnson, Saccuzzo & Koen (2005)
      Johnson, N.E., Saccuzzo, D.P & Koen, W.J., ‘Child custody mediation in cases of domestic violence: Empirical evidence of a failure to protect’, Violence Against Women 2005, 11, p. 1022–1053.

    • Kelly & Johnson (2008)
      Kelly, J. B. & Johnson, M. P., ‘Differentation among types of intimate partner violence: Research update and implications for interventions’, Family Court Review 2008, 46, p. 476-499.

    • Kinderombudsman (2014)
      Kinderombudsman, Kinderombudsman presenteert nieuwe aanpak vechtscheiding (laatstelijk geraadpleegd op: http://www.dekinderombudsman.nl/70/oudersprofessionals/nieuws/kinderombudsman-presenteert-nieuwe-aanpakvechtscheiding/>id=371.

    • LAMB (2014)
      Lamb, M.E., ‘Dangers associated with the avoidance of evidence practice’, Family Court Review 2014, 52, p. 193-197, DOI:10.1111/fcre.12082.

    • Litvack (2007)
      Litvack, A., Best practices with families experiencing high-conflict separation and divorce, Toronto, Canada; Jewish Family and Child/ High Conflict Forum 2007.

    • McIntosh (2003)
      McIntosh, J., ‘Enduring conflict in parental separation: Pathways of impact on child development’, Journal of Family Studies 2003, 9(1), p. 63-80, DOI:10.5172/jfs.9.1.63.

    • Meier (2010)
      Meier, J. S., ‘Getting real about abuse and alienation: A critique of Drozd and Olesen’s decision tree’, Journal of Child Custody 2010, 7, p. 219-252, DOI:0.1080/15379418.2010.521032.

    • Nicholls, Desmarais, Douglas e.a. (2007)
      Nicholls, T. L., Desmarais, S. L., Douglas, K. S & Kropp, P. R., ‘Violence risk assessments with perpetrators of intimate partner abuse’, in: J. Hamel & T. L. Nicholls (eds.), Family interventions in domestic violence: A handbook of gender-inclusive theory and treatment, New York: Springer 2007, p. 275-301.

    • Nielsen, Hardesty & Rafaelli (2016)
      Nielsen, S.K., Hardesty, J.L. & Rafaelli, M., ‘Exploring variations within situational couple violence and comparisons With coercive controlling violence and no violence/no control’, Violence Against Women 2016, 22, p. 206-224, DOI: 10.1177/1077801215599842.

    • Olesen & Drozd (2008)
      Olesen, N.W. & Drozd, L.M., ‘High conflict, domestic abuse, or alienating behavior: How do you know?’, in: L.B. Fieldstone & C.A. Coates (eds.), Innovations in interventions with high conflict families, Madison, WI: Association of Family and Conciliation Courts 2008, p. 17-40.

    • Peeples, Reynolds & Harris (2008)
      Peeples, R.A., Reynolds, S. & Harris, C.T., ‘It’s the conflict, stupid: An empirical study of factors that inhibit successful mediation in high-conflict custody cases’, Wake Forest Law Review 2008, 43, p. 505-531.

    • Rivera, Zeoli & Sullivan (2012)
      Rivera, E. A., Zeoli, A. M. & Sullivan, C. M., ‘Abused mothers’ safety concerns and court mediators’ custody recommendations’, Journal of Family Violence 2012, 27, p. 321–332, DOI:10.1007/s10896-012-9426-4.

    • Roseby & Johnston (1998)
      Roseby, V. & Johnston, J.R., ‘Children of Armageddon: Common developmental threats in high-conflict divorcing families’, Child and Adolescent Psychiatric Clinics of North America 1998, 7(2), p. 295-309.

    • Rossi, Holtzworth-Munroe & Applegate (2015)
      Rossi, F. S., Holtzworth-Munroe, A. & Applegate, A.G., ‘Does level of intimate partner violence and abuse predict the content of family mediation agreements?’, Association of Family and Conciliation Courts 2015, 53, p. 134-161.

    • De Ruiter (2016)
      Ruiter, C., de, ‘In dialoog over conflictscheidingen’, Directieve therapie 2016, 36, p. 62-67.

    • Sousa, Herrenkohl, Moylan e.a. (2011)
      Sousa, C., Herrenkohl, T. I., Moylan, C. A., Tajima, E. A., Bart Klika, J., Herrenkohl, R. C. & Jean Russon, M., ‘Longitudinal study on the effects of child abuse and children’s exposure to domestic violence, parent-child attachments, and antisocial behavior in adolescence’, Journal of Interpersonal Violence 2011, 26(1), p. 111-136, DOI: 10.1177/0886260510362883.

    • Spruijt & Kormos (2010)
      Spruijt, E. & Kormos, H., Handboek scheiden en de kinderen, Houten: Bohn Stafleu van Loghum 2010.

    • Ter Voert (2016)
      Voert, ter, M., Factsheet 2016-2. Scheidingen 2015: Gerechtelijke procedures en gesubsidieerde rechtsbijstand, Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum 2016.

    • Tjersland, Gulbrandsen & Haavind (2015)
      Tjersland, O., Gulbrandsen, W. & Haavind, H., ‘Mandatory mediation outside the court: A process and effect study’, Conflict Resolution Quarterly 2015, 33, p. 19-34, DOI: 10.1002/crq.2112.

    • Tomassen-Van der Lans (2015)
      Tomassen-Lans, M, van der, M., Het verplichte ouderschapsplan: Regeling en werking. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2015.

    • Trocmé & Bala (2005)
      Trocmé, N. & Bala, N., ‘False allegations of abuse and neglect when parents separate’, Child Abuse and Neglect 2005, 29, p. 1333–1345, DOI:10.1016/j.chiabu.2004.06.016.

    • Tuten (2010)
      Tuten, T.L., ‘Conducting online surveys’, in: S.D. Gosling & J.A. Johnson (eds.), Advanced methods for conducting online behavioural research, Washington DC: American Psychological Association 2010, p. 179-192.

    • Tversky & Kahneman (1974)
      Tversky, A. & Kahneman, D., ‘Judgment under uncertainty: Heuristics and biases’, Science 1974, 185, p. 1124-1131.

    • Naast genoemde referenties, is voor het opstellen van de items en de antwoorden van de websurvey tevens gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

    • Campbell, Webster, Koziol-McLain e..a. (2003)
      Campbell, J.C., Webster, D., Koziol-McLain, J., Block, C., Campbell, D., Curry, M., Gary F., Glass, N., McFarlane, J., Sachs, C., Sharps, P., Ulrich, Y., Wilt, S. A., Mangenello, J., Xu, X., Schollenberger, J., Frye, V. & Laughon, K., ‘Risk factors for femicide in abusive relationships: Results from a multisite case control study’, American Journal of Public Health 2003, 93(7), p. 1089-1097, DOI: 10.2105/AJPH.93.7.1089.

    • Coker, Davis, Arias e.a. (2002)
      Coker A.L., Davis, K.E., Arias, I., Desai, S., Sanderson, M., Brandt, H.M. & Smith, P.H., ‘Physical and mental health effects of intimate partner violence for men and women’, American Journal of Preventive Medicine 2002, 23(4), p. 260-268.

    • R.E. Dobash, R.P. Dobash, Cavanagh e.a. (2007)
      Dobash, R. E., Dobash, R. P., Cavanagh, K. & Medina-Ariza, J., ‘Lethal and nonlethal violence against an intimate female partner’, Violence Against Women 2007, 13(4), p. 329-353.

    • Duryee (2003)
      Duryee, M.A., ‘Expected controversies: Legacies of divorce’, Journal of the Center for Families, Children & the Courts 2003, 4, p. 149-159.

    • Hardesty & Chung (2006)
      Hardesty, J. L. & Chung, G.H., ‘Intimate partner violence, parental divorce, and child custody: Directions for intervention and future research’, Family Relations 206, 55(2), 200-210, DOI: 10.1111/j.1741-3729.2006.00370.x.

    • Leon (2003)
      Leon, K., ‘Risk and protective factors in young children’s adjustment to parental divorce: A review of research’, Family Relations 2003, 52(3), p. 258-270.

    • Lowenstein (2012)
      Lowenstein, L. F., ‘Child contact disputes between parents and allegations of sex abuse: What does the research say?’, Journal of Divorce & Remarriage 2012, 53, p. 194-203, DOI:10.1080/10502556.2012.663267.

    • Mitcham-Smith & Henry (2007)
      Mitcham-Smith, M. & Henry, W. J., ‘High-Conflict Divorce solutions: Parenting coordination as an innovative co-parenting intervention’, The Family Journal 2007, 15(4), p. 368-373, DOI: 10.1177/1066480707303751.

    • Morris & Halford (2014)
      Morris, M. & Halford, W. K., ‘Family mediation: A guide for family therapists’, Australian and New Zealand Journal of Family Therapy 2014, 35, p. 479-492, DOI:10.1002/anzf.1078.

    • Neff & Cooper (2003)
      Neff, R. & Cooper, K., ‘Parental conflict resolution: six-, twelve-, and fifteen month follow-ups of a high-conflict program’, Family Court Review 2003, 32(1), p. 99–113.

    • Pruett & Johnston (2003)
      Pruett, M.K. & Johnston, J.R., ‘Therapeutic mediation with high conflict parents: Effective models and strategies’, in: J. Folberg, A. Milne & P. Salem (eds.), Divorce and family mediation, New York: Guilford Press 2003, p. 92-111.

    • Rossi, Holtzworth-Munroe, Applegate e.a. (2015)
      Rossi, F. S., Holtzworth-Munroe, A., Applegate A.G. & Beck, C. J. A., ‘Detection of intimate partner violence and recommendation for joint family mediation: A randomized controlled trail of two screening measures’, Psychology, Public Policy, and Law 2015, p. 1-13, http://dx.DOI.org/10.1037/law0000043.

    • Saini, Black, Lwin e.a. (2012)
      Saini, M., Black, T., Lwin, K., Marshall, A., Fallon, B. & Goodman, D., ‘Child protection workers’ experiences of working with high-conflict separating families’, Children and Youth Services Review 2012, 32, p. 1309-1316.

    • Stover (2013)
      Stover, C. S., ‘Commentary: Factors predicting family court decisions in High-Conflict Divorce’, The Journal of the American Academy of Psychiatry and the Law 2013, 41(2), p. 219-223.

    • Ver Steegh & Dalton (2008)
      Ver Steegh, N. & Dalton, C., ‘Report from the Wingspread conference on domestic violence and family courts’, Family Court Review 2008, 46(3), p. 454-475, DOI:10.1111/j.1744-1617.20.

    • Bijlage A – Lijst van gecontacteerde experts

    • Nancy Olesen

    • Robert E. Erard

    • Jacqueline Singer

    • S. Margaret Lee

    • Karen Bardenstein

    • Anita Boss

    • James Loving Jr.

    • Kari Carstairs

    • Michael Saini

    • Connie Beck

    • Amy Holtzworth-Munroe

    • Andrew Wenger

    • Carla Smith Stover

    • Jonathan M. Raub

    • Helen Cleak

    • Bijlage B – Definitieve Versie Vragenlijst

      Percentage (frequentie) totaal en per beroepsgroep antwoordselectie per item
      ItemAdvocaat N = 460Jeugdzorg/-bescherming professionals N = 110Mediator N = 213GGZ professional N = 64Overige N = 16Totaal N = 863
      1) Wat is uw beste schatting van het percentage conflictscheidingen onder alle gevallen van ouders die uit elkaar gaan?
      a) Ongeveer 20% 63 (290) 45 (49) 62 (133) 45 (29) 69 (11) 59 (512)
      b) Ongeveer 35% 29 (134) 48 (53) 29 (62) 39 (25) 19 (3) 32 (277)
      c) Ongeveer 50% 8 (36) 7 (8) 9 (18) 16 (10) 12 (2) 9 (74)
      2) Wat is uw beste schatting van het percentage conflictscheidingen waarin partnergeweld zich voordoet of heeft voorgedaan in het verleden?
      a) Ongeveer 10% 63 (291) 18 (20) 51 (109) 33 (21) 44 (7) 52 (448)
      b) Ongeveer 25% 25 (113) 42 (46) 35 (75) 44 (28) 31 (5) 31 (267)
      c) Ongeveer 40% 12 (56) 40 (44) 14 (29) 23 (15) 25 (4) 17 (148)
      3) Wat is uw beste schatting van het percentage conflictscheidingen waarbij valse beschuldigingen van kindermishandeling zich voordoen of zich hebben voorgedaan in het verleden?
      a) Ongeveer 10% of minder 62 (286) 35 (38) 52 (110) 47 (30) 31 (5) 54 (469)
      b) Ongeveer 30% 27 (125) 50 (55) 37 (78) 41 (26) 44 (7) 34 (291)
      c) Ongeveer 50% of meer 11 (49) 16 (17) 12 (25) 13 (8) 25 (4) 12 (103)
      4) Wanneer een ouderpaar uit elkaar gaat na een gewelddadige relatie, in welke periode bestaat voor de partner die het slachtoffer was het grootste risico van potentieel dodelijk geweld door de partner die de pleger was?
      a) In de eerste drie maanden na de feitelijke scheiding 65 (300) 47 (52) 50 (107) 63 (40) 31 (5) 58 (504)
      b) Beginnend bij een half jaar na de feitelijke scheiding 25 (116) 38 (42) 36 (77) 30 (19) 44 (7) 30 (261)
      c) Beginnend bij een jaar na de feitelijke scheiding 10 (44) 15 (16) 14 (29) 8 (5) 25 (4) 11 (98)
      5) Welke van de volgende omstandigheden heeft meest ernstige gevolgen voor de psychosociale ontwikkeling van een kind op de lange termijn?
      a) Regelmatig lichamelijk mishandeld worden door een ouder 5 (23) 2 (2) 1 (1) 3 (2) 6 (1) 3 (29)
      b) Regelmatig toekijken hoe een van de ouders lichamelijk mishandeld wordt door de andere ouder 7 (34) 5 (5) 14 (29) 6 (4) 6 (1) 9 (73)
      c) De psychosociale gevolgen van bovengenoemde opties zijn even ernstig 88 (403) 94 (103) 86 (183) 91 (58) 88 (14) 88 (761)
      6) Wat is de belangrijkste oorzakelijke factor die de langdurige conflicten tussen ouders in een conflictscheiding in stand houdt?
      a) Financiële zaken. 10 (46) 20 (22) 11 (24) 8 (5) 12 (2) 12 (99)
      b) De kinderen. 9 (40) 10 (11) 10 (22) 23 (15) 12 (2) 10 (90)
      c) Persoonlijkheidskenmerken van de ouders. 81 (374) 70 (77) 78 (167) 69 (44) 75 (12) 78 (674)
      Casus 1: Een ouderpaar met een nu 8-jarige dochter is drie jaar geleden gescheiden. Tot op heden zijn de ouders er niet in geslaagd om het eens te worden over een werkbaar ouderschapsplan om gezamenlijk voor het kind te zorgen.
      7) Stel u bent een expert en wordt gevraagd om de rechter te adviseren over het belang van het kind in deze conflictscheiding, welke informatie zou u bij uw advies het meeste gewicht geven?
      a) De psychologische kenmerken van het kind 30 (137) 52 (57) 32 (68) 47 (30) 31 (5) 34 (297)
      b) De kwaliteit van het sociale netwerk van elke ouder 9 (40) 10 (11) 10 (21) 8 (5) 6 (1) 9 (78)
      c) De opvoedingsvaardigheden van elke ouder 62 (283) 38 (42) 58 (124) 60 (9) 63 (10) 57 (488)
      Casus 2: Een ouderpaar in een conflictscheiding is een aantal jaren geleden uit elkaar gegaan. De moeder heeft nu haar zorgen gemeld bij de kinderbeschermingsinstantie dat de vader hun 6-jarige dochter seksueel misbruikt heeft.
      8) Wat zou uw advies zijn in dit geval?
      a) Dit is een geval van ouderverstoting (‘parental alienation’) door de moeder 10 (48) 4 (4) 4 (9) 6 (4) 0 (0) 8 (65)
      b) De zorg van de moeder moet serieus genomen worden en een professional dient met het kind te spreken. 81 (376) 96 (105) 91 (194) 89 (57) 100 (16) 87 (748)
      c) De ouder die haar zorgen heeft gemeld, moet psychologisch worden onderzocht. 8 (36) 1 (1) 5 (10) 5 (3) 0 (0) 6 (50)
      Casus 3: Een ouderpaar met een 12-jarige zoon en een 15-jarige dochter is na 7 jaar nog steeds verwikkeld in een conflictscheiding. De kinderen waren gedurende deze periode getuige van de conflicten tussen hun ouders.
      9) Zou u in dit geval mediation adviseren?
      a) Ja, want mediation werkt altijd in deze gevallen. 0 (2) 0 (0) 1 (2) 0 (0) 0 (0) 1 (4)
      b) Ja, want mediation in de meeste van deze gevallen werkt. 46 (212) 49 (54) 80 (171) 44 (28) 56 (9) 55 (474)
      c) Nee, omdat mediation niet werkt in de meeste van deze gevallen 54 (246) 51 (56) 19 (40) 56 (36) 44 (7) 45 (385)
      10) Kinderen van 12 jaar en ouder hebben het recht om gehoord te worden in familie rechtszaken. Wat is volgens u de beste manier waarop een familierecht zou moeten handelen in een soortgelijke zaak als Casus 3?
      a) De familierechter moet de kinderen horen in de rechtszaal, zodat zij hun situatie kunnen aangeven. 65 (301) 68 (75) 58 (124) 44 (28) 50 (8) 62 (536)
      b) De familierechter moet de kinderen gelegenheid geven om gehoord te worden in de rechtszaal, echter alleen met betrekking tot zaken omtrent de omgangsregeling en niet met betrekking tot het ouderlijk gezag. 23 (107) 29 (32) 24 (50) 36 (23) 38 (6) 25 (218)
      c) De familierechter moet de kinderen geen gelegenheid geven om gehoord te worden in de rechtszaal, omdat dit emotionele schade kan toebrengen aan de kinderen. 11 (52) 3 (3) 18 (39) 20 (13) 12 (2) 13 (109)
      Casus 4: Een gescheiden ouderpaar is in een rechtszaak verwikkeld over het ouderlijk gezag over hun kinderen. Beide ouders beweren dat ze echt van de kinderen houden en in staat zijn om voor hen te zorgen. Volgens de vrouw is de man tijdens het huwelijk gewelddadig tegen haar geweest: hij nam de totale controle over haar leven; ze mocht niet naar buiten; ze beschikte niet over eigen geld; en als de vrouw protesteerde werd ze geslagen met een stok en een keer heeft hij haar lievelingskat verdronken. Uit angst voor haar echtgenoot heeft de vrouw hiervan indertijd geen aangifte gedaan.
      11) Wat is volgens u het beste advies aan de rechter als u het belang van de kinderen in ogenschouw neemt?
      a) De vader dient psychologisch onderzocht te worden, met verzameling van informatie van derden en onafhankelijke bronnen. 35 (160) 52 (57) 43 (91) 56 (36) 56 (9) 41 (353)
      b) De moeder moet de primaire verzorger zijn en de vader krijgt een bezoekregeling. 23 (104) 10 (11) 12 (26) 3 (2) 6 (1) 17 (144)
      c) Parallel ouderschap, omdat kinderen hun beide ouders nodig hebben. 43 (196) 38 (42) 45 (96) 41 (26) 38 (6) 42 (366)

      We zijn geïnteresseerd in uw mening over uw eigen expertise:

      12) Wat vindt u van uw kennis met betrekking tot vechtscheidingen?

      1 2 3 4 5 6 7

      ZEER BEPERKT

      UITSTEKEND

      13) Hoe tevreden bent u met het resultaat van uw werk met vechtscheidingsgezinnen?

      1 2 3 4 5 6 7

      ZEER ONTEVREDEN

      ZEER TEVREDEN

      14) Wat is uw mening over de huidige aanpak van vechtscheidingen in Nederland? Hebt u suggesties voor verbetering?

    Noten

    • 1 Zie Ter Voert (2016), p. 2.

    • 2 Zie Ter Voert (2016), p. 2.

    • 3 Zie Litvack (2007), p. 9.

    • 4 Zie Tomassen-van der Lans (2015).

    • 5 Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015).

    • 6 Zie Hardesty & Ganong (2006), p. 543-563.

    • 7 Kelly & Johnson (2008), p. 476-499.

    • 8 Zie Johnson (2008).

    • 9 Zie Nielsen, Hardesty & Rafaelli (2016), p. 206-224.

    • 10 Zie Bow & Boxer (2003), p. 1384-1410; Jaffe, Crooks & Poisson (2003), p. 57-67; en Hardesty, Haselschwerdt & Johnson (2012), p. 442-474.

    • 11 Kelly & Johnson (2008), p. 476-499.

    • 12 Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000), p. 849–859.

    • 13 Eenzelfde observatie deden Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2001), p. 113–124.

    • 14 Gardner (1998).

    • 15 Zie Drozd & Olesen (2003), p. 65-106 en Meier (2010), p. 219-252.

    • 16 Zie Olesen & Drozd (2008), p. 17-40.

    • 17 Zie Drozd, Olesen & Saini (2013).

    • 18 Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000), p. 849–859.

    • 19 Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2000, p. 849–859.

    • 20 Hume (1997).

    • 21 Trocmé & Bala (2005), p. 1333–1345.

    • 22 Zie Flood (2010), p. 328-347.

    • 23 Zie Emery, Matthews & Kitzmann (1994), p. 124-129.

    • 24 Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015) en Roseby & Johnston (1998), p. 295-309.

    • 25 Zie Spruijt & Kormos (2010).

    • 26 Zie Johnson, Saccuzzo & Koen (2005), p. 1022–1053.

    • 27 Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531.

    • 28 Zie Geurts, Sportel, Beenakkers e.a. (2015).

    • 29 Zie Tjersland, Gulbrandsen & Haavind (2015), p. 19-34.

    • 30 Zie Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531.

    • 31 Rossi, Holtzworth-Munroe & Applegate (2015), p. 134-161.

    • 32 Zie Ballard, Holtzworth-Munroe, Applegate e.a. (2011), p. 16–33; Beck, Walsh & Weston (2009), p. 401–415; en Peeples, Reynolds & Harris (2008), p. 505-531.

    • 33 Rivera, Zeoli & Sullivan (2012), p. 321–332.

    • 34 Zie ook Holtzworth-Munroe (2011), p. 319-324.

    • 35 Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52.

    • 36 Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52.

    • 37 Het aanbod aan cursussen/opleidingen voor het werken met gezinnen in een conflict- of vechtscheiding in Nederland is zeer heterogeen, getuige een Google search. Voorbeelden zijn: een driedaagse cursus: http://www.ces-educatie.nl/aanbod/152/driedaagse-cursus-werken-met-gezinnen-in-vechtscheidingen-en-strijdzaken.html; een tweedaagse training: http://www.timmconsultancy.nl/gesprekken-met-ouders-en-kinderen-bij-complexe-scheidingen; en een vijfdaagse training: http://www.kindenik.nl/ouder-en-kind/kind-en-gezin-weer-in-balans/kind-en-gezin-weer-in-balans/conflicten-gezin-vechtscheiding/. Wat opvalt aan dit opleidingsaanbod is het ontbreken van een (wetenschappelijk) kwaliteitskader.

    • 38 Zie Tuten (2010), p. 179-192.

    • 39 Gosling & Johnson (2010).

    • 40 Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/F-toets.

    • 41 Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52. Zie ook Hans, Haselschwerdt, Hardesty e.a. (2014), p. 957-966.

    • 42 Zie Bow & Boxer (2003), p. 1384-1410; Jaffe, Crooks & Poisson (2003), p. 57-67; en Hardesty, Haselschwerdt & Johnson (2012), p. 442-474.

    • 43 Zie Brown, Frederico, Hewitt e.a. (2001), p. 113–124 en Trocmé & Bala (2005), p. 1333–1345.

    • 44 Zie Sousa, Herrenkohl, Moylan (2011), p. 111-136.

    • 45 Hamel, Desmarais, Nicholls e.a. (2009), p. 37-52.

    • 46 Zie Drozd, Olesen & Saini (2013) en Nicholls, Desmarais, Douglas e.a. (2007), p. 275-301.

    • 47 Zie LAMB (2014), p. 193-197.

    • 48 Zie http://www.overlegscheiden.com/.

    • 49 Zie Droz (2009), p. 403-416 en Olesen & Drozd (2008), p. 17-40.

    • 50 Zie Hans, Haselschwerdt, Hardesty (2014), p. 957-966; De Ruiter (2016), p. 62-67; en Tversky & Kahneman (1974), p. 1124-1131.

    • 51 Zie Kassin, Dror & Kukucka (2013), p. 42-52.

    • 52 Zie Litvack (2007).

    • 53 Zie https://aifs.gov.au/cfca/events/representing-children-legal-proceedings.

    • 54 Zie Family Court of Australia (2013).

    • 55 Zie Holtzworth-Munroe, Beck & Applegate (2010), p. 646–662.

Citation format

Would you like to cite an article from Family & Law? You can do so using this format:

Frederik Swennen, Contractualisation of Family Law in Continental Europe, F&L July - September 2013, DOI: 10.5553/FenR/000008. www.familyandlaw.eu/doi/10.5553/FenR/.000008 (Last accessed: …)


Print this article